Wazige spiegel

Volgens de Vlaamse filosoof Marc de Kesel is monotheïstische religie in essentie vooral religiekritiek, in die zin dat je nooit kunt zeggen hoe god is, omdat hij altijd boven je denkbaarheid uitstijgt (‘alleen God is god’). Die God van het monotheïsme is principieel onkenbaar, want kennen zou betekenen dat je hem in je macht hebt – je zou hem als het ware de wet kunnen voorschrijven. Vandaar zijn fundamentele kritiek op alle menselijk denken dat mythische autoriteit verleent aan (af)goden. Geen enkel godsbeeld is het ware.

Het verbod op het maken van ‘gesneden beelden’ betreft niet alleen godsbeelden, maar ‘…enige gestalte van wat boven in de hemel, beneden op de aarde, of in de wateren onder de aarde is’ (Exodus 20). Dat staat in de Wetten van Mozes, maar evengoed in de Koran. Deze winter lazen we in de krant dat orthodoxe Imams, na een zeldzame sneeuwval in Saudi-Arabië, vaders zelfs verboden om sneeuwpoppen te maken voor hun kinderen. Dat vinden we een beetje raar. Moet je het beeldverbod zo letterlijk nemen? Waar gaat het eigenlijk om?

Monotheïsme

Het geloof in één god die alles in de hand heeft is in de loop van het millennium voor Christus ontstaan als reactie op het geloof dat allerlei zaken die wij mensen niet kunnen beïnvloeden het werk zijn van ‘vakgoden’, specialisten op één gebied (denk aan het weer, vruchtbaarheid, het welzijn van onze stad, enz.). Dat ging niet in één ruk, maar met veel vallen en opstaan. Ook kwamen regelmatig mengvormen voor met weliswaar één oppergod maar toch ook mindere goden. Uiteindelijk heeft de ontwikkeling geresulteerd in het jodendom, het christendom en de islam zoals we die nu kennen.

In het oude pantheon hadden de goden vaak opvallend menselijke trekjes. Ze leefden er maar wat op los, onbedreigd door zoiets menselijks als sterfelijkheid. Dat laatste is een cruciaal punt: De diepste bron van religie zou weleens ons besef van eindigheid kunnen zijn. Volgens het verhaal over wat we ‘de zondeval’ zijn gaan noemen (Genesis 2 en 3) verspeelden we door het eten van de boom der kennis van goed en kwaad het (eeuwige) leven. Van onsterfelijkheid kunnen we alleen maar dromen. Goden vullen die droom in.

Het resultaat van deze ontwikkeling in ons denken was één allesomvattende en alvermogende god, ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’. Als je dat serieus neemt, kun je hem niet vangen in een definitie. Immers, zo’n definitie ontspruit aan de menselijke geest, die je daarmee boven god stelt. Dat resulteert in een paradox. Geen wonder dus dat de ‘God van Abraham, Izaäk en Jacob’ zichzelf tegenover Mozes in mensentaal omschrijft als ‘Ik ben die ik ben’ – filosofisch/juridisch geen sterke identificatie. Geen wonder ook dat profeten als Mozes en Elia in opperste trance ervaren dat je die god niet kunt zien. Kortom: De notie van een altijd ontoereikend godsbeeld is zo oud als het monotheïsme zelf.

God bestaat?

In het verlengde hiervan ligt de wat recalcitrante vraag of die god eigenlijk wel bestaat. In het licht van het bovenstaande is dat een onmogelijke vraag, per definitie niet te beantwoorden. De Griekse filosoof Plotinus legde de vinger al op deze zere plek. Daarom bedienen we ons in arren moede maar van de term ‘de Ene’ of ‘het Ene’. Daarmee schurkt het ons vertrouwde monotheïsme zich zelfs aan tegen het Hindoeïsme met het onpersoonlijke (en dus niet-aanspreekbare, onbereikbare) ‘Brahman’. Het unieke van de god van het monotheïsme is overigens nu juist dat hij zich wèl als persoon voordoet en aanspreekbaar blijft. Dat maakt Hem kwetsbaar, wat je bijvoorbeeld kunt illustreren met het prachtige verhaal van Abraham die met Hem blijkt te kunnen onderhandelen over de vernietiging van Sodom en Gomorra (Genesis 18).

Godsbeelden

Toch ontkom je er als mens niet aan, voorstellingen van god te maken. Letterlijke, fysieke beelden zoals een gouden kalf (Mozes) of een zachte bries (Elia), maar evengoed denk-beelden, zoals ‘God de Vader’, ‘de Almachtige’, ‘schepper van hemel en aarde’, of… (enzovoort). Per definitie weet je dat dergelijke beelden niet kunnen kloppen zoals onze ratio dat zo graag wil. Er valt domweg niets te kloppen. Geloven is altijd ‘geloven in een god die niet bestaat’, al is dat op zichzelf een lege, zinloze bewering. ‘Geloven’ en ‘bestaan’ zijn nu eenmaal begrippen uit verschillende denkwerelden. Dat theïsten en atheïsten elkaar daarover voortdurend op de huid zitten, komt doordat ze zich dat niet (willen) realiseren. De Franse filosoof Henri Bergson van begin vorige eeuw had voor dergelijke meningsverschillen een handig recept: Zoek de fout in de gemeenschappelijke vooronderstelling, en ontzenuw die. In dit geval: Beide gaan uit van een theïstisch godsbeeld. Ook de atheïst, tegen wil en dank. Anders valt er immers niets te verwerpen.

Illusie of intuïtie?

Dit alles overziende kun je twee kanten op: het hele idee ‘god’ verwerpen en religie afdoen als menselijke illusie of accepteren dat het rationele kenvermogen fundamenteel begrensd is. Ik kies voor het laatste, want ik voel me in beide denkwerelden wel thuis. De ratio geeft geen zicht buiten de grenzen van zijn eigen reikwijdte. Het perspectief van binnenuit kan niet verder blikken omdat een rationeel systeem dat alternatieve causale verbanden toelaat zichzelf zou ondergraven. Wat we menen te weten van ‘gene zijde’ zou berusten op illusies die ons eigen brein ons op de mouw speldt. Ik meen daarentegen dat op intuïtief niveau wel degelijk zinvolle communicatie mogelijk is over die grenzen heen, ook al kun je die niet verifiëren aan een rationele ‘werkelijkheid’. God, of religie in het algemeen, behoort tot die intuïtieve buitenwereld.

Terug naar Marc de Kesel: Alles wat wij zeggen over God is een menselijke manier-van-zeggen. Niet meer en niet minder. Niet meer – of het nu om een ouderlijke terechtwijzing gaat, een catechismus of een pauselijke encycliek, om een soenna of een talmoed. Iedere uitspraak moet zich onderhevig weten aan de kritiek van andere mogelijke perspectieven. Alleen God is god. Daar komen we niet dichterbij. Niet minder: We zoeken ons een weg in de wereld van goed en kwaad, we doen wat onze handen vinden om te doen en we willen zelf onze verantwoordelijkheid dragen. Onze motivatie is ons idealisme, ons richtsnoer onze hoop op beter. Is het erg om daarbij een godsbeeld te hebben? Nee dus, zolang je je maar realiseert dat het jouw beeld is, niet meer dan een wazig beeld in een spiegel (1 Korinthiërs 13).

Foto: genomen in de kapel Notre-Dame du Haut, Ronchamp (Le Corbusier)

Dit artikel is geschreven door Wim Wattel.

VrijZinnig
Dit artikel verscheen eerder in het blad VrijZinnig. VrijZinnig is het kwartaalblad van de Vereniging van Vrijzinnige Protestanten, een beweging voor eigentijds geloven.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *