Wandelen met God

Vroeger. Vroeger maakte God nog wel eens een wandelingetje, gewoon, in het suizen van een zachte avondkoelte. Gewoon, door Zijn tuin. Na een dag hard scheppen en/of scheiden mocht de Heer graag de zinnen eens even verzetten, een luchtje scheppen zogezegd. ‘Kijk toch, die boom van de kennis van het goed en kwaad staat er prachtig bij dit jaar! Dat wordt een goede oogst, wat ik je brom…’, mompelde Hij dan ongetwijfeld in Zijn goddelijke baard. Dat die boom van de kennis van goed en kwaad er goed bij stond, was ook de mens opgevallen die dag. Door Wieteke van der Molen.

Bezopen verhaal

Bovengenoemde wandeling was dan ook de laatste waar deze mens (stiekem, vanachter de bosjes) getuige van was. Enkele verzen Genesis later en de mens werd verdreven uit de tuin van God, om er nooit naartoe terug te keren. Een engel met een tweesnijdend vlammend zwaard verspert hem voorgoed de weg. Of God nog steeds ’s avonds in Zijn tuin wandelt om Zijn zinnen te verzetten of een
luchtje te scheppen – we weten het niet.

Bovenstaande slentering is tegenwoordig de enige in de bijbel, het is de enige plek waar God nog even de benen strekt. Logisch. Het godsbeeld is achterhaald natuurlijk. Wie denkt er nu nog aan God als een antropomorfe gestalte die zich verpoost in een tuin? We weten wel beter. God gebeurt, of is, of bestaat niet, of wel. In ieder geval lijkt Hij in niets op de mens. En dus is wandelen uit den boze. Zulks past een God niet. Dat wekt maar verwarring. Maar ja. Genesis 3 is zo’n beroemde scène, die laat je niet zomaar weg. Dat zou opvallen. Het is gelukkig een nogal bezopen verhaal, dus met een beetje mazzel begrijpt de goegemeente wel dat het niet letterlijk bedoeld is. Pratende slangen zeg. Stel je voor.

Lopen

Vroeger was dat anders. God wandelde gewoon. En niet alleen, nee, met Henoch. En Noach. Er staat niet hoe ver en hoe vaak of waar naartoe. De routes die ze namen,of waar ze over spraken. Want het praat altijd zo lekker ongedwongen, tijdens het lopen. Je loopt naast elkaar, je blik op de omgeving, op de weg. Je wilt niet struikelen natuurlijk, over een boomwortel of losliggende stoeptegel. Heel af en toe zwerft je blik naar het gezicht van je wandelmaatje. Je stemt de lengte van je passen op elkaar af. Zonder erover na te hoeven denken verval je in het ritme van de ander. Ongemerkt word je een twee-eenheid, een vierbenig bewegen. Vloeiend, moeiteloos. De beweging zelf verkleint de afstand tot de ander.

Het praat makkelijker, lopend. Alsof je woorden minder gewicht hebben, alsof je ziel zich makkelijker opent. Het luistert ook nauwer. En als je gevoelige zaken bespreekt, dan kun je uit pure verlegenheid je ogen strak op de weg houden, zonder dat je de indruk wekt de ander te ontwijken. ‘Kom, we gaan even een eindje om.’ Steeds als er iets schuurt of schaaft, als er iets besproken moet worden. Wandelen om je hoofd leeg te maken, om een ander te horen, om jezelf tegen te komen. Heerlijk. En nog gezond ook. Ik vind het een prettig idee, dat Henoch wandelde met God. En Noach ook, later.

De verbeelding is er uit

Maar zoals gezegd, dat was vroeger, in de tijd van de NBG-vertaling uit 1951. In de NBV wandelen Henoch en Noach niet langer. Zij ‘leven nu in nauwe verbondenheid’ met God. Correcte vertaling, dat. Uit vele andere tekstplaatsen kan inderdaad worden afgeleid dat ‘wandelen’ met God metaforisch gebruikt is. Het betekent zoiets als heel trouw zijn aan God, leven zoals God bedoeld had. Verbondenheid is wat dat betreft een prachtig woord. Heel gevoelvol. En modern. Alles draait tegenwoordig om verbinding. Keurig. God blijft veilig op afstand, Hij kan gebeuren of niet bestaan, wat de moderne mens ook maar verkiest. In geen geval strekt Hij de benen of loopt Hij blaren op. Netjes.

Maar de verbeelding is er uit. De nabijheid, de ontspanning is weg. ‘Nauwe verbondenheid’ is iets anders dan wandelen met God. Het is klinisch. Afgehecht. Het is correct, maar mist schwung. Het mist de mogelijkheid van losse schoenveters, van overvallen worden door een onverwachte regenbui. Het mist de begeerlijkheid van God zo nabij zijn dat je hem bij wijze van spreken aan zou kunnen raken, bijvoorbeeld om hem overeind te houden als Hij struikelt over zo’n vermaledijde boomwortel. Het mist de intimiteit van de gedachtewisselingen, het natuurlijk vervallen in hetzelfde ritme.

‘Leven in nauwe verbondenheid met God’– dat klinkt als een relatie waar door tenminste een van beide partijen bewust en hard aan gewerkt is. Maar wandelen met God, dat was iets om jaloers op te zijn. Niet voor niets claimt Abraham die nabijheid in Genesis 24:40. En ook Hizkia probeert zichzelf in dat straatje te praten als Hij doodziek ligt: ‘Maar heer, gedenk toch hoe ik altijd heb gewandeld voor Uw aangezicht…’ Een smeekgebed tot Een die Hij persoonlijk kent. Van dichtbij. Een God met wie je close bent. Zo close, dat je af en toe even een ommetje maakt. Even bijpraten. Even op adem komen.

Iemand om mee te wandelen

Zie, en dat had ik God nou zo graag gegund. Iemand om mee te wandelen, ook al is zo’n godsbeeld tegenwoordig niet langer salonfähig. Nabijheid. Vriendschap bijna. Ruimte om gewoon even God te zijn, niet meer, niet minder. Niet in die tuin misschien, maar ach, die avondkoelte suist ook weleens door andere delen van Gods schepping. En dan, een ommetje. Een mens die met Hem wandelt. Verder nergens om.

Misschien dat God dit allang aan zag komen en heeft Hij tijdig Zijn maatregelen getroffen. In Genesis 5:24 staat die ene obscure zin: ‘En Henoch wandelde met God en Hij was niet (meer), want God had hem genomen’. Een tekst die leidde tot eeuwenlange speculatie of Henoch nu zonder te sterven door God is opgenomen in de hemel. En alle moderne godsbeelden en uitstekende vertalingen ten spijt, in gedachte zie ik ze stiekem wandelen, die beiden tezamen, in het suizen van een zachte avondkoelte…

Illustratie: Feiko Wouda

Doopsgezind NL
Het maandblad van de Doopsgezinden in Nederland.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *