Waarom vredestheologie voor Doopsgezinden zo belangrijk is

De Remonstranten en Doopsgezinden vieren dit jaar dat ze al 400 jaar ‘verkering’ hebben. Daarom maakten ze onder andere een dubbelnummer van Doopsgezind NL en Adrem. In het remonstrantse gedeelte legt de doopgezinde hoogleraar Fernando Enns uit, wat doopsgezinden hebben met vredestheologie.

Fernando Enns – Doopsgezinden dragen geweldloos handelen in hun ‘confessionele genen’! In de loop van de 20ste eeuw zijn ze bekend geworden als één van de historische vredeskerken – naast de Quakers en de Church of the Brethren. Rondom de Eerste en Tweede Wereldoorlog werden hevig discussie gevoerd tussen voor- een tegenstanders van de dienstplicht. Sommigen zagen het zonder meer als hun plicht om hun regering met de wapenen te dienen (bij voorbeeld de doopsgezinden in Duitsland). Voor andere doopsgezinden was het juist een deel van hun identiteit om militaire dienst te weigeren.

In feite had geen van de verschillende groepen een echt uitgewerkte vredestheologie. En toch leefde er overal een bewustzijn, dat het afwijzen van de krijgsdienst al in de tijd van de Reformatie een kenmerk van de dopers was geworden. In één van de vroegste belijdenissen van deze traditie, de Schleitheimer Artikelen van 1527, komt dit duidelijk tot uitdrukking: in de zoektocht naar de oorspronkelijke ‘nieuwtestamentische’ kerk moest juist de veel te nauwe band met de staat gereorganiseerd worden. Deze reeds vervolgde kerk, voor wie het geweld aan hun eigen lichaam voelbaar werd,  restte slechts de ‘afzondering’, de radicale scheiding van de gemeenschap van ware gelovigen. Uiterlijke tekenen hiervoor werden nu de doop op belijdenis, het weigeren van de eed en zelfs ook het dienstweigeren. De zuivere kerk zou alleen nieuw gevormd kunnen worden uit hen, die bewust voor een leven in navolging van Jezus kozen.

In Noord Duitsland en in de Nederlanden erkende en preekte Menno Simons na de catastrofe van Münster (1535) dat het afwijzen van geweld een kenmerk van de ware kerk moest zijn. Het ‘recht doen’, met name zoals de Bergrede het beschreef, werd belangrijker dan alle geleerde theologie. Dit deel van de doperse beweging overleefde, alle anarchistische en gewelddadige delen werden vernietigd.

Pas in de 20ste eeuw zagen de doopsgezinden zich uitgedaagd uit de ethische oproep tot gehoorzaamheid tegenover het nieuwtestamentische gebod je vijand lief te hebben en van geweld af te zien, werkelijk een vredestheologie te ontwikkelen. De vraag, hoe men zich tegen het ergste kwaad, zoals het Duitse nationaalsocialisme of ook het Russische stalinisme moest opstellen, raakte de oecumene wereldwijd. Doopsgezinde theologen als John Howard Yoder ontwikkelden daarop geheel nieuwe theologische concepten. De eenvoudige opdracht voor een ethische grondstelling was mooi, maar in hoeverre behoorde geweldloosheid tot de wezenlijke kern van het christelijk geloven? Wanneer echter een God geloofd wordt, die in zijn zoon Jezus Christus zelf geweld aan het kruis op zich nam om het uitgerekend zo – zonder tegengeweld – ten slotte te overwinnen, dan wordt hier – in de kern van alle christelijke theologie – duidelijk, dat het afwijzen van geweld juist meer is dan een ethische houding. Als dit gebeuren aan het kruis uiteindelijk als het geschieden van verzoening kan worden opgevat, waarin God de verhouding tot de mensen uit genade rechtzet, zonder tegenprestatie, dan volgt hieruit ook de mogelijkheid, dat mensen met elkaar in verzoende verhoudingen leven – bevrijd van geweld.

Vanuit deze kerngedachte kunnen alle thema’s in de theologie werkelijk nieuw en anders ontwikkeld worden als een ‘vredestheologie’. Vooral de manier, waarop men kerk wil zijn: een navolgende gemeenschap van vrijwillige belijders, die ernaar streeft overeenkomstig de nieuwe werkelijkheid verzoening te leven midden in de maatschappij en ook in de politiek: in het actieve verzoeningswerk, inzet voor gerechtigheid, in geweldloze acties voor de (mensen)rechten van wie gediscrimineerd worden tot aan de zorg voor het behoud van de natuur. De vraag: hoe kunnen wij vredeskerk worden? – die niets anders betekent dan: hoe kunnen wij kerk van Jezus Christus worden? – blijft een sterke beweegreden tot gezamenlijk theologisch nadenken hoe tot spirituele vernieuwing te komen. Uit de aanvankelijke oproep om af te zien van geweld, die zelden onomstreden was, is een wijd verbreide, aanhoudende theologische reflectie gegroeid. Het ‘confessionele gen’ is een elementair deel van vele ‘cellen’ van deze vredeskerk geworden, tot ver buiten de eigen grenzen.

Fernando Enns is googleraar Vredestheologie op de leerstoel Doopsgezinde Vredestheologie en Ethiek bij de Faculteit der Godgeleerdheid van de VU.

Dit artikel komt uit het Adrem-gedeelte van het nummer, dat hier te downloaden is.

Claudia Pietryga
Claudia deed zowel een sociaal-agogische als journalistieke opleiding en is alweer bijna tien jaar freelance journalist. Ze schrijft het liefste over maatschappelijke onderwerpen en publiceerde onder meer stukken in de Flair, Hallo Jumbo, Spits, Het Parool, diverse blogs, lokale bladen en uiteenlopende (online) media voor met name ondernemers.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *