Wie is hier realistisch?

Wanneer je het cultuurhistorisch beschouwt is ‘realisme’ heel wat anders dan we doorgaans denken. Tot laat in de Middeleeuwen was realisme zelfs het tegenovergestelde van wat we nu vinden dat het is. Onze grote historicus Johan Huizinga beschrijft het realisme als volgt: ‘Het realisme verklaart dat de universalia ante res zijn, dat wil zeggen dat het aan de algemene begrippen wezen en pre-existentie toekent.’ De wijze van de werkelijkheid benaderen die hier pal tegenover staat wordt ‘nominalisme’ genoemd.

De universalia zijn post rem – anders gezegd, men kan pas tot algemene begrippen komen wanneer men eerst stuk voor stuk de concrete dingen in het oog heeft gevat. Dit laatste is wat wij nu een ‘realistische’ kijk noemen. We gaan er allemaal min of meer van uit dat deze visie ons van nature eigen is, spontaan voorhanden. Het Middeleeuwse realisme hebben wij verdoemd: vaag gezwets! Aangeleerde onzin! Jammer. Trouwens, mij wil het voorkomen dat we van nature even goed realisten (in de Middeleeuwse zin) zijn als nominalisten (anders gezegd realisten in de huidige zin van het woord). Ik maak het daaruit op dat ik me vaak een idee van bepaalde streken en landen maak die niet door hun concrete werkelijkheid worden bepaald, maar door de adjectieven die aan hun namen worden toegevoegd. En bij adjectieven zit je al in de buurt van algemene begrippen. Dus eerst de algemene begrippen (de universalia), dan de concrete werkelijkheid (de res), die er maar al te vaak mee contrasteert. Spannend contrast trouwens.

Nederland is ‘klein’, Nederland is ‘plat’
Ik woon nu al meer dan twintig jaar in Frankrijk, en beetje bij beetje ben ik Nederland met dezelfde ogen gaan zien als de Fransen (en dat hoewel ik er toch mijn jeugd heb doorgebracht). Nederland is een klein landje, Nederland is een plat land. Deze adjectieven ‘klein’ en ‘plat’ of te wel de algemene begrippen ‘kleinheid’ en ‘platheid’ toegepast op Nederland zijn in mijn voorstellingswereld een dusdanige rol gaan spelen dat ik Nederland kleiner ben gaan zien dan het land in werkelijkheid is, en ook platter. Vandaar telkens weer mijn lichte verbazing wanneer ik in Nederland ben te beseffen dat tussen Oost en West, tussen Noord en Zuid de afstanden nog aanzienlijk zijn.

Bij Arnhen ben je nog lang niet in Den Haag, op de snelweg tussen Emmerich en Arnhem zie je voor je – wat? ja waarachtig, een heuvelkam oprijzen! De Veluwe. Geen schrijver die beter dit soort gewaarwordingen beschrijft als Marcel Proust. In zijn A la recherche du temps perdu evoceert hij de reizen die hij in zijn jeugd maakte naar de kust van Normandië. Hij begint ermee uitvoerig te beschrijven hoe hij de plaatsen die hij zou bezoeken in zijn verbeelding voor zich zag – en deze verbeelding werd grotendeels door adjectieven gevoed.

Bladzijden lang kan hij uitweiden over wat bepaalde woorden die met stadjes, landstreken, bezienswaardige monumenten in verband werden gebracht bij hem opriepen, en dat nog voor hij er was geweest. En woorden hebben altijd iets algemeens; ze moeten algemeen verstaanbaar zijn, anders hebben ze geen zin. Dus eerst de algemene begrippen, dan de concrete werkelijkheid van de genoemde stadjes, landstreken, monumenten.

Om een lang verhaal kort te maken, realistisch (universalia ante res) zijn zij die ermee beginnen zich de dingen te verbeelden, door te mijmeren over de woorden waarmee deze dingen worden aangeduid – en wat zijn ze toch klein en plat, de mensen die zeggen dat ze ‘eerst willen zien’ voordat ze iets kunnen zeggen, en die vinden dat zij daarom zo realistisch zijn!

Johan Huizinga
 Nu ik toch aan het praten ben, wil ik het nog even over Johan Huizinga hebben. Hij is niet alleen onze grootste historicus (internationaal befaamd), hij is ook een van onze grootste woordkunstenaars. Niemand die mooier en rijker Nederlands schrijft dan hij. Waarom wordt hij nooit genoemd wanneer we het over onze Nederlandse literatuur hebben? Zijn we nog steeds zo zuil-vast dat we ons niet kunnen voorstellen dat iemand én historicus is én literair genie?

Een van mijn Franse lievelingsboeken is La cîté antique van Fustel de Coulanges. Het is een geschiedenisboek, toch komt het in alle handboeken over de Franse literatuur voor. Het wordt gezien als een voorbeeld van heldere en prachtig zuivere taal. De pensées van Pascal – het zijn geen gedichten, geen theaterstukken, geen romans, toch beschouwen de Fransen het als één van de hoogtepunten van hun literatuur. En dat geld ook voor de maximes van La Rochefoucauld, de caractères van La Bruyère, de contrat social van Rousseau, de geschiedeniswerken van Michelet enzovoorts. s’Lands wijs ’s lands eer – ja, maar soms kan het ene land van het andere leren.

Caspar Visser t Hooft
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *