Waarom mijn vader naar de kerk gaat… …en ik niet

Pieter van Os – Toen ik las over de ontdekking van de evolutionair bioloog Dean Hamer, dacht ik dat het raadsel van mijn vaders geloof was opgelost. De Amerikaan Hamer beweerde, nu alweer een paar jaar geleden, dat hij het geloofsgen had ontdekt. Naam: VMAT2. Hetzelfde gen beschermt muizen tegen de ziekte van Parkinson.

De gedachte achter Hamers onderzoek was helder: niet iedereen is genetisch voorbeschikt voor geloof. Het gaat om talent. Net als voor ongeloof. Mijn gedachte was even simpel: mijn vader heeft dat talent. Vandaar dat hij bijna wekelijks naar de kerk gaat. Ik heb dat talent niet. We zijn ons brein, nietwaar? Ik stond niet alleen in mijn enthousiasme. Het boek dat Hamer over zijn ontdekking schreef, The God Gene (2004), werd een bestseller. Wetenschappers waren daarentegen minder enthousiast. Hamers bewijsvoering was te zwak om zijn bevindingen in een gerenommeerd vakblad te krijgen. 

Nurture
Ook mijn vader bleek de ontdekking maar matig interessant te vinden. ‘Wat geloof betreft’, zei hij, ‘ben ik meer geïnteresseerd in nurture dan in nature.’ Zijn eigen geloof voert hij terug op zijn kindertijd, toen zijn ouders hem iedere zondagochtend meenamen naar de Nederlands Hervormde Kerk. Na de dienst ging het gesprek over geloof thuis door, met ooms, tantes en dominees – urenlang, en af en toe onderbroken door het zingen van een psalm onder pianobegeleiding. Mijn vader: ‘Zoals je je van kerken vooral de wierooklucht herinnert, zo ruik ik nog steeds de sigarenrook van deze wekelijkse bijeenkomsten.’ Dit is een citaat uit een van de brieven die mijn vader me stuurde over zijn geloof, en misschien even belangrijk: over zijn kerkgang. Want mijn bewering dat hij, mijn vader Henk, beschikt over ‘een drang tot godsdienst’ zette hem wel degelijk aan het denken. Zozeer, dat hij me wilde uitleggen hoe het volgens hem echt zit. En dus hebben we elkaar bijna twee jaar lang brieven over geloofszaken gestuurd. Die brieven zijn een paar maanden geleden gebundeld onder de titel ‘Vader en zoon krijgen de geest’. De titel is geinig bedoeld, maar zeker niet accuraat: mijn vader had de geest al en ik wil hem maar niet echt krijgen. 

In zijn allereerste brief komt mijn vader overigens al tot de conclusie dat hij die drang tot godsdienst inderdaad heeft, al gelooft hij niet in een genetische predispositie. Daarvoor vindt hij de Bijbel, kerkelijke rituelen en iets wat hij ‘bijbelse cultuur’ noemt te belangrijk. Tegelijk is voor hem duidelijk dat bijbelverhalen grotendeels projecties zijn – net als ‘het geloof’. Henk: ‘Ik kan niet geloven in een God die ook zou bestaan als niemand meer in Hem zou geloven.’ Het mooie van het begrip ‘drang tot godsdienst’ is, meent hij, dat het wijst ‘op een godsdienst van mensen die Hem nu eenmaal willen dienen’. Het enige ‘Godsbewijs’ dat hem ooit heeft kunnen bekoren, is dat van de creatie. Het werd hem aangereikt door een priester in de VS, ene Jim Munroe, een vriend van hem. Als twintiger ging de man, belust op avontuur, vrijwillig vechten in Vietnam. In een vuurgevecht met de Vietcong belandde hij in een schuttersputje tussen de linies. De kogels vlogen hem van twee kanten om de oren. Hij leek ten dode opgeschreven. En toen dacht hij: ‘Of God bestaat of niet, dat kan mij niet schelen. Ik wíl dat hij bestaat.’ Als priester máákte hij Zijn bestaan. Dat is volgens mijn vader ‘de ware drang tot godsdienst’. Zij die deze drang niet voelen, laat mijn vader met rust: hij heeft geen neiging tot evangelisatie. Drang mag geen dwang worden. Hij leeft in een gelukkig huwelijk met een ongelovige: mijn moeder. 

Toch heeft de afwezigheid van evangelisatiedrang bij hem iets tegenstrijdigs, aangezien mijn vader ook vindt dat je niet in je eentje kunt geloven. Godsdienst is verbeelding, zeker, maar het moet volgens hem wel collectieve verbeelding zijn, anders telt die niet. Zijn drang tot godsdienst heeft ‘een kerkelijke bedding’ nodig. Want: ‘zelfkazende gelovigen bestaan niet.’ 

Vrijzinnigheid
Ik ga niet naar de kerk. Volgens de definitie van mijn vader zou ik dus niet kunnen beweren dat ik geloof. Mijn vraag: wat nu als ik dat wel zou willen? Als ik nu eens wel over dat geloofsgen beschik dat muizen beschermt tegen Parkinson? Dan ontbreekt het me aan scholing, aan opvoeding met de kerk, in een bijbelse cultuur. Zonder dat is het bijzonder onaantrekkelijk wekelijks naar een mis of dienst te gaan. Misschien heeft ChristenUnie politicus Roel Kuiper wel gelijk toen hij me in een gesprek over geloof en samenleving zei: ‘Vrijzinnigheid kent nooit een tweede generatie.’ 

Tegelijk is Kuipers orthodox protestantse vorm van geloven ongeschikt voor hen die buiten de kerk zijn opgegroeid. Of eigenlijk voor iedereen die ook maar enigszins van redeneren houdt. Want anders dan mijn vader, eist een orthodoxe protestant dat een ongelovige als ik bepaalde ongeloofwaardige verhalen voor waar aanneemt. Daar heb ik geen zin in. Maar mijn vader is allesbehalve orthodox. Volgens hem moet je elkaar niet met een mes op de keel vragen of je gelooft dat de slang in het paradijs echt heeft gesproken, of dat Jezus werkelijk is opgestaan – om maar iets te noemen. Mijn vader zal dan netjes antwoorden: ‘Ik neem aan van niet.’ De man is ook wetenschapper. Maar hij zal tegelijk ook zeggen: ‘Daar gaat het helemaal niet om.’ 

Waarheid
Waar het dan wel om gaat? Na de briefwisseling vind ik het antwoord op die vraag nog altijd moeilijk, maar een Amerikaanse film heeft me een eind op weg geholpen. In de sprookjesachtige Hollywoodproductie Big Fish van Tim Burton bezoekt een zoon zijn stervende vader. Zoon doet nog één poging van vader te horen hoe zijn leven écht was, zonder de overdrijving en de fantasie die de man doorgaans in zijn verhalen stopt. Want zoon kan niet tegen het eeuwige gefabuleer van zijn vader; als een heuse existentialist wil hij in de waarheid leven. Niet voor niets is hij journalist geworden. 

‘Ik wil nu eens de waarheid horen’, zegt de zoon. ‘Maar wie wil je dan dat ik ben?’, vraagt de vader vertwijfeld op zijn ziekbed. ‘Gewoon jezelf pa, gewoon jezelf’, zegt zoon, een tikje wanhopig. 

Maar vader volhardt in zijn levensverhaal, inclusief de meest ongeloofwaardige wendingen. Omdat de man bijna dood is, toont de zoon zich voor één keer bereid met een open geest te luisteren. En dan – juist daarom – neemt het verhaal een bijzondere wending. Van een film moet je de plot niet weggeven, maar het komt erop neer dat de zoon voor het eerst de betovering voelt én begrijpt van het ongeloofwaardige verhaal. En hij ziet dat zijn vader samenvalt met zijn verhalen. Hij ís die verhalen. Hij kan in die verhalen zelfs zijn dood overstijgen. 

De neiging de wereld mooier te maken dan deze is, heeft te maken met de drang tot godsdienst. Met de vader uit de film lijkt die van mij te vragen: wil je echt de waarheid en niets anders dan de waarheid weten? All of the facts, none of the flavour? De filmvader en mijn eigen vader willen dat in ieder geval niet. Nu moet ik nog zelf uitvinden hoeveel verbeelding ik wil toelaten in mijn leven.   

Pieter van Os (1971)
Journalist in dienst van NRC Handelsblad. Zijn vader, Henk van Os (1938) is universiteitshoogleraar Kunst en Samenleving aan de Universiteit van Amsterdam. 

‘Vader en zoon krijgen de geest. Brieven over de drang tot godsdienst’, 163 blz. 16,95 euro, uitgeverij Balans. ISBN 978 94 600 3404 6

Claudia Pietryga
Claudia deed zowel een sociaal-agogische als journalistieke opleiding en is alweer bijna tien jaar freelance journalist. Ze schrijft het liefste over maatschappelijke onderwerpen en publiceerde onder meer stukken in de Flair, Hallo Jumbo, Spits, Het Parool, diverse blogs, lokale bladen en uiteenlopende (online) media voor met name ondernemers.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *