Weemoed als toevluchtsoord

Prediker 7, 19a “ De woorden der wijzen moeten in stilte worden aangehoord.”

De schrijver J.M. Coetzee vertelt in een interview aan Wim Kayzer op het schiereiland van Kaap de Goede Hoop het volgende: “Ik vind het belangrijk dat je weet, zelfs als je er niet regelmatig heen gaat, dat een landschap als dit bestaat, waar je haast in religieuze zin in retraite kunt gaan, waar je de wijk kunt nemen uit de huidige realiteit naar een plaats die nagenoeg buiten de tijd staat. (…) De cultus van het toevluchtsoord. Een plek als Diaz Beach (Kaap de Goede Hoop) is geen permanent toevluchtsoord, dat kan het ook nooit worden, maar tenminste kun je hier een paar uur of een dag lang alleen zijn met jezelf, één dag sta je buiten de geschiedenis, ook al weet je dat je daar naar zult moeten terugkeren. Je bent en je blijft een historisch wezen.”

Het is een prachtige passage die ook het nodige te denken geeft. Er zijn plekken in ons leven waar we aan gehecht zijn, maar waar we zelden komen. Het is kennelijk genoeg dat ze er zijn. Een mooi inzicht, dat ook opgaat voor veel mensen die sterk gehecht zijn aan bijzondere plekken of plaatsen die hen voeden. Plaatsen om te koesteren en te ontzien. Het doet me denken aan een preek waarvan ik las dat Prof. A. van Ruler die had gehouden in de jaren vijftig, bij de aankomst van nieuwe studenten in Utrecht. Hij hield hen de sterfelijkheid van het leven voor. Dat wij van niets naar niets gaan. Het is het enige wat wij met zekerheid weten. Hij riep hen op vooral het studentenleven ten volle uit te buiten. Omdat wij moeten leven in het onbegrepen leven en leren door de onbegrijpelijke raadsels van het bestaan heen te gaan. Genietend en lijdend: al het goede van de aarde: eet het brood met vreugde, drink je wijn van ganser harte: geniet het leven met volle teugen met de vrouw of de man die je lief hebt. De hele bijbel door is dat wat ons wordt voorgehouden. Want dat is geloven: het leren uithouden in het bestaan dat wij niet kunnen begrijpen. Laten we spaarzaam zijn in het de wijk willen nemen naar een plaats die nagenoeg buiten de tijd staat. Laten we vooral leven en God in stilte ontzien.

Weemoed om de vergeten kerk
Over de kerk hoor je vaak zeggen dat die een aflopende zaak zou zijn. Kerkgebouwen worden gesloopt of verkocht, predikantsplaatsen opgeheven, en theologische boeken worden per kilo in de uitverkoop gedaan.    
Onze onvolprezen kerkelijke instituten sturen met de regelmaat van de klok brochures en rapporten de wereld in, waarin zeker mooie dingen staan, maar uiteindelijk hebben ze alle dezelfde meewarige boodschap. Er moet namelijk altijd zoveel van de kerken. De ene keer heet het een erezaak dat ieder zich inzet omdat de media zich zo voor de kerken zouden inspannen dat men daarbij niet mag achterblijven; een andere keer heet het dat het Woord handen en voeten moet krijgen, het volgende moment lezen wij dat wij ons verplichten tot het verbeteren van het gemeente-zijn.

De ironie van dergelijk devoot maar opgeblazen drukwerk is dat het zelf doet wat het de moderne cultuur verwijt: het legt een druk op mensen. Ook lezen we nog wel eens de opmerking dat men weg wil van het verlammende gevoel dat de kerk een aflopende zaak zou zijn. De indruk die bij zulk proza blijft hangen, is de gedachte dat God afwezig is in zowel de huidige kerkelijke situatie als in de seculiere cultuur. God is ergens in de toekomst, in een kerk waar het veel leuker en beter is.

De aanwezigheid van God wordt veelal beperkt tot het gepredikte Woord. Maar dat Woord heeft het eigenaardige verlangen om ‘vlees’, dus schepping te willen worden. God wordt niet belichaamd in mooie voornemens, -de altijd wijkende happiness ergens ver weg achter de horizon-, maar in de concrete ‘aflopende’ situatie van vandaag.
Dat is het verrassende van de christelijke kijk op de wereld: het haalt zich de huid open aan zijn eigen schepping: Christus loopt als vreemdeling op met een stelletje moedeloze Emmaüsgangers en gaat met hen aan tafel. Hij belichaamt het pijnlijke afscheid van het oude en vertrouwde. De weemoed om een gewenst verleden dat losgelaten moet worden, evenals de daarbij behorende toekomst waaraan men al gewend is geraakt nog voor deze zich heeft kunnen verwerkelijken. Maar kerken lijken naar de vleespotten van vroeger te verlangen, en men kijkt met een schuin en begerig oog naar de groeiende kerken in de Derde Wereld, die nog in een collectieve cultuur leven die hier voorgoed voorbij is.

God is niet in heimwee, niet in de weemoed van het gewenste verleden, noch in plannen voor de gewenste toekomst. Hij is hier en nu. Als we God vandaag niet herkennen, zullen we hem ook in de toekomst niet kunnen vinden. Een kerkelijk rapport dat zegt weg te willen uit de huidige moeilijke werkelijkheid, leidt nergens heen. Het riekt naar oplossingsgerichte managers die de slogan ‘onze filialen zijn elke zondag open’ boven hun bureau hebben hangen. Kerk zijn in onze tijd is geen probleem dat opgelost moet worden, maar een weg om te gaan.
En stel nou eens dat de kerk in Nederland een voorbije, een aflopende zaak is. So what? Wat misschien slecht is voor Unilever, Philips of de Hema is dat nog niet voor de kerk. Sterker nog: het evangelie zelf is een aflopende zaak. De oudste versie ervan eindigt met een mislukte messias, een leeg graf en verbijsterde volgelingen die teruggestuurd worden naar de werkelijkheid van het door de Romeinen bezette Galilea. Geloven heeft kennelijk iets met aflopende zaken. Gerrit Achterberg schrijft in het gedicht Deïsme over Christus, dat hij een ‘koopman in oud roest’ is – misschien niet goed bij zijn hoofd, maar wel heel goed bij zijn hart… Ik wil maar zeggen: God woont in de werkelijkheid, niet in vrome wensen. Christus wandelt tussen de moeizame vergaderingen, het afgestoten kerkgebouw en de verkochte pastorie.
De PKN stelt dat onze cultuur leeft in de illusie van de maakbaarheid van het eigen bestaan, maar verkondigt zelf de illusie van de maakbaarheid van de kerk. De realiteit wordt verlaten en daarmee God die bron van vreugde, creativiteit en verwondering is. Niet de situatie is verlammend; wij verlammen onszelf. Niet God is afwezig: wij geven zelf niet thuis.   
De Emmaüsangers verloren zich niet in goede voornemens, maar zetten zich aan hun mismoedige tafel waaraan de vreemdeling het brood brak bij wie zij hun eigen pijn in zijn handpalmen ontdekten. En hun wereld kantelde in licht. Die vreemdeling drijft een handeltje in aflopende zaken.

Weemoed in de golfslag van emoties
In misschien wel de mooiste briefwisseling van de afgelopen jaren – Publieke vijanden – schrijven Michel Houellebecq en Bernard-Henry Lévy openhartig aan elkaar over hoe zij in het leven van deze tijd staan. Ze hekelen de sentimenten van deze tijd die bepalend zijn voor gebrek aan vertrouwen, voor roddel en achterklap. De golfslag van onbekende maar onwelriekende emoties waar Geert Wilders even stuurloos als genadeloos in ons land zo wel bij vaart. Met in zijn vaandel de verlokkende weemoed naar een onbestaanbare werkelijkheid. Lévy citeert Spinoza en de bijbelse truc van de roeach: de geest die waait. De weemoed van passieve sentimenten kan altijd gekeerd worden. Wanneer we deze maar leren herkennen en er niet aan toegeven. Hij gebruikt het aansprekende beeld van de polder, of liever nog van het eiland: de mens als individu dat gevormd wordt in de stroom van de tijd. Nooit afgesneden van het gebeuren.
Lévy: Het is geen zaak van achteroverleunen maar van werk. Werk dat even lang duurt – dat is het wonderbaarlijke – als ons leven zelf.
Afscheid dus van de weemoed om het gewenste verleden dat de toekomst als een fraai gepolijste gladde steen in de spreekwoordelijke watten legt.
Geen toevluchtsoord in toekomst of verleden, maar staan in de vrijheid van het hier-en-nu.

 

Heine Siebrand is remonstrants predikant in de Geertekerk in Utrecht

Heine Siebrand
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *