Zielsverlichting

Verkenning van vrijzinnige spiritualiteit

Inleiding
Een verlichte vorm van christelijke religie heeft mogelijkheden te over om mensen in hun leven te inspireren, aan te moedigen en te confronteren, ook in de eenentwingste eeuw. Het geïnstitutionaliseerde christendom moet dan afstand nemen van een fixatie op de zondagse eredienst. Mensen moeten volstrekt serieus genomen worden in hun behoefte om het gewone leven vol te houden en daarin dagelijks geïnspireerd te worden. Dat hoort zich mede in een inspirerend aanbod binnen het doordeweekse leven uit te drukken. Zingeving moet worden gezien als een breed begrip, dat niet beperkt is tot geïnstitutionaliseerde godsdienst en deze moet het alleenrecht op zingeving onmiddellijk opgeven. Dat zal inhouden dat de claim op de waarheid moet worden losgelaten.

Zingeving is een term die uitleg nodig heeft. Het bruikbare aan deze term is dat de zin die mensen in de dingen zoeken serieus wordt genomen en niet wordt beperkt tot institutioneel denken. De beperking van het woord zit in het tweede gedeelte: zin-geving veronderstelt dat mensen hun bestaan voortdurend autonoom en actief van zin voorzien. Dit hangt samen met het mensbeeld van autonome individuen dat onze tijd beheerst. Kenmerkend van ervaringen van zinvol leven is dat zij een combinatie zijn van gezochte en geschonken factoren. Momenten die ons
aan komen waaien en ‘eilanden van inspiratie’, die we zelf zoeken.
Mensen die van huis uit met een institutioneel christendom hebben geworsteld, hebben veel behoefte aan levensbeschouwelijke ruimte en te zoeken naar een religieuze inspiratie die bij hen past. Zij willen ongebonden blijven, omdat ze te lang zijn vastgehouden in systemen en idealen die hen hebben beperkt. Een volgende generatie heeft al weer veel minder religieuze bindingsangst. Zij is opgegroeid in een volstrekt onoverzichtelijke wereld waarin een binding met een bepaalde religieuze gemeenschap helderheid en structuur kan geven. Het is een illusie om te denken dat er één format denkbaar is voor christelijk geloven waarin elke generatie zou kunnen passen. ‘Gun ieder zijn eigen reis’ merkte Heine Siebrand op, en die woorden zouden we als geloofsgemeenschap waar moeten maken. Mensen mogen hun eigen reis maken van, naar of binnen het christelijke erfgoed. toe; er binnen of buiten. De reis van ieder individu verdient begeleiding en aanmoediging.

De geloofsgemeenschappen zouden zich tot taak moeten stellen om deze reis te begeleiden. De horizon is daarbij de humaniteit waar ieder mens toe geroepen is.
Leven met het oog gericht op humaniteit. Dit is echter maar één kant van de medaille. Een mens is geroepen om humaan te zijn, naar de ander, maar ook naar zichzelf. Om deze humaniteit in het leven waar te maken horen geloofsgemeenschappen spiritualiteit te ontwikkelen en te bewaken. De geloofsgemeenschap als vindplaats van spiritualiteit om het alledaagse leven aan te kunnen, mag zowel een confronterend (profetisch) als een troostend (pastoraal) perspectief op de werkelijkheid bieden.
Daarbij is van belang dat er grondige studie komt naar de fenomenen van religiositeit die zich op de rand van en vlak buiten de geïnstitutionaliseerde geloofsgemeenschappen begeven. Waar komt die hang naar zingeving vandaan? Daarbij behoren de dragers van de christelijke traditie niet in een zielige kramp te schieten, van leegloop en pessimisme, maar evenmin behoort de spirituele vraag achter deze hang naar spiritualiteit te worden gebadineerd. Zaak is het de schatten van de eigen traditie op te graven en met verve te vertalen naar de spirituele zoekers van onze tijd.

Grote uitdagingen liggen te wachten. De eerste is het aanbieden van de bronnen, zodat mensen hun reis kunnen maken en van bagage worden voorzien. Daarbij hoort een forse portie lef (=hart!) niet te ontbreken, want de veelal verstopte bronnen moeten nieuw ontsloten worden.. Vieringen kunnen eigentijdser worden aangekleed, liturgische taal mag worden opengebroken, bijbelse taal ontrafeld. Het is geheimtaal geworden voor een hele generatie die al volwassen is. Nieuwe uitleg is gevraagd. Bij sommigen ontbreekt het aan een verstaansniveau van de ziel in de manier waarop het christelijk erfgoed wordt gepresenteerd. De evangelicale beweging heeft aangetoond deze laag wel te kunnen raken. Daar valt voor vrijzinnigen nog wat van te leren als het gaat om taalveld en vorm.

Tjeu van den Berk groef in zijn boek ‘Het Numineuze’ de erfenis van Rudolf Otto op. Otto wees, in een tijd van maatschappelijke ontgoocheling, op de numineuze ervaring als een richtinggevende ervaring in het leven van mensen. Deze ervaring is verstillend, ontzettend, enerverend, en vaak van een verbluffende eenvoud. Otto verbond deze ervaring met het heilige. Zonder Van den Berks inzet over te nemen wil ik zijn punt serieus nemen. De ervaring die een mensenleven beslissend kan bepalen, hoort thuis in het veld van religie en zingeving. En deze hoort in dit veld niet steeds te worden weggezet als irrationeel en secundair.
Willen geloofsgemeenschappen mensen bezielen en toerusten voor hun opdracht humaan mens te zijn, dan horen dit soort ervaringen serieus genomen te worden. De bijbel is er overigens vol van; dat hoeft ons dus niet te verbazen. Iedere grote profeet die bij zijn kladden wordt gegrepen en aan het werk gezet, maakt iets ontzettends mee. Deze laag van beleving hoort een plek te krijgen in verlicht geloven.
De tweede opdracht van geloofsgemeenschappen is een oefenplaats te zijn van humaniteit. Een geloofsgemeenschap is drager van een bron van humaniteit (de bijbel) en staat in de lijn van een der grootste humanisten aller tijden: Jezus van Nazaret. Waar hij verscheen, ging het hem erom mensen een menswaardig bestaan te geven. Waar mensen bezig zijn met christelijke religie, staat dat in het teken van humaan samenleven.
Jan Rot verwoordde het in zijn vertaling van de Mattheus Passie zo:
Koor: “Waar, waar en voor wie en ja, wanneer zal dat koninkrijk nou komen?“ Verteller: “Helaas…” Jezus: Het paleis van de vader staat al in ieders hart! Wie aanklopt doet hij open. Na mij komt de geest. En de geest zal je hart verlichten met wachtwoord liefde.”
Hier staan in een notendop de elementen waar het om draait als we de christelijke traditie gaan herzien. Enerzijds mag de bewogenheid van ons hart ons elke dag dragen. Het koninkrijk der hemelen als een te vestigen land hier op aarde, lijkt evenwel een misverstand. Het koninkrijk is beter te verstaan als een geestelijk begrip. Het is ons gegeven ook zonder dat wij er enig vermoeden van hebben. Tegelijk is het geen staat van vrijblijvende, zwevende introvertheid. Want het wachtwoord is: liefde. De verstaanshorizon van onze inspiratie is de liefde: de liefde voor de ander, de liefde voor onszelf. Dat is pertinent iets anders dan kirrende bekoring van een ander, romantische exercities of het totaal weggeven van zichzelf.

In de komende alinea’s schets ik hoe de christelijke religie mensen kan dragen, inspireren en confronteren in hun dagelijks leven. Dit doe ik door te schetsen hoe een religieus moment betekenis kan hebben in dat dagelijkse leven. Door te laten zien hoe ons hart bewogen kan zijn zonder dat dat coûte que coûte een christelijke inbedding hoeft te hebben. Daarbij staat mij steeds het perspectief van de humaniteit voor ogen, het doel om zo geïnspireerd te zijn, jezelf zo door en door te kennen, de verhoudingen zo om te durven keren, dat het leven er leefbaarder van wordt en wij zodoende meer mens worden, meer mens kunnen zijn voor de ander, meer mens met onszelf. Om zo de wet der liefde te kunnen vervullen.
Ik schrijf dit in de overtuiging dat gemakkelijke religieuze ervaringen niet bestaan. Instant antwoorden op de vraag die leven is, en hoe leven zinvol wordt vormgegeven zullen op lange termijn teleurstelling oproepen.

Religie
Religie heeft een functie als een van de eilanden in ons leven. Hiermee bedoel ik, dat een religieuze bijeenkomst een plaats zou moeten zijn waar een mens kan bijkomen van het alledaagse leven, er op kan reflecteren, zichzelf er in kan terugvinden en zichzelf kan tegenkomen. Een religieuze viering is een van de plekken in een mensenleven waar dit gebeuren kan, een eilandje in de tijd, een afgebakende tijdsspanne die niet per se veilig is, maar wel geborgen. Niet altijd veilig omdat de weg naar binnen wordt ingeslagen, en die betekent vaak confrontatie. Op deze eilanden van inspiratie gaan we een weg, waarop we onszelf ontwapenen.
Het eiland is niet altijd veilig, wel geborgen. Woorden en gebaren vormen de geborgenheid die de weg naar binnen omhult.

Een eiland in een archipel
De religieuze viering is niet het enige eiland dat we tijdelijk kunnen bewonen. Het paradigma van cultus en religie mag worden uitgebreid. Ook een ervaring van muziek, kunst of een natuur kan zo’n eiland zijn. Wat ontstaat is een eilandenketen, een archipel, waar de ziel haar dialoog met zichzelf voert en de plaats zoekt om met zichzelf te verkeren. De inbedding van deze ervaring is de verwachting van God, die als een onnoembaar beginsel deze spiritualiteit draagt. God bestaat niet per se als een fysieke werkelijkheid achter deze eilandenketen, maar bestaat voor ons in deze eilanden, als het geheim erachter dat alles draagt.
Een religieuze viering is er nooit alleen voor ons en onze ziel, maar staat in dienst van de humaniteit. Het kan nooit een één-tweetje worden tussen God en ons . Op het eiland ontmoet de ziel zichzelf en laadt zich op voor een waarachtig leven met de ander. De ziel ontmoet het ego met al haar driften en ontmaskert die. Op het eiland van de religieuze viering vindt dus een oefening in omgang met elkaar plaats, want hoe kleiner het ego, hoe grootser de mens is in zijn humaniteit. De eilanden in ons leven zijn plekken om uit te rusten. Ook zijn het leerplekken voor ons leven.
Voor we overgaan tot het verkennen van de eilanden, is het van belang dat wij ons realiseren dat het hier niet gaat om een luxe-product, waaraan wij pas toekomen du moment dat alle andere zorgen in ons leven zijn opgelost. Grasduinen in de wereld van de vrije religie, kan mij het gevoel geven dat spiritualiteit een luxe product is voor de happy few, dat aangewend wordt als een attractieve en exotische versiering van de alledaagse werkelijkheid. Dat is niet de manier waarop ik over de religieuze ervaring kan spreken. Het is zelfs andersom, en hierop wijzen vele auteurs in diverse bewoordingen : de behoefte aan een spirituele onderlegger onder het bestaan, komt tot stand in de confrontatie met een existentiële menselijke nood. Juist tegen de achtergrond van een ervaren leegte, zinloosheid of niet-zijn, zoals Tillich zou zeggen, onderneemt men de zoektocht naar geestelijke grond onder de voeten. Met meer christelijke woorden: we gaan God pas zoeken als we beseffen dat Hij er niet is, en dat besef komt vaak tot stand als de nood aan de man is.

Van ontzag naar verwondering
In het kader van religie klinkt de term verwondering vaak. De term blijft meestal leeg. Zij kan gaan klinken als we de gedachte van de verwondering benaderen vanuit het begrip ontzag. Het werk van Abraham Joshua Heschel zette mij op dit spoor. Hij definieert ontzag als “een intuïtie voor de waardigheid van alle geschapen dingen en voor hun kostbaarheid voor God” . Als we een eiland betreden, krijgen we de kans om deze intuïtie aan te leren. Deze intuïtie slaat op alles waarvan wij kunnen vermoeden dat het leven bevat. Het leven dat erin gelegd is verdient per definitie ons ontzag omdat het een eigen waardigheid heeft.
Ontzag kunnen wij gemakkelijk opbrengen voor wie wij bewonderen. Het valt zwaarder als wij met iemand in onmin leven, vol zijn van verdriet of vervuld van zelfverwijt. Dit komen wij tegen als we het eiland betreden. Bij het betreden van een geestelijk eiland zal de intuïtie voor de waardigheid van alle dingen niet meteen op de voorgrond treden. Daarvoor zal de ziel eerst moeten worden ont-dekt door ons eigen zelf onder ogen te zien.

Als de verschillende kanten van ons zelf een plekje krijgen in onze innerlijke woning, komt de ziel tevoorschijn. De ziel kan varen op de woorden van het religieuze moment. Zij leert ons de intuïtie voor de waardigheid van het leven. Deze intuïtie is ooit aangeboord, in onze vroege jeugd voortdurend, dus ieder mens draagt de kiem in zichzelf. Het volstaat echter niet om te zeggen: zoek het kind in jezelf, want een mens is daarvoor te veel veranderd, heeft teveel gezien en is gekleurd. Gelukkig maar. We mogen er wel vanuit gaan dat ieder mens de intuïtie voor waardigheid ergens in zich draagt. Het gaat er om deze intuïtie op te graven. Wanneer we deze intuïtie op het spoor komen, en dat kan in een oogwenk gebeuren, dan is het ontzag geboren. De werkelijkheid doet zich anders aan ons voor, omdat we op zoek zijn naar de waardigheid van de werkelijkheid om ons heen. En wie hem zoekt, zal hem vinden, tamelijk direct.
Een voorbeeld hiervan kan illustreren wat ik bedoel. Wanneer iemand regelmatig in een natuurgebied wandelt, zal zijn blik geoefend worden in de intuïtie van de waardigheid van de natuur. Door het leren kijken, het opgraven van deze intuïtie, zal iemand langzaam maar zeker ontzag krijgen voor dat stukje bos vlak bij zijn huis. Als dat stukje bos dan wordt doorkruist door een weg, dan zal iemand vanuit een innerlijke drijfveer protest aantekenen. Omdat de waardigheid van het object wordt aangetast. Zou hij er nooit komen, hij zou gaandeweg zijn ontzag voor de levende natuur verliezen, en absoluut niet meer weten waarom de weg tegengehouden moet worden.
In een religieus moment kunnen we dit ontzag weer op het spoor komen. We kunnen bevangen worden door bewogenheid met de mens die naast ons zit, vanuit een plotseling besef dat de ziel van deze mens een waardige kern is, gemaakt van dezelfde substantie als de onze.
“De ander met zich meedragen, altijd en overal, besloten in zichzelf, en daar met hem leven. En niet zo met een, maar met velen. De ander opnemen in de innerlijke ruimte en hem daar verder laten gedijen, een plaats geven, waar hij uitgroeien en zich ontplooien kan.”
Zo drukte Etty Hillesum het uit. Wie de waardigheid van onze werkelijkheid op het spoor komt, ervaart de wereld tijdelijk niet als een samenspel van oorzaak en gevolg, maar als een bezielde eenheid waar een geheim de kern van is. Het gaat er niet om of dit klopt of niet, het gaat erom dat we ons oefenen in deze blik. In de blik van ontzag, waardoor de verwondering over ons bestaan op deze aarde als vanzelf volgt. Teksten of beelden kunnen dit ontzag, voeden of oproepen. We oefenen ons zelf in ontzag, en daar begint de verdiepte omgang met de werkelijkheid om ons heen. Daar begint dus ook de humaniteit.

Het stellen van het kompas, leeg worden
Wat is nog meer nodig om het eilandenrijk, de keten van bezieling, waar we ons heil kunnen zoeken, een zinvolle plek te laten zijn? De oefening in ontzag was de eerste invulling van religieus ervaren in het leven van alledag. Een tweede proces dat plaats kan vinden is wat het stellen van het kompas zou kunnen heten. Bij het betreden van een van de eilanden van de keten, zij het een religieuze viering, zij het een context van muziek (kunst) of natuur, speelt een tweede notie een rol, die nauw samen hangt met de ontzagoefening, namelijk een proces van onthechting van onszelf. Op een eiland valt te ontdekken dat een mens niet samenvalt met zichzelf, met zijn ambities en neigingen, met zijn angsten en gedragingen. We kunnen oefenen om leeg te worden. De christelijke traditie gebruikt hiervoor de term ontlediging. Als de meester van de ontlediging heeft Jezus van Nazareth dit voorgeleefd . Het onder ogen zien van alles wat in ons leeft, is daarbij de eerste stap. Dit leidt tot erkenning van onze kwetsbaarheid en onze noden. Als deze onderkend en erkend zijn, kan men ervaren dat voor de ziel wordt gezorgd.
‘Nee, ik ben stil geworden, ik heb mijn ziel tot rust gebracht. Als een kind op de arm van zijn moeder, als een kind is mijn ziel in mij’ (psalm 131:2).
Als de ziel zich een ogenblik gedragen weet, is de ontlediging begonnen. De mens wordt minder, waardoor de verbondenheid met het geheel toeneemt, waardoor de mens groter wordt. De overgave aan het grotere geheel, dat kan bestaan uit andere mensen, uit de bezielde werkelijkheid waarin wij leven, neemt een aanvang.

Vrij van de machten
Religieuze ervaring gaat niet om kritiekloze overgave aan alles wat zich voordoet. Nu wordt belangrijk wat de inhoud is, wat de context vormt van het eiland. Want nu opent zich de mogelijkheid om het kompas opnieuw in te stellen. Behulpzaam kan daarbij zijn de notie van de ‘machten’. In de bijbelse brief aan de Galaten speelt deze notie een cruciale rol. In deze brief pleit Paulus, die snel uit de koker van de orthodoxe dogmatiek moeten worden gepulkt, voor een innerlijk bevrijdingsproces. In de gemeenschap die begonnen was met Jezus, ging het erom bevrijd mens te zijn. Vrij van de machten, van de Joodse wet, of welke wet dan ook. Paulus noemt dit de ‘machten’. De machten van het joodse wettische leven, maar ook de machten van de wereld zijn in staat om een mens onmondig te maken. Of beter gezegd: de machten zijn in staat om ons onmondig te houden. Bij de ontlediging hoort het op het spoor komen van die dingen die ons knechten en in hun greep houden, van de eigenlijke machten in ons leven. De machten zijn daarbij legio. Er zijn een aantal klassieke machten die niets veranderd zijn ten aanzien van de tijd dat de Galatenbrief geschreven werd, bijvoorbeeld het geld, de hiërarchie als onderdrukkend mechanisme in een mensenleven, de instituties of de seksualiteit. Het is zeker niet de bedoeling om deze machten per definitie als kwaad of zondig te bestempelen, daarmee zouden we onrecht doen aan het leven zelf. Toch noemen we ze niet voor niks ‘machten’, ze hebben een aantrekkingskracht op ons, een invloed op ons leven, die ons kan wegtrekken van de kern van ons bestaan. Ze kunnen ons knechten en gaan bepalen, ons kompas wegtrekken van het geheim van het leven. Een eilandervaring zal dus meestal een gesprek inhouden van de ziel met onszelf, waarin aan het licht komt welke machten de ziel afleiden van haar kern. Het lege midden in ons leven moet leeg blijven, of steeds weer leeg worden gemaakt.

De rol van de beeldcultuur
In onze tijd zijn er aantal machten sterker geworden, zoals een dominante beeldcultuur. In de tijd waarin we leven is dit een van grootste machten over ons. De beelden die ik voor ogen heb, zijn zeer concreet. Het ideaalbeeld van de zelfredzame oudere die ondernemend zijn eigen leven vormgeeft, kan zo’n beeld zijn. Of het ‘centerparcs’ gezin dat elk vrij moment genietend van elkaar in harmonie doorbrengt. Beelden die onze ziel gevangen houden, omdat we ze na blijven jagen, terwijl ze aan geen enkele werkelijkheid beantwoorden, waardoor we steeds met lege handen blijken te staan.
Een onthutsend voorbeeld van de macht van beelden, zag ik in het televisieprogramma ‘Extreme Make Over’. Hierin krijgt een vrouw die ongelukkig is met haar uiterlijk in drie maanden een geheel nieuwe look aangemeten. Ze moet afvallen, ze krijgt nieuwe kleding, krijgt een ander kapsel etc. Een team van specialisten buigt zich over dit hopeloze geval. Na drie maanden mag zij de grote omtovertruc in de spiegel bekijken en gelooft zij vaak haar ogen niet. ‘ O my god, that’s not me’ (O mijn god, dat ben ik niet!) roept de vrouw uit als zij haar spiegelbeeld ziet. De uitroep weerspiegelt de grote onvrede met hoe zij was. De beeldcultuur is kennelijk zo dominant dat een afwijkend uiterlijk een mens diep ongelukkig kan maken. Daarnaast zijn binnenbeeld en buitenbeeld kennelijk volledig met elkaar verweven, want nu zij een ander uiterlijk heeft, zegt ze ‘dat ben ik niet.’
De esthetisering van onze wereld, het steeds mooier maken en worden van onze werkelijkheid, speelt dus een merkwaardige dubbelrol. Enerzijds kan zij het voertuig zijn van ons ontzag voor de wereld, kan de schoonheid van de dingen onze intuïtie voor de waardigheid dragen. Anderzijds kan zij verworden tot pure uiterlijkheid, en daarom nergens meer naar verwijzen, een schilletje zijn. Een schilletje waarop wij ons blind staren. Het hoeft waarschijnlijk weinig betoog dat de media een cruciale rol spelen in het bepalen van onze beeldcultuur. Niet alleen stellen zij de norm voor de letterlijke uiterlijkheden, de schilletjes, zij zetten ook de toon van wat wél en niet kan en hoe het leven geleefd dient te worden.
Het geeft geen pas daar neerbuigend op af te geven, want media zijn democratisch, en weerspiegelen de wereld die wij met elkaar vormen. Bevallen de beelden ons niet, dan moeten wij de wereld veranderen. Nu gaat het erom de beelden die dominant zijn niet het laatste woord te geven in onze ziel. De machten die zij kunnen vormen kunnen tot rust komen tijdens een eilandbezoek, waardoor het midden van ons leven weer leeg wordt.

De neiging om beelden na te jagen speelt in onze religieuze praktijk een grote rol . Zonder het zich bewust te zijn, vormen mensen zich beelden van God, om een adres te hebben voor hun boodschap, om hun beklag neer te leggen, om een gesprekspartner te hebben. Zelfs de meest vrij gevochten religieuzen laten weten een beeld nodig te hebben van God om hun religieuze gevoel ergens onderdak te geven . Daar is ook helemaal geen bezwaar tegen, we kunnen niets anders. We moeten echter wel waakzaam zijn wat betreft de macht van het beeld over ons. Vrijzinnigen hebben de naam kritisch te zijn tegenover religieuze overgave, tekenen daar verzet tegen aan. Dat verzet hoeft niet te worden gekoesterd, als de overgave maar niet plaats gaat vinden aan een beeld van God of het goddelijke. Want dan draait de verhouding tussen de religieuze en het beeld zich heel snel om: het wordt een knellende relatie waarin het beeld de werkelijkheid gaat dicteren en domineren. Een beeld van God dreigt voor het lege midden, voor Gods kwetsbare aanwezigheid te schuiven. En onze kwetsbare overgave dreigt uitlevering te worden aan iets dat als beeld bedoeld was, niet minder, maar ook niet meer.

Om zicht te krijgen op deze polarisatie kunnen wij te rade gaan bij Paul Tillich. In zijn beroemde boekje ‘The courage to be’ refereert Tillich aan de ervaring van overgave. Hij heeft het menselijk leven zelf geïnterpreteerd als een vraag. Mensen gaan op zoek naar een antwoord op deze vraag, die hun leven is. Op hun zoektocht kunnen ze overgave vinden aan het geheim dat achter het leven ligt. Luther is een van de voorbeelden die Tillich aanhaalt om zijn beeld van overgave te illustreren. Luther gaf zich tegen wil en dank over aan de ervaring van genade, een overgave pur sang. Dat noemt Tillich the courage to be, de moed om te zijn. Ze mogen daarbij het beeld van God loslaten, en vertrouwen op wat Tillich God beyond God noemt. Ik vertaal dit als de stille plek in ons bestaan die achter de beelden verborgen ligt. De religieuze viering als eiland hoort mensen uit te nodigen om deze overgave te oefenen, om de moed om te zijn op te brengen.

Eenlingschap als bestemming
Een religieuze ervaring als ware het een te betreden eiland, draagt de belofte in zich van een positief gewaardeerd eenlingschap. Ik doel op een individualiteit die niet uitgespeeld wordt tegen de gemeenschap, maar daaraan een opbouwende bijdrage levert. Door de stappen van ontzag, ontlediging en tot rust komen van de machten, komt een individu tot de kern van zijn ziel. In deze kern is een eenlingschap in verbondenheid gelegen. Individualiteit betekent niet krampachtige autonomie of autarkie. Ook bedoel ik niet een zelfbeschikking die bevochten is op dogmatische instellingen uit het verleden. Van den Berk heeft in zijn boek “Op de bodem van de ziel” hieraan een hoofdstuk gewijd. Hij komt uit bij het werk van de filosoof Charles Taylor. Taylor maakte duidelijk dat het soevereine individu dat alles zelf bepaalt, een heersend ideaal is geworden in onze tijd. Het zelf is een ideaal geworden dat aan zichzelf genoeg heeft. Dat is onterecht omdat het zelf van nature dialogisch is. Van den Berk wijst er op dat mensen niet zozeer te veel geïndividualiseerd zijn, maar eenzijdig. Ze zijn geen ongedeelde eenheid, zoals de term ‘individu’ juist betekent. In wezen zijn mensen te weinig individu. Om de begrippen helder te houden, kies ik de term eenlingschap om uit te drukken dat een mens meer ongedeeld individu, meer ongedeelde eenling zou mogen worden.
Eenlingschap betekent dat de ziel zich onderdeel weet van een verborgen werkelijkheid en daarom alleen, maar niet eenzaam is. De vrijheid van een ziel alleen kan worden geproefd, kan worden geënt, op dat geheime, lege midden dat wij God noemen. Het besef mag doordringen dat het eenlingschap niet alleen een lot maar ook een bestemming is, waar wij van harte en in verbondenheid met anderen in mogen staan. Het gaat om een op krachten komen van de ziel, waarbij bevrijding plaatsvindt. Een vrije ziel die rust in God is in staat om een ander daadwerkelijk waar te nemen zoals zij is, zonder te kijken door de gekleurde bril van de eigen worsteling met het leven.
Om een ander echt waar te kunnen nemen, om op een integere manier met de ander te kunnen omgaan, is een regelmatige omgang met zichzelf een voorwaarde. In het boek ‘De weg van je hoofd naar je hart’ komt dit een aantal malen duidelijk aan de orde. Het boek bestaat uit interviews met kloosterlingen. Zij spreken zich ook uit over de balans tussen hun eigen ‘eenlingschap’ en hun plaats in de gemeenschap. Terwijl de indruk van een kloosterleven kan zijn, dat alle eenlingschap wordt opgeofferd aan de gemeenschap, blijkt dat de kloosterlingen zelf de meditatie, de confrontatie met zichzelf, het zoeken van God, de natuur, nodig hebben om zich in het sociale verkeer met medekloosterlingen soepel te kunnen bewegen. Juist in zo’n hechte gemeenschap is een goed ontwikkeld eenlingschap, het kennen van zichzelf, de basis van het leven samen.
Een onderhouden eenlingschap kan zich in vrijheid, en dus gezond, verbinden met een ander en met een gemeenschap. Het is een verwaarloosd terrein in het alledaagse leven en kan gezocht worden op het eiland. De individualiteit als kenmerk van onze levensstijl veroorzaakt veel eenzaamheid, maar weinig duurzaam eenlingschap. De cultuur is gericht op het ontvluchten van het eenlingschap, terwijl het een voorwaarde is voor het leveren van een authentieke bijdrage aan een collectief. De bijbel staat vol van cruciale momenten in het leven waarbij mensen als eenling hun lot tot bestemming maken.
Hier zou wel eens sprake kunnen zijn van een cruciale vergissing in de christelijke traditie. Christendom heeft heel vaak vorm gekregen als de godsdienst die gericht is op het collectief. De gemeenschap is per definitie tot norm boven het individu verheven, waarbij vaak een beroep op bijbelteksten is gedaan om dit te rechtvaardigen. Een voorbeeld is de bekende Korinthetekst over vele gaven en een Geest . Hierin staat dat ieder mens een onderdeel mag zijn van een groot geheel, een gemeenschap, met inbreng van zijn eigen gaven en talenten. Deze tekst is vaak gelezen als een oproep om het eenlingschap op te heffen ten bate van het collectief. Toch is het de vraag of Paulus heeft bedoeld om dit zo tegen elkaar uit te spelen. Het kan ook zo worden gelezen dat de talenten van elk individu verschillen en dat de ene authentieke gave niet boven de andere kan worden gesteld. De een gelooft, de ander kan genezen, dat zijn allemaal vormen van goed ontwikkeld eenlingschap, die aan de gemeenschap iets bijdragen. Te vaak zijn mensen opgeroepen om hun eenlingschap uit te leveren aan de kerk, aan de gemeenschap, aan het grote ideaal en daarom afgeknapt.

De noodzaak om te danken
De ziel die aangrijpingspunten vindt om haar kern steeds weer te zoeken, zal de wereld waarin zij zich begeeft, anders gaan beschouwen. Het zelf is dialogisch, leerden we van Taylor, steeds in gesprek en niet geïsoleerd. Als we in dat krachtenveld geoefend raken, zal onze blik minder worden gekleurd door onvrede en gevoelens van onrecht. Een stevige bodem onder onze ziel, waar vanuit wij ook in ons diepste verdriet ons dankbaar kunnen voelen. Voor wie we zijn, voor dat we zijn, voor wie zich om ons heen bevinden. Het begrip dankbaarheid is natuurlijk besmet, met de associaties “Dankbaar moet je zijn, nederig en klein, al is het leven zuur en vol vernedering en pijn.” Op geen enkele manier pleit ik voor dat soort opgelegde dankbaarheid. Maar we kunnen ons oefenen om dwars door alles wat pijnlijk is en ons onrechtvaardig voorkomt, ook te zien wat ons om niet in de schoot valt.
Désanne van Brederode verwoordt het zo: “Als ik bid, is het nooit om te klagen of te vragen. Ik bid omdat dankbaarheid een adressant vooronderstelt. Als mijn zoon een mooie tekening voor me gemaakt heeft, bedank ik hem. Maar wie zou ik moeten bedanken voor mijn zoon? Mijn zoon, omdat hij zulke hoogintelligente genen heeft geleverd? Mezelf, omdat ik hem tot zo’n aardige jongen heb opgevoed? (…) Mijn verwondering is ook vreze: een diep ontzag vermengd met aan wanhoop grenzende angst. Ik zie mijn zoon als een onverklaarbaar geschenk, als een mens die altijd meer is dan wat ik, mede dankzij biologie en psychologie, over hem weet, die weliswaar in ontwikkeling is, maar waarin ik ook al iets zie dat ‘af’ is. Als ik hem zo zie, is het dan niet mijn plicht om ieder kind, ieder mens met deze ogen te bekijken? Anders gezegd: ik ben dankbaar voor mijn zoon, maar ook dankbaar voor mijn vermogen -of liever gave- tot dankbaarheid”. Juist de dankbaarheid voor een mens, kan ons de waarde van al die anderen doen beseffen, en draagt dus bij aan onze humane omgang met de ander.

Het perspectief dat ons wakker houdt
De archipel heeft vele functies. Ontzag leren, leeg worden, kompas stellen, de beeldcultuur relativeren, de machten leren kennen en op hun plaats zetten. Graag voeg ik er nog een aan toe. Christelijk geloof heeft zich altijd van haar beste kant laten zien als het gaat om het andere perspectief. In de taal van de bijbel is dat het koninkrijk Gods. In mijn eerste paragraaf maakte ik al duidelijk dat die term ons op een verkeerd been zet. Hij wordt bruikbaar als een aanduiding voor iets dat ook kan worden genoemd: een ander perspectief op de dingen. Zoals de sabbat ooit werd ingesteld om alle dagen van de week in een ander licht te zien en zoals Jezus de voeten van zijn leerlingen waste om aan te tonen dat elke meester ook dienaar hoort te zijn, oftewel dat elk systeem gerelativeerd wordt als de meerdere de voeten van de mindere wast. Als we dit tikje radicaliteit vergeten, wordt het vrijzinnig christendom een wel erg brave, correcte bedoening van netjes bezinnen, normen en waarden en keurige christelijke deugdelijkheid. Van de man uit Nazaret valt heel wat te zeggen, maar toch niet dat hij netjes en deugdelijk was. Dus dat moeten wij er dan ook niet van willen maken.

Maak van het lot geen god
Eeuwen lang zijn lot en God min of meer gelijkgesteld. Als een mens iets overkwam dan had de Heer dat voorzien, beschikt, gegeven of genomen. Langzamerhand wordt duidelijk hoe dit taalveld mensen heeft klein gehouden. Dat is door vrijzinnige theologen al vaker opgemerkt. Daarnaast heeft dit taalveld het woord God van haar betekenis beroofd. God is gemaakt tot de bestuurder van het Al en daarom verantwoordelijk gemaakt voor zaken waar mensen vaak debet aan waren. Of voor een natuurlijke gang der dingen. In de bijbel zijn aanwijzingen te vinden voor een God die over Israëls lot beschikt, maar minstens zo veel aanwijzingen voor een God die mensen zoekt op hun levensweg zonder voortdurend hun levensweg te dicteren. De vrijheid die aan mensen gegeven is verdraagt zich niet met een beeld van een God die uiteindelijk toch alle touwtjes aantrekt (of: aan alle touwtjes trekt). De procestheologie onder leiding van Whitehead heeft als enige deze lijn consequent doorgedacht. Het doet het geloof geen goed als er zo met God wordt omgegaan. Mensen zijn niet voor niets massaal afgekeerd van het instituut kerk.
Toch is dat te eenzijdig gesproken. Het lijkt mij tamelijk evident dat mensen zelf de bestierende God aan de macht houden, omdat zij niet anders willen of kunnen. Ook buiten de geïnstitutionaliseerde godsdienst om. Het is bij de menselijke natuur ingebakken om een oorzaak te zoeken voor het lot dat ons overkomt. Het wemelt daarom voortdurend van de verklaringen voor ons lot. Ook de meest areligieuze mensen zeggen vaak, ‘het heeft zo moeten zijn’, ‘ik kan er vast iets van leren’ of ‘het is allemaal een groot geheel’. Al heel snel valt dan de naam van God. Hoewel ik de aantrekkingskracht van deze gedachten goed kan invoelen, denk ik toch dat ze bedrieglijk zijn. Ze bieden een schijnzekerheid waar we ons bedrogen door kunnen voelen op het moment dat het leven vastloopt. Ik geloof in domme pech en doodzonde, in mazzel en geluksvogels. Gods naam kan pas klank krijgen als het geheim van het leven niet wordt dichtgetimmerd met theorieën of beelden, maar steeds opnieuw wordt gezocht. We kunnen God pas ontdekken als we erachter komen dat hij structureel afwezig is in ons leven. Dat is het goede nieuws van deze periode van ontkerkelijking, ook en juist voor kerken en geloofsgemeenschappen.
Zonder last of ruggespraak kunnen we graven in de traditie, ons een droom dromen. Daarbij ligt een schone taak te wachten op religieuze gemeenschappen van deze tijd, om eilanden te zijn waar mensen, leeg worden, stil worden, hun koers wijzigen, wakker worden geschud en kunnen schuilen. Zodat ze bijdragen aan de menswording van elk individu, zodat zij ongedeeld aan de humaniteit haar bijdrage kan leveren.

Esther Kopmels
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *