Wonderful things

Het luik schoof opzij en er opende zich een ruimte die zich uitstrekte over de hele bovenverdieping, gevuld met kisten, dozen, snuisterijen en talloze boekenplanken. Mijn opa deed een lampje aan en tilde, ergens in het muffe halfduister achterin, vier reusachtige boeken uit een kast. Het bleek het Gedenkboek van den Europeeschen oorlog, onder toezicht en met een voorwoord van W.A.T. de Meester, Luit. Gen., Oud-Commandant van het Veldleger, met medewerking van verschillende autoriteiten (A.W. Sijthoff’s Uitgevers Mij., Leiden). Enigszins in gedachten verzonken reikte hij ze aan mij, die wat bedeesd op de bovenste tree van de zondertrap was blijven staan. ‘Die zijn nu voortaan van jou.’ De wereld was nog jong en ik logeerde een zomers weekend bij mijn grootouders.

‘Yes, I can see wonderful things.’ – de beroemde zin die Howard Carter zou hebben uitgesproken bij een van de meest tot de verbeelding sprekende archeologische gebeurtenissen: de opening van het graf van Toetanchamon op 29 november 1922. Ik had mijn eigen schat gedolven. In de maanden daarna verslond ik de nauwelijks hanteerbare delen en bracht elke morgen verslag uit aan mijn vriend Peter van de Berg, als wij naar school liepen. Het gedenkboek van de luitenant-generaal bevatte een uitgebreid overzicht van de krijgsverrichtingen te land en ter zee, maar bleek daarnaast ook tal van krantenverslagen te bevatten, bijna van dag tot dag, gelardeerd met vele illustraties. Hoewel het woord gedenkboek anders doet vermoeden, waren de boeken al vanaf september 1914 verschenen; het laatste deel was van maart 1919.

‘De lang verwachte en zoo gevreesde oorlog is over Europa uitgebroken. (…) De veldmaarschalk Von Moltke heeft indertijd als zijne meening doen kennen: “De eeuwige vrede is een droom en niet eens een schoone droom”. Maar schijnt het ons geen benauwde droom, dat op dit oogenblik tal van millioenen menschen gereed staan voor een strijd op leven en dood, een strijd waarvan de gevolgen nog door niemand kunnen berekend worden?’ Deze openingszinnen zijn mijn Madeleinecakejes. Ik hoef ze maar te lezen en ik sta weer op de zolder van dat Bredase herenhuis, hoor de stem van mijn grootvader, ruik de geur van zijn aftershave en zie lichtjes door de straat gaan, omlijst door fluwelen gordijnen: het was avond en bedtijd, auto’s zochten zich een weg door de invallende duisternis. Het is allemaal lang geleden, maar dan toch alleen in jaren gemeten.

Later las ik Célines literaire evocatie van zijn helletocht over de Vlaamse slagvelden, waarin De Meesters ordelijke platen van La Grande Guerre wegzonken in een Danteske poel van verschrikkingen. Bij Céline geen stafkaarten of krantenarchieven, geen monumenten onder mos en duivenpoep op rustieke dorpspleintjes of de sleetse grandeur van nationale herdenkingen, en ook niet de zachte implosie van een vermolmde cultuur zoals bij Joseph Roth en Stefan Zweig, maar het uitzichtloze pogen van kleine mensen, dehumanisering en groezelige waanzin. Nog later volgden de studies van Paul Fussell, Modris Eksteins en anderen. Maar het was anders dan met het Gedenkboek, omdat ik zelf niet meer dezelfde was. Mijn referentiekader was gevormd door de vrijgevige Howard Carter in mijn familie en zijn boeken.

‘Waarom kun je niet tekenen wat je ziet?!’, zo luidt de onsterfelijke uitroep van de docent tot de student die voor de eerste keer in zijn leven door de microscoop kijkt naar een vreemdsoortige preparaat dat hij verzocht is te tekenen. De docent is vergeten, en de student zal spoedig vergeten, dat wat hij ziet geen informatie bevat, totdat hij enige voorkennis bezit van wat hij geacht wordt waar te nemen. Dat is niet alleen de opheldering van een klassiek filosofisch misverstand, aangeduid als empiricisme (ofwel de inductiemythe). Het is ook een metafoor voor de startpositie van menige leerling wanneer geschiedenis ter sprake komt op school. Het is de vraag of instruering via canons hier soelaas biedt. Volgens Pascal komt al het leed van de mensen hieruit voort, dat zij niet rustig in hun kamer kunnen blijven. Maar hier lijkt mij eerder het tegenovergestelde aan de hand. Verlaat uw kamer. Ga eens snuffelen op de zolder van eerdere generaties. 

(in: P. Dekker, V. Veldheer en R. van den Brink (red.), Lls kn krtr: 60 –columns. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, 2008)

Foto: Europeana/A.J. van der Wal

Joep de Hart
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *