Vrijplaatsen voor ervaring

Essay van Harm Knoop n.a.v. lezing van Heine Siebrand
 

Ik ben blij met het pleidooi van Heine Siebrand voor het belang van religieuze ervaring in zijn verhaal “Onvrijzinnig vrijzinnig” . Als het over religie en geloven gaat, dan altijd en in de eerste plaats over (religieuze) ervaring, is zijn stelling.

Mocht dit u als een open deur voorkomen, vergis u niet. In brede kerkelijke kring is ervaring nog steeds buitengewoon suspect.
Een willekeurig voorbeeld. Een docent Empirische Religiewetenschappen krijgt zonder blikken of blozen in een recent artikel over de plaats van de praktische theologie de volgende zin uit zijn pen: “Zonder geloof geen ervaren van God;” .
Ik kan niet anders dan concluderen dat hier angst voor ervaring achterzit. Angst dat echte (religieuze) ervaring wel eens de bijl aan de wortel van de geïnstitutionaliseerde inkadering van ervaring zou kunnen zijn. Wat blijft er over van ‘god’, ‘geloof’, ‘kerk’ als mensen zo maar op hun eigen houtje gaan zitten ervaren?!

Terecht hanteert Siebrand de focus op ervaring als centraal moment in religiositeit. Zonder de centrale plaats van de ervaring is de poging om (vrijzinnige) kerkelijkheid te openen naar een buitenwereld waar mensen op een andere dan een geijkte, kerkelijke manier omgaan met religie van meet af aan gedoemd te mislukken.

Paradigmawisseling.
Dat is ook meteen, in mijn lezing, de belangrijkste missie van het verhaal van Heine Siebrand: een paradigmawisseling binnen de kerken, waarin de vrijzinnigheid voorop zou kunnen en moeten lopen. Leerlingen worden apostelen, navolgers vooroplopers. Een nieuw paradigma dat de gefragmenteerde en op een achterhaald begrip van ‘gemeente’ gebaseerde vormen van kerk achter zich laat. Het perspectief is wonderschoon: één wereldwijde gemeente die op zich neemt wat ooit loslopende predikers bewoog: “met compassie werken aan het herstel van de menselijke natuur”. Eén wereldwijde gemeente, georganiseerd in locale of mentale “gemeenteplaatsen”. En voorbij aan de oude, politiek correcte maar achterhaalde territoriumverdeling tussen kerk en staat. Het “herstel van de menselijke natuur” vraagt om religieus commitment (of commitment van gelovigen) aan het publieke debat. In dat debat komen alle facetten van de menselijke natuur aan de orde en al die facetten vragen om de apostolaire inzet van “mens zijn voor de ander(en)”.

Is de vrijzinnigheid daartoe in staat? Even in het midden latend wat vrijzinnigheid precies is, volgens Siebrand alleen als die een oude en inmiddels nare karaktertrek opgeeft, namelijk het verzet tegen de (traditionele) hoofdstroom van de christelijke kerken. “Ik verzet me tegen het verzet”, zegt Siebrand met zoveel woorden. En vrijzinnigen dienen nu eens eindelijk de neiging om zich af te zetten op te geven. (Daarmee worden ze “onvrijzinnig vrijzinnig”, zoals Siebrand graag wil.) Sluit aan bij de sterke hang naar humanisme, is de oproep hier. Het humanisme waarin Siebrand een groeiende behoefte herkent aan mysterie en mystiek, minstens als reactie op secularisatie en verlichtingsdenken.
Een sympathiek pleidooi: “verzet tegen het verzet”. Durf een eigen (vrijzinnige) identiteit te vinden. Durf de ervaring, ook de ervaring van humanisten, in het midden te zetten.

Religieuze ervaring
In het betoog van Siebrand draait het om het belang van de religieuze ervaring. Die heeft in zijn ogen als belangrijk oriëntatiepunt het besef dat de mens deel is van het mysterie dat het bestaan is. Een nooit te verklaren mysterie, alleen al omdat we er deel van zijn en er niet naar kunnen kijken als naar een object. Het mysterie waar mensen deel van zijn bevindt zich buiten het vermogen tot kennen, laat staan tot verklaren.
Een pleidooi voor het belang van de ervaring in religie, waar ik blij mee ben.

Overigens herken ik maar amper de “gemengde gevoelens” waar religieuze ervaring op kan rekenen in vrijzinnige kring, zoals Siebrand beweert. Ook niet bij de aangehaalde Arne Jonges, van wie Siebrand zegt “dat hij religieuze ervaring helemaal afwijst.” Jonges maakt duidelijk dat we biografisch gezien god niet op het spoor komen door religieuze ervaring, maar doordat we (vooral als kind) deelgenoot worden van een godsdienstige praktijk. Het door Siebrand gewraakte “inleven” is bij Jonges niet een mager substituut voor ervaring, maar duidt op het ingeburgerd raken in een religieuze omgeving en rituelen, waar vooralsnog eigen religieuze ervaringen geen beslissende rol spelen .
Gemengde gevoelens ten opzichte van reigieuze ervaring in vrijzinnige kring? Integendeel, ik proef vooral een honger naar ervaring, naar een religiositeit die wortelt in authentieke, eigen ervaring. En een verlangen naar vrijheid van ervaring, ervaring die niet aan banden gelegd wordt door organisatie, laat staan door institutionalisering.

Is Siebrands verhaal ook een pleidooi voor het primaat van de ervaring in religie? In andere woorden: gaat ervaring bij hem vooraf aan geloven of aan een religieus kader? Precies de tegenovergestelde positie dus als in de boven geciteerde zin: “Zonder geloof is er geen ervaring van God”?
Die suggestie wordt minstens gewekt als Siebrand voluit de ervaring van het mysterie centraal stelt in religie en mystiek. En zelfs pleit voor de vrijheid van ervaring: “je moet de religieuze ervaring niet voor de voeten lopen.” In bijbelse taal heet dat ‘wachten’. Wachten op dat wat wij niet in de hand hebben, niet kunnen afdwingen, namelijk ervaring van het mysterie waar wij zelf deel van zijn.
Het ‘wachten’ is mooi uitgewerkt in de metafoor van het reizen , toegespitst op de wachtruimte (transitoruimte) op een vliegveld. Wie echt op reis wil gaan – “een nieuw gebied ingaan en verkennen”, de ondertitel van Siebrands verhaal – gaat een tussenruimte in waar alle bagage en ballast is afgelegd. Dat kan alleen als ik het aandurf op mijzelf teruggeworpen te worden. Met het betreden van de tussenruimte raak ik “innerlijk al betrokken op de vrijheid die lokt. Reizen draagt bij aan het vormen van een nieuwe identiteit.”
Zo ingrijpend kan echte religieuze ervaring zijn. Zo ingrijpend, dat ik erdoor van m’n sokken ga, iets zo fundamenteels -van mijzelf als mysterie- ontdek, dat ik een nieuw beeld van mijzelf, nieuwe identiteit vind. In die ervaring in de tussenruimte “heerst het zelf niet, het zelf beheerst de situatie of de ervaring niet, maar schuift naar achteren om plaats te maken voor een zuiverder vorm van ervaring.”

Maar als Siebrand uiteenzet wat hij onder religieuze ervaring verstaat, raakt die “zuiverder vorm van ervaring” op de achtergrond.
Religieuze ervaringen zijn ervaringen die “ertoe doen”, zegt hij. Helemaal mee eens. Op een warme zomerdag een glas koude, droge witte wijn, vind ik een fantastische ervaring. Maar of die ervaring er echt toe doet?
Vervolgens noemt Siebrand drie kenmerken van religieuze ervaring. “Innerlijk geraakt zijn” is de eerste. Nog steeds mee eens.
Maar dan: “.. een concreet pragmatisch aspect (religie, cultus, etc) en … transcendentie (Geest, God).” En, gaat hij verder: “Deze drie dienen alle in een zekere balans aanwezig te zijn. Als er één element ontbreekt is er in feite geen sprake van religieuze ervaring. Dit heeft te maken met het belang dat er zin wordt toegevoegd aan het eigen bestaan. Deze gevonden zin moet ergens een plek kunnen krijgen. Anders zou het vervluchtigen en niet bewaard blijven of binnen geen enkel kader inpasbaar zijn…er moet een zekere balans zijn tussen zin en beheersing.”

Nu raak ik het zicht op de centrale plaats die de ervaring in het verhaal van Siebrand net gekregen heeft weer helemaal kwijt. De focus is opeens verschoven. Niet meer ervaring die ertoe doet, maar “zin die aan het bestaan wordt toegevoegd”, is in het midden terecht gekomen.

Is zin/betekenis dan onbelangrijk?
Nee, niet onbelangrijk. Maar die zin komt op de tweede of zelfs derde plaats. Zin is de resultante van een poging om in taal te formuleren wat een religieuze ervaring mij gebracht heeft. Of eigenlijk nog indirecter: zin is de uitkomst van een poging tot formuleren van een abstracte(re) betekenis van de metaforen die de ervaring bij mij opgeroepen hebben. Als we aan het formuleren slaan is het een hele klus om uit de buurt van concepten te blijven. Concepten, die op hun beurt de neiging hebben geloofd te willen worden. De woorden worden al snel tot een set overtuigingen die m.i. mijlenver afstaan van religieuze ervaringen.

Eerst is er de ervaring, dan de niet-talige beelden die door de ervaring opgeroepen worden. Pas daarna, en niet eens noodzakelijk, gaan wij woorden zoeken die passen bij de beelden. En onze beelden weten dat er geen woorden zijn die de lading helemaal dekken. Daarmee zijn we weer bij het mysterie van het bestaan waar we zelf deel van zijn. Het mysterie dat onverklaarbaar is.

Joseph Campbell, de grote mytholoog, reageert verrassend op de vanzelfsprekendheid in de uitspraak van zijn gesprekspartner Bill Moyers dat wij, mensen, naar de betekenis van het leven zoeken, om het mysterie te begrijpen.
“Ik geloof niet”, zegt Campbell, “dat we die (betekenis) werkelijk zoeken. Ik geloof dat wat wij zoeken is een ervaring van levend zijn, zodat onze levenservaringen op het zuiver fysieke vlak weerklank vinden binnen ons eigen innerlijkst wezen en werkelijkheid, zodat we werkelijk de verrukking ervaren van levend zijn.”

Religie – fundamentele ervaringen
Van dezelfde Campbell heb ik begrepen hoe religie ontstaat. Mensen doen fundamentele ervaringen op. De grote ervaringen in het leven: vol verwondering en verbijstering (het mysterium tremendum et fascinans van Rudolf Otto). Ervaringen van geboorte en dood, liefde en haat, aarde en hemel, licht en donker, mannelijk en vrouwelijk. Die ervaringen zijn te groot om binnen in een mens te blijven. Ze breken uit, naar buiten. In de vorm van de beelden die de ervaringen oproepen. De beelden worden naar buiten uitvergroot in kaleidoscopische kleuren en vormen. Door naar buiten te komen worden de indrukken van die ervaringen ‘hanteerbaar’. Ik kan een stap achteruitdoen, naar de uitvergrootte beelden kijken en ze namen geven. Alle namen en woorden die zich aandienen kunnen raak zijn. Als ze maar enigszins de lading dekken van de (innerlijke) beelden. Zoals hoogste zijn, moeder, god, rots, bron van alle zijn, onbewogen beweger. De beelden die de indrukwekkende ervaringen oproepen rijgen zich aaneen tot mythen en riten. Zo ontstaat religie. Zo ontstaat ‘god’.

Campbell laat in zijn werk overtuigend zien hoe aan allerlei religies analoge mythen en motieven (en dezelfde fundamentele ervaringen!) ten grondslag liggen. Zoals de mythen die het ontstaan van de wereld uitbeelden (niet verklaren!) . Met frappante overeenkomsten en trouwens ook veelzeggende verschillen, zoals bijvoorbeeld de rol van de vrouw in het zondevalverhaal in Genesis.
Niet alleen mythen, ook belangrijke motieven in religies vertonen een opvallende gelijkenis. De held, de geïncarneerde godenzoon, maagdelijke geboorte, zijn dood en verrijzenis .

Pragmatisch en theologisch kader
Siebrand meent dat religieuze ervaring moet worden ingekaderd. Omdat de door de ervaring toegevoegde zin zonder kader vervluchtigt. Het religieuze karakter van de ervaring is niet met de ervaring gegeven, maar met de eraan voorafgaande overtuiging en cultus. “Er moet wel een pragmatisch kader zijn (religie, tekst, ritueel etc) van waaruit de ervaring verstaan kan worden als zijnde een religieuze ervaring. Van zichzelf is niets religieus. Daar gaat een bepaalde overtuiging of gerichtheid aan vooraf.”

De ervaring in het centrum moet nu kennelijk toch voor Siebrand wijken voor het eraan voorafgaande kader. Wat houdt hem tegen de ervaring te laten staan waar hij die eerder plaatste: in het midden?

Tjeu van den Berk beschrijft talloze religieuze ervaringen die hij, met een aan Rudolf Otto ontleend woord, ‘numineus’ noemt. Het zijn vooral ervaringen van kinderen. Zij worden nog niet gehinderd door een pragmatisch of theologisch kader. Precies kinderen blijken ingrijpende religieuze ervaringen te (kunnen) hebben waar juist geen overtuiging of kader aan voorafgaat. Volgens mij is er een causaal verband: vooral kinderen doen numineuze ervaringen op omdát ze nog niet ingekaderd zijn.
Zou daar de verbinding kunnen liggen met de veelvuldige verwijzing naar kinderen in de evangeliën en de oproep te worden als een kind? In het gnostische Thomas-evangelie vormt de verwijzing naar het kind en kinderen een belangrijke rode draad. Zoals in logion 4: “Jezus zei: Een oude van dagen zal niet aarzelen om een klein kind van zeven dagen oud te vragen naar de plaats van het leven, en hij zal leven.” Een kind van zeven dagen oud. Op de achtste dag worden Joodse jongetjes besneden en daarmee ingepakt en ingekaderd in de riten en de set overtuigingen (het pragmatische en theologische kader) van hun gemeenschap. Vóór de achtste dag zijn zij nog vrij, nog niet belast met welk kader ook. En zij weten (dan nog) de plaats van het leven.

Piet Winkelaar zet de kenmerken van religieuze ervaring helder op een rij . Het eerste en omvattende is a) eenheidservaring, een verbondenheid uiteindelijk met alles wat is, met het ‘al’; b) verlies van het ik-besef, het ver overschrijden van de grenzen van de eigen individualiteit; c) ervaring van intens en optimaal geluk; d) geen tijdbesef ; e) onverwachts en in een onbewaakt ogenblik. Ondanks allerlei, door religieuze tradities, voorgeschreven middelen, technieken en gebruiken om tot mystieke ervaring te komen is mystiek (en, voeg ik toe: religieuze ervaring) niet oproepbaar ; f) uniek, nieuw en niet vanzelfsprekend en g) religieuze ervaring draagt vruchten. Mystieke/religieuze ervaringen kunnen niet zonder gevolg blijven. Ze veranderen degene die de ervaring ondergaat tot in de vezels.

In die opsomming van karakteristieken van religieuze ervaring ontbreekt overtuiging (gerichtheid) die aan religieuze ervaring voorafgaat. En al helemaal als voorwaarde voor religieuze ervaring. Winkelaar baseert zich met name op ‘atheïstische’ mystieke ervaringen . Hij wil scherp in beeld krijgen hoe religieuze ervaringen eruit zien door te zoeken naar niet-door-godsdienst-ingekaderde ervaring. Een “zuiverder vorm van ervaring” , denk ik meteen. Winkelaars definiëring van religieuze ervaring vind ik veel overtuigender dan de drie kenmerken die Siebrand inbrengt, niet in de laatste plaats door de afwezigheid van een criterium als pragmatisch of theologisch kader bij de eerste.

Verzet tegen het verzet
Siebrand verzet zich tegen het verzet dat hij binnen de vrijzinnigheid meer dan incidenteel tegenkomt. Vrijzinnigen “worstelen met een oud verzet” tegen het christendom. Dat moeten ze maar eens loslaten, vindt Siebrand.
Ik herken die diepgewortelde neiging tot verzet binnen vrijzinnige kring en bij mijzelf. Het is o zo verleidelijk mijn/onze religieuze identiteit te zoeken in de confrontatie met de orthodoxie waar zoveel vrijzinnigen zich uit losgeworsteld hebben.

Verleidelijk, gemakkelijk en ook een beetje goedkoop, dat verzet tegen de orthodoxie. En we (ik!) hebben daarbij amper door dat we in het verzet ons thema’s laten opleggen door anderen, i.c. door de orthodoxie. Waar blijven onze eigen thema’s?
Bovendien, als anderen zich veilig en beschut weten binnen voorgegeven kaders (orthodox of anderszins), wat is daar mis mee? Zou echte religieuze ervaring niet krachtig genoeg zijn om door de kaders heen te breken? En door de angst die veel kaders overeind houdt? Als mensen eraan toe zijn. ‘In due time’. Laten we daar maar op wachten.

Een mooi (en seculier) voorbeeld van ervaring die door de angst heenbreekt vind ik in het lied van Stef Bos, ‘Nieuwe dag’:

Het is een nieuwe dag
De weg ligt open
Er is licht en lucht
Er is niet veel nodig
Er is niet veel nodig

Het is een oud verhaal
Het wordt opnieuw geschreven
Het is onbepaald
Voor wie zich durft te geven
Wie zich durft te geven

Het is een nieuw begin
Het is een open einde
Want dat wat was
Zal in wat komt verdwijnen
Het zal verdwijnen

Er is een oude angst
Die ons vast wil houden
Er is een voorgevoel
Het geeft geen vertrouwen
Het geeft geen vertrouwen

Er zijn lange nachten
Er zijn diepe dalen
Er zijn veel gedachten
Waarin je kunt verdwalen
Er gaat veel verloren
Voor wie blijft dromen
Maar wat vergaat ,vergaat
Voor wat zal komen

Het is een nieuwe begin
Het is een open einde
Want dat wat was
Zal in wat komt verdwijnen
Het moet verdwijnen

Er zijn nieuwe woorden
Nieuwe wegen
Nieuwe kleuren
Ander licht
Het is een nieuwe dag
En niets
Herhaalt zich
Niets herhaalt zich
Een nieuwe dag

Het is een nieuw begin
Het is een open einde
Want dat wat was
Zal in wat komt verdwijnen
Het zal verdwijnen

Dus geen verzet meer tegen de orthodoxie. Verzet heeft altijd de neiging zich tegen de kaders, concepten, overtuigingen van de ander te richten. Als het in de allereerste plaats over ervaringen gaat, hoeven we ons überhaupt niet meer te verzetten. Zeker als de keus voor het christendom, zoals bij Siebrand, niet principieel, maar praktisch is. Onze cultuur is nou eenmaal doordrongen van de christelijke godsdienst als “basismetafoor”. Het had voor hetzelfde geld de basismetafoor van een andere godsdienst kunnen zijn. En, al even pragmatisch: we hebben ook nog eens onze handen eraan vol om ons de complexiteit van die basismetafoor eigen te maken, aldus Siebrand. Hier denk ik aan de uitdrukking van Jonges: we hebben een leven lang nodig om “in te leven”, in te burgeren in één godsdienst.

Vrijplaatsen voor ervaring
Kunnen we nog een stap verder gaan? Een nog nieuwer gebied ingaan en verkennen? De keuze voor het christendom is niet alleen een praktische, maar m.i. ook een niet-noodzakelijke.
Als mijn stelling klopt dat niet de kaders religieuze ervaringen voortbrengen, maar omgekeerd, dat fundamentele ervaringen beelden oproepen die op hun beurt begrippen, concepten en kaders genereren, dan zouden we kunnen zoeken naar de beelden en ervaringen, zowel van onszelf als van anderen, die mogelijk verscholen liggen onder allerlei pragmatische en theologische kaders.

Misschien kan de vrijzinnigheid zich opheffen (in de dubbele betekenis van Karl Barths “Aufhebung”) en vrijplaatsen bieden voor ervaring. Vrijplaatsen voor wie de vrijheid hebben gesmaakt (of dat nu eens graag willen) om uit de eerste, eigen hand ervaringen op te doen en metaforen uit te proberen die ertoe doen. Misschien kan dat trouwens wel degelijk beginnen bij een glas koude witte wijn in de zomer. In fundamentele ervaringen draait het niet om het spectaculaire van de (uiterlijke) ervaring, maar om de innerlijke impact van de ervaring, de impressie in het innerlijk. Voor een buitenstaander vaak niet te zien en al helemaal niet te voorzien, maar degene die zo’n fundamentele ervaring opdoet kan er volledig van uit balans raken. En kan –zal- de klemmende oproep daarin horen, die niemand anders kan horen, om een nieuwe balans te vinden.

Fundamentele ervaringen
Ervaring van vriendschap bijvoorbeeld –een grote vriendschap waarin ik een acceptatie vind van mijzelf die groter is dan ik mijzelf kan geven en de uitspraak van David over Jonathan in gedachten brengt: “uw liefde was mij meer dan die der vrouwen” (II Samuel 1:26) -.
Ervaring van vertrouwen als ik door de angst voor vrijheid heenbreek.
Ervaring van vrijheid. De moeilijke vrijheid waarvan ik zelf heel lang de grootste tegenstander bleek te zijn.

Wellicht kunnen oude en seculiere metaforen in nieuwe mythen (in een broodnodige her-mythologisering) een betekenisvolle plaats krijgen.
Zoals het (paas-)ei. De schaal van het ei is nodig om het erin zich ontluikende leven te beschermen en in die bescherming zijn vorm te laten vinden. Als de tijd er rijp voor is -“in due time”- zal het kuiken de schaal van binnenuit openbreken. Als de schaal te dun is komt de vrijheid te vroeg, dat overleeft het kuiken niet. Als de schaal te dik is komt de vrijheid te laat. Overleeft het kuiken dat?
Maar het ergste van alles: als het kuiken vrijwillig in de schaal blijft. Met grote en aangeleerde overtuiging zegt: “het is veel beter om maar in het ei te blijven. Hier is het veilig en beschut. Waarom zou ik die veiligheid en geborgenheid opgeven? Wie zegt dat het echte leven buiten is? Iedereen heeft toch een begrenzing van zijn ruimte nodig!! Waar blijven we als we allemaal maar denken dat we alle ruimte hebben, en alle vrijheid!!”

Dat zie ik gebeuren in vrijplaatsen voor ervaring. Ervaringen delen op het niveau van echte, eigen, existentiële verhalen en de daaruit zich ontvouwende metaforen. En dan de verwantschap ontdekken met allerlei religieuze of niet-religieuze metaforen van anderen in andere tijden en andere culturen. En zo “de verrukking ervaren van levend zijn” (weer Joseph Campbell).
Zin ín het leven. Dat geeft zin aan het leven.

Vrijplaatsen voor ervaring. Waar mensen hún verhaal doen van hún ervaring van het mysterie dat het bestaan is. Waar mensen gestimuleerd worden de tussenruimte in zichzelf binnen te gaan en zo nodig begeleiding aangeboden krijgen in de tocht door de symbolische werkelijkheid van die tussenruimte, begeleiding naar de beleving van zichzelf als mysterie .

En kaders, organisatie en concepten? Die kunnen geen kwaad als ze hun plaats weten: dat ze (soms) kunnen helpen de ervaring te verbeelden. Als die kaders ons maar blijven toeroepen: “Ga niet af op tweedehands kennis, vertrouw niet het woord van anderen, maar wees een lamp voor jezelf.”

Voor het Vrijzinnig Debat op 23 mei over de toekomst van de vrijzinnigheid zijn de volgende essays verschenen.
– Heine Siebrand’s Onvrijzinnig Vrijzinnig
– Harm Knoop’s Vrijplaatsen van ervaring
– Esther Kopmels Zielsverlichting
Deze exemplaren zijn te bestellen via het landelijk bureau, bij Elsbeth Goettsch: bureau@vrijzinnigen.nl 038-4211333. De kosten bedragen per stuk € 2,50 incl. porto.

Harm Knoop
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *