Woorden van wapens of woorden van genade?

Vroeger, toen ik nog jong was, zei mijn moeder weleens ‘schelden doet geen pijn’. Of, nog moeilijker, ‘je moet erboven staan’ – negeren, zouden we nu zeggen. Sindsdien vraag ik me af waarom het dan pijn doet als iemand harde woorden over me spreekt. Hoe kan ik die nou niet horen en waarom kan het me wel schelen? Het zijn toch maar woorden en geen mitrailleurs die aan me gericht worden?

Zelfs als je achter je rug om over de tong gaat – roddelen noemen we dat en roddelen heeft vaak iets smalends – gebeurt er iets onbetamelijks.

Woorden kunnen krachtige wapens zijn. Ze bezitten de macht beelden op te trekken. En beelden op hun beurt weer nestelen zich in je systeem alsof ze daar altijd gewoond hebben: probeer iemand maar eens in een ander licht te zien. Mensen kunnen een leven lang knokken tegen de beelden die zij van hun ouders hebben of tegen de beelden die ouders, leerkrachten en aanverwanten van hun zelf hebben. Verlossing is nog geen gemakkelijke zaak. En daarbij vaak pijnlijk. Immers, beelden zijn de diep verankerde emotionele richtingswijzers van ons bestaan, zij verslaan de tomtom met zijn ‘keer om bij de eerste beste mogelijkheid’. Onze innerlijke beelden zijn forten die van geen keren willen weten. Laat staan van afbraak. Gestolde beelden, ze zijn de humus van de meest schitterende romans.

In een vorig leven was ik gedurende enige tijd schooldirecteur. Ik herinner me nog als de dag van gister dat ik bij het middageten de deur van de teamkamer openzwaaide en middenin een verhit gesprek viel. Woorden buitelden over elkaar heen: ‘het zou nooit meer goed komen met Jantine’, ‘geen wonder met zulke ouders’, ‘wie kan er nog grenzen stellen vandaag de dag’, ‘nou?’ ‘nou?’. ‘Even stoom afblazen,’ riep iemand die me in het vizier kreeg. ‘We zijn nu toch onder ons.’ ‘Doe die deur dicht, anders horen ze ons.’

Deur deed ik dicht. Ietwat bedremmeld. En met een angstige vraag in mijn hart: hoe kan Jantine haar levensweg vervolgen als zij op deze manier gedwarsboomd wordt? Krijg ik de kleine meid ooit nog helder in het vizier zodat zij nog alle kanten uit kan? Of is zij gebrandmerkt en mijn blik nu vertroebeld door ‘het komt nooit meer goed’. En dan nog iets anders: welke normen regeren hier? Normen die zeker weten hoe het moet en die alles wat daar niet aan voldoet, verwerpen? De pas afsnijden?

Misschien is het toch niet voor niets dat velen, onder wie ik, zijn opgegroeid met het adagium en tegelijk een angst inboezemende waarschuwing: wat zullen de mensen er wel niet van denken? We zien het als tekenen van groei, volwassenheid en soevereiniteit als mensen zich niet laten overheersen door gedachten, verwachtingen en beelden van anderen. Iedereen die weleens tegenover een rechter heeft gezeten, en daar hoef je geen misdadiger voor te zijn, weet hoe bedreigend diens gedachten voor je bestaan kunnen zijn.

Zelf heb ik daar onlangs gezeten. En van een onafhankelijke moeder die naar eer en geweten en bovenal in liefde haar dochter naar de volwassenheid begeleidt, belandde ik in het beeld van een risicogroep: alleenstaande moeder. Dat ik hoogopgeleid ben, kon zo maar kantelen in een frame van hoogmoed. Zoals ik daar een verweerschrift van zeven kantjes indiende tegen de aanvraag tot onder toezichtstelling van de Raad van Kinderbescherming. Al was de rechter zondermeer vriendelijk en betamelijk, ik voelde me toch volledig overgeleverd aan hoe hij me in zijn blik ontving.

Die blik, die perceptie van die ander, ja, dat kan inderdaad verworden tot wat de Franse filosoof Jean Paul Sartre de hel noemde. Levensbedreigend. Het maakt dus, zeker in de rechtszaal, maar ook in andere domeinen van ons leven, wel degelijk uit wat anderen denken. Die gedachten voeden innerlijke, met gevoel en oordelen beladen beelden en bepalen onwillekeurig hoe we onze naaste bejegenen.

Tegenwoordig zeggen we met klem: dat is jouw perceptie. Zo ontvang jij die mens of gebeurtenis. Waarom zeggen we dat eigenlijk? Willen we ons reeds bij aanvang van een gesprek distantiëren van wat die ander bevindt opdat we bang zijn wat die perceptie dan wel interpretatie met ons doet? Behoort die perceptie, anders gezegd, ondeelbaar te zijn, volledig privaat, louter en alleen van mij (Wat mij overigens ook een hel, want isoleercel lijkt.)? Of heb ik niet juist iets in de aanbieding, een ander perspectief dat een ervaring of mens in een ander daglicht kan stellen?

Iets om met elkaar te delen en te overwegen. Ik blijf het wonderlijk vinden die dubbelheid waarin we leven: fanatiek beoefenen we de vrijheid van meningsuiting onderwijl elkaar terechtwijzend dat die mening zo particulier is dat je ‘m vooral op eigen rekening moet blijven schrijven. Mijn perspectief moet kennelijk ontoegankelijk blijven. Dat van jouw trouwens ook.

Is mijn perspectief, zienswijze, opvatting dan wel bevinding zo bedreigend? Zou die in staat zijn om die van anderen aan het wankelen te brengen, of vice versa, ben ik bang dat ik mezelf moet herzien? Of, ook een mogelijkheid, is het zo dat we deep down weten hoe woorden beelden scheppen en dat die beelden kunnen stollen, mensen kunnen opsluiten, isoleren, beschimpen, op afstand houden.

Ergens las ik dat er gevangenissen bestaan die beletten dat de opgesloten schuldigen hun dierbaren zien. De liefdevolle blik van de dierbaren zouden de gevangenen weleens in een genadevol licht kunnen stellen. De menselijkheid die dan verschijnt, zou zomaar eens de veilige, objectiverende afstand van de bewaker teniet kunnen doen. Deze gevangene is klaarblijkelijk meer dan de som van zijn daden, hij/zij heeft een geborgen heenkomen in de blik van zijn liefhebbende naaste en verschijnt als een beminde zoon/dochter.

Het is relatief gemakkelijk om je blik ondoordringbaar te maken, maar een liefdevolle blik kun je niet faken. Sterker nog, je eigen blik verraadt jezelf. Zo’n blik overkomt jezelf net zo goed als de blikvanger. Je kunt het werkelijk niet helpen dat je zo kijkt. Getuige ook het verhaal van koning Salomo die om een zwaard vroeg om de baby waar twee vrouwen in het gerechtshof om streden door midden te hakken. ‘Nee, nee,’ gilde een van de vrouwen, ‘geef dat kind aan haar, maar dood het alsjeblieft niet.’ Een onverbloemde hartenkreet van een moeder in weerwil van zichzelf.

Terug naar de kracht van woorden die een wapen, een schild of een genade kunnen zijn. Als zij zonder context, dus zonder verhaal, de wereld in gestrooid worden, kunnen ze meedogenloos zijn. Huizen van liefde vernietigend. Dat meisje Jantine op die school waar ik directeur was, had een vader en een moeder, een broer, opa en oma en ze beschikte over een grote fantasie waarin ze huizen bouwde als kastelen, maar waardoor ze wel elders was, ze had haar aandacht er niet altijd bij. Als een leerkracht, en leerkrachten hebben een niet te onderschatten rol in een kinderleven, dan zegt ‘dit wordt nooit wat’, dan worden de Jantines van deze wereld op voorhand al gewelddadig teruggebracht tot een label dat als een estafettestokje wordt doorgegeven aan welke vervolgopleiding dan ook. Ingesloten, geïsoleerd met alle gevolgen van dien. Ga dan maar eens anders kijken.

Toen ik tegenover de rechter zat, mijn dochter achter mij gezeten, voelde ik me breken onder zijn genadevolle blik gepaard met de woorden ‘ik heb alle vertrouwen in dit gezin’. De woorden zijn in mijn hart gebeiteld. Ik voelde ons recht gedaan.

Het woord van genade dat opkomt, doet innerlijk gebouwde forten sneuvelen — een heenkomen van geborgenheid scheppend. Iemand zei me ooit eens: ‘Je bestaat in de blik van de ander.’ Hij had het over die blik die jou ziet en jou welkom heet. Vandaar die van God gegeven woorden: Mijn oog is op u. Niet als een camera die genadeloos registreert dat je te hard rijdt, niet als de likes van de contextloosheid van Facebook, maar als een blik zo wijd dat je je door duizenden armen omarmd voelt.

Dit artikel van Karin Melis verscheen eerder in het blad Schoolbestuur.

Foto: John or Juan/Flickr.com

Karin Melis
Karin Melis (karinmelis.nl) is filosoof, docent, publicist en gesprekspartner. Ze is in de eerste plaats een toehoorder: pogend te delen wat ze ontvangen heeft en te horen wat anderen haar te zeggen hebben. Altijd verkennend, immer onderzoekend.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *