Zinweb Café: Lisette Thooft (II)

Lisette Thooft was te gast bij het Zinweb Café in Boekhandel Kirchner in Amsterdam. Een verslag van de avond in twee delen. In dit tweede deel haar ideeën over hoe mannelijk en vrouwelijk archetypisch samen kunnen hangen.

De scheiding tussen de geslachten

“Wij zitten met die wellust, daar zitten wij mee,” merkt Thooft op, en zij haalt een mythe aan die de scheiding der geslachten wil duiden (en passant opmerkend dat het woord seks van secare, snijden, komt). Aristophanes beschrijft in Plato’s Symposium de bolmensen, diep arrogant, die door de goden voor straf doormidden werden gesneden, waarna ze wanhopig op zoek gingen naar hun wederhelft. Zeus kreeg op een gegeven moment wat medelijden met deze half-mensen die wanhopig in elkaars armen stierven. Hij plakte de wond dicht en maakte “een slangetje en een prik,” waarna mensen wel samen konden leven en aan de goden konden offeren.

Hoe komt een verhaal over scheiding der geslachten terug in de Bijbel? Daarvoor wenden we ons uiteraard naar Genesis. Het boek wordt stevig onder de loep genomen, en Adam wordt ook niet zomaar als man voorgesteld maar, naar de letterlijke vertaling, als “de roodbloedige uit de grond gemaakte mens.” God besluit dat deze mens – niet de man – een wederhelft nodig heeft, en ook hier wordt de letterlijke vertaling gevolgd die niet voorschrijft dat God een rib uit het lijf van Adam nam toen deze sliep, maar “een van beide zijden.” Thooft merkt verder op dat éérst uit deze zijde de vrouw wordt gefabriceerd, en daarná pas uit de andere zijde de man. De vrouw komt dus eerst.

De theorette van Lisette

Thooft heeft om dit thema heen een eigen duiding ontwikkeld, “zonder wetenschappelijke pretenties maar hij is wel heel erg leuk,” zoals ze zelf beschrijft. Om het toch bescheiden te houden presenteert ze het wel als “de theorette van Lisette.” Het is een pyramidevormig ontwikkelingsmodel. Ze zet – “op het fysieke niveau” – de man aan de ene kant en de vrouw aan de andere kant. Ze begint bij de vrouw: “Die is biologisch zo gebouwd, zij heeft een vagina en een baarmoeder, dat is een holte, daar moet iets in.” Zonder spermacellen immers geen babies. Thooft leidt hieruit af: “Het basale, elementaire gebaar van de vrouw is: ‘Het moet er in.’”

De man, in tegenstelling tot de vrouw, zou als elementaire gebaar juist hebben: “Het moet er uit.” Deze neigingen zijn uiteraard met betrekkening tot voortplanting erg handig. “Maar,” vervolgt thooft, “op volgende niveaus, van psychische wezens of hoe je het ook noemen wilt, beginnen de poppen te dansen.” Thooft breidt de neiging van de vrouw uit naar het emotionele leven, waar de basale neiging zou zijn: “Kom hier, je bent van mij. Ik hou van je, dus je bent van mij. Je moet naast mij zitten op de bank en over je gevoelens praten.”

Slang als vagina dentata

Thooft maakt een interessante symbolische wending in het proces, waar ze de slang als symbool beschrijft niet als fallisch, maar juist als een getande vagina. “Dat is waar de man in verdwijnt,” duidt zij deze symbolische betekenis. Dit idee dat alle vrouwen erop belust zijn mannen emotioneel op te slokken is – zo geeft Thooft ook toe – seksistisch, “maar het komt goed,” belooft ze, “want het is een ontwikkelingsmodel.”

De man heeft op het psychische niveau andere neiging, beschrijft Thooft. Die wil zich wel eventjes voegen naar de verlangens van de vrouw, maar niet te lang, “want ik heb nog wel meer te doen, want er zijn meer vrouwen die op mij zitten te wachten.” Of dit nu werkelijk zo is of niet, dit zouden de basale uitgangspunten van de man zijn. Thooft vat de drang samen als “hij moet presteren,” met een knipoog naar het bevruchtingsproces: er kan maar één zaadcelletje de eicel bevruchten, dat is de best presterende. “Winner takes all” vat Thooft het nog samen.

Deze twee neigingen zorgen uiteraard voor problemen. De man zou zich gevangen kunnen gaan voelen door de eis van de vrouw om steeds bij haar te blijven. De man zou ook altijd iets in zich hebben van “the poor lonesome cowboy, far away from home.” Hoe valt dit dan allemaal met elkaar te verzoenen? Thooft stijgt op naar de top van de pyramide: Het spirituele ideaal van het annexerende gebaar van de vrouw “is verbinding, is liefde.” legt ze uit. Hoe zit dat dan met de man? “Zijn spirituele ideaal is grenzen overschrijden, verlossing, bevrijding. Kortom: vrijheid.” Zo komen we bij vrijheid en liefde als archetypisch vrouwelijk ideaal en archetypisch mannelijk ideaal.

Opofferen en loslaten

Wat betekent dit dan allemaal? Het eigen ideaal is niet te bereiken zonder dat van de ander. Bovendien blijken de twee niet zo tegenstrijdig als ze dat op het eerste gezicht lijkt. Wat zou je krijgen als je vrijheid en liefde samenvoegt? “Iets als belangeloosheid, of geestelijke vrijheid, of verlichting.” De twee hebben elkaar ook nodig om op te stijgen, Thooft lijkt daar ook nog wel een evolutionaire tendens in te herkennen. Zonder de neiging om je vrij te willen maken zou de liefde altijd blijven steken in wat zij noemt “apenliefde,” die neerkomt op “jij bent van mij.” Juist door de wisselwerking met de drang naar vrijheid krijg je nieuwe, andere vormen. “Ik hou van je dus ik probeer je vrij te laten” is een vrij nieuwe, moderne vorm van liefde, bijvoorbeeld in de vorm van ouderliefde die erop gericht is kinderen zich zelf te laten ontplooien en zelfstandig te maken. Op eenzelfde manier geldt dit ook omgekeerd: “als je vrijheid probeert te verwerven zonder de liefde, dan kom je snel in de slavernij terecht.”

Maar wat moet je er voor doen om bij die geestelijke vrijheid of als vrouw bij die echte liefde te komen? Aan de mannenkant noemt Thooft Jezus als mythisch voorbeeld, want die neemt zichzelf als datgene wat hij wil geven, voor de mensheid. “Het mannelijke geeft zichzelf” is de oplossing dan. Iets meer alledaags formuleert zij het: “Alles waarvan je denkt ‘ik zou het wel willen maar ik kan het niet maken’ is een soort mannelijk zelf-offer.” Wat moeten de vrouwen dan doen? Die moeten zich juist niet offeren, stelt Thooft, maar die moeten “de geliefde loslaten.” In de drie Maria’s aan de voeten van de gekruisigde Jezus ziet Thooft een mythische, vrouwelijke tegenhanger van Jezus: “Die zijn bezig hem los te laten.”

Lees ook deel I van dit verslag.

Afbeelding: Sandro Botticelli – Lamentation of the Dead Christ (bron: Wikipedia).

Lucas van Heerikhuizen
Lucas van Heerikhuizen is afgestudeerd als master in de godsdienstwetenschappen. Momenteel is hij werkzaam als webdeveloper en WordPress docent. Tevens is hij actief als redacteur voor Zinweb.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *