Thuisblijverspreek – Rini Rikkert

Een preek voor mensen die niet naar de kerk gaan. Om allerlei redenen. Een Thuisblijverspreek. Onder deze veelzeggende titel, een vondst van Eric Corsius, plaatst Zinweb op zondagen uitgeschreven preken op Zinprofiel. Juweeltjes van teksten veelal, die de moeite waard zijn om eens goed voor te gaan zitten en nog lang over na te denken. Voedsel voor de ziel. Zinweb heeft een aantal vrijzinnige voorgangers bereid gevonden om hun preken aan te bieden voor plaatsing op onze website.
Deze zondag een preek van Rini Rikkert.

God 

Kaars aansteken – tekst:
‘Geloof is een te veelduidig woord geworden. Dat maakt het moeilijk om de oorspronkelijke kracht ervan boven water te krijgen. Vertrouwen is een beter woord, dat vraagt om meer. Martin Luther King zei het als volgt: ‘Als je vertrouwen hebt, hoef je niet de hele trap te zien om de eerste stap te zetten.’ (Uit ‘Catechismus van de compassie – uit de kunst’, (Christiane Berkvens–Stevelinck / Ad Alblas)

Verhaal voor de kinderen: Frans de vrolijke bosmier ( uit ‘Contact met God’ Rini Rikkert)
Frans viel op, in de mierenhoop. Met zijn uiterlijk had dat niets te maken, hij was klein en wat miezerig, zelfs voor een mier. Bijzonder was, dat hij altijd naar boven wilde, terwijl alle andere mieren gewoon naar beneden gingen. Boven viel niets te halen, beneden moest je zijn, daar was eten, daar was het te doen, daar was het goede leven. Mieren houden van werken, werken is hun leven. Frans zag minder heil in al dat gesleep en gedoe. Hij bleef maar roepen: er moet toch méér zijn dan dit. Het leven is toch niet alleen maar bedoeld om te werken tot ik er bij neerval! Laten we feesten! Laten we tochtjes gaan organiseren om de wereld te zien!  Laten we naar de top van onze berg klimmen, onze uiterste grenzen verkennen! De mieren lachten: ‘die gekke Frans toch’ en gingen verder met hun werk. Op een goede dag kondigde hij aan dat hij op ontdekkingsreis zou gaan. Wilde er nog iemand mee? Niemand wilde. De raad van oudsten, twaalf statige stijve bosmieren, kwam in spoedberaad bijeen en zij spraken hun bezorgdheid uit.  ‘Frans, weet je wel hoe boos de buitenwereld is’  vroegen zij. Frans wist er alles van. Hij was al eens bijna geplet, toen hij zich ver van de hoop gewaagd had. Grote zwarte zolen waren hem rakelings gepasseerd, het had geen haartje gescheeld of dit ‘wezen’ had van de vrolijke Frans een dode Frans gemaakt. Maar was dat een reden om voortaan thuis te blijven?  Dat nooit! Angst is iets om te overwinnen, niet om voor te buigen!
Zo vertrok Frans vrolijk fluitend naar de top van zijn berg, een plek waar ooit zijn voorouders begonnen waren, een geheimzinnige plek, alleen bekend van verhalen en sprookjes. Het werd geen gemakkelijke reis. De gangen waren soms nauwelijks begaanbaar, soms was er weer een toegang versperd door een instorting en moest hij mijlen omlopen, soms verdwaalde hij jammerlijk en kwam weer op een zelfde punt uit waar hij een uur geleden ook al langs was gekomen. Maar Frans gaf het niet op. Een enkele keer kwam hij een eenzame mier tegen die hem verder hielp met wat eten of een plattegrondje. Frans bedankte ze en klom verder. Zijn doel was de top.
Toen hij zijn doel eindelijk bereikte duurde het even voor het tot hem doordrong. Het was geleidelijk lichter geworden en de wirwar van takjes en aarde onder zijn voeten zag er nog precies zo uit als eerst. Het verschil zat hem in de lucht boven hem en mieren zijn niet gewend om naar boven te kijken. Frans moest zo ongeveer op zijn rug gaan liggen, maar toen zag hij het meest prachtige blauw dat hij ooit gezien had. Dit was het, dit moest de hemel zijn. Zoiets groots en oneindigs, Frans voelde hoe het blauw hem raakte, hoe hij het blauw van de hemel wérd. Een mierenervaring die met niets viel te vergelijken.
Het duurde even voor de zware geluiden tot hem doordrongen. Met een schok stond Frans weer met al zijn poten op de grond. Dit geluid kende hij! De zwarte zolen! Er kwam een WEZEN aan! Stijf van angst zat Frans daar, boven op zijn mierenhoop. Maar er gebeurde niets. Het werd stil. Frans deed één oog voorzichtig open, en toen nog één. Van verbazing sperde hij ze steeds verder open. Hij zag geen zwarte zolen, hij zag een enorm lichaam, een paar benen, een lijf, armen.. en zat daar nog meer bovenop? Het beeld werd te vaag, de afstand was te groot. Was dit een WEZEN? Die had hij zich heel anders voorgesteld! Dit zag er helemaal niet uit als een giga-mier! Zijn hoofd duizelde. Voorzichtig draaide hij zich om en ging terug, de mierenhoop binnen. Terug naar zijn familie, naar zijn vriendinnetje Clara, die waarschijnlijk de enige zou zijn die hem zou geloven. Hij was in de hemel geweest én hij had het Wezen gezien. Frans was gelukkig.
 
We zitten momenteel midden in de 40-dagentijd, de tijd van bezinning vóór Pasen. Het leek me daarom goed om in deze dienst de bezinning toe te spitsen op iets dat eigenlijk maar zelden als onderwerp aan de orde komt: dat is God zelf. Nu haast ik mij natuurlijk meteen om te zeggen dat ik niet de pretentie heb om u daar de waarheid eens over te gaan onthullen, maar wat ik wel kan doen, is zeggen hoe ik in de loop der jaren geleerd heb daar tegenaan te kijken, en u uit te nodigen daar eens over na te denken en misschien uw eigen oordeel te vormen. Ik begin met twee lezingen die twee benaderingen laten zien: de eerste is uit de bijbel, en vertelt het ervaringsverhaal van Elia. De tweede is een meer wijsgerig-theologische benadering van ene Dionysius, een beroemde theoloog uit de vijfde eeuw, die minstens duizend jaar lang toonaangevend geweest in de Christelijke traditie. Laten we beginnen met Elia.

Schriftlezing: 1 Koningen 14
Elia werd bang en vluchtte om zijn leven te redden. Bij Berseba in Juda aangekomen liet hij zijn knecht achter en zelf trok hij één dagreis ver de woestijn in. Daar ging hij onder een bremstruik zitten, verlangend naar de dood, en zei: ‘Het is genoeg geweest, God. Neem mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn voorouders.’ Hij viel onder de bremstruik in slaap, maar er kwam een engel, die hem aanraakte en zei: ‘Word wakker en eet wat.’ Elia keek op en ontdekte naast zijn hoofd een brood, in gloeiende kooltjes gebakken, en een kruik water. Nadat hij had gegeten en gedronken ging hij weer onder de struik liggen. Maar de engel van de Eeuwige kwam terug, raakte hem opnieuw aan en zei: ‘Sta op en eet wat, anders is de reis te zwaar voor je.’ Elia stond op, en toen hij had gegeten en gedronken liep hij, gesterkt door dit voedsel, veertig dagen en veertig nachten door de woestijn, tot hij bij de Horeb kwam, de berg van God. Daar ging hij een grot binnen om er de nacht door te brengen.
Toen richtte de Eeuwige zich tot hem met de woorden: ‘Elia, wat doe je hier?’ Elia antwoordde: ‘Ik heb me met volle overgave ingezet voor de Eeuwige, de God van de hemelse machten, maar de Israëlieten hebben uw verbond met hen naast zich neergelegd, uw altaren verwoest en uw profeten gedood. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.’ ‘Kom naar buiten,’ zei God, ‘en treed hier op de berg voor mij aan.’ En daar kwam de Eeuwige voorbij. Er ging een grote, krachtige windvlaag voor God uit, die de bergen spleet en de rotsen aan stukken sloeg, maar de Eeuwige bevond zich niet in die windvlaag. Na de windvlaag kwam er een aardbeving, maar de Eeuwige bevond zich niet in die aardbeving. Na de aardbeving was er vuur, maar de Eeuwige bevond zich niet in dat vuur. Na het vuur klonk het gefluister van een zachte bries. Toen Elia dat hoorde, sloeg hij zijn mantel voor zijn gezicht. Hij kwam naar buiten en ging in de opening van de grot staan, en daar klonk een stem die tot hem sprak: ‘Elia, wat doe je hier?’  Elia antwoordde…

Een mooi commentaar vond ik in het boekje ‘catechismus van de compassie – uit de kunst’, door Ad Alblas:

‘Elke cultuurperiode en levensfase heeft bepaalde stereotype godsvoorstellingen. Wie dat niet opmerkt of ontkent, houdt het verdampen van die beelden voor het verdwijnen van God.
De oude vertrouwde ervaringen uit de traditie kunnen hun zeggingskracht verliezen, eigen ondervindingen krachteloos worden. Maar de leegte die zo ontstaat is een welkome ruimte voor nieuwe ervaringen. Dat is precies wat Elia meemaakt. Als hij bij de grot is, volgen natuurverschijnselen, storm, windvlaag, aardbeving en vuur, elkaar in een onmogelijk tempo op, alsof Elia in de tijd terug geslingerd wordt. Elia beleeft zowel de afwezigheid als de aanwezigheid van God. Maar woorden schieten te kort om zijn beleving uit te drukken. Chaotische natuurverschijnselen nemen het over. En dan volgt de fluistering van een zachte stilte. Dát is het moment waarom Elia zich realiseert dat God de chaos te boven gaat, dat God in de stilte woont.’

Tweede lezing:
Van oudtestamentische tijden naar de vroege middeleeuwen: de schrijver die later genoemd werd ‘pseudo-Dionysius’, en leefde in de vijfde eeuw, maar bekend stond als de man die in het Bijbelboek Handelingen al genoemd wordt ‘Dionysius de Areopagiet’. Je beroepen op een oude naam werd in die tijd vaker gedaan: ook in de bijbel gebeurde dat al, denk maar aan de psalmen van David, die duidelijk niet allemaal door David geschreven zijn. Het was Erasmus die pas rond 1500 openlijk begon te twijfelen aan de herkomst van de tot dan toe beroemde en toonaangevende boeken van deze pseudo-Dionysius.
Hij schreef bijvoorbeeld een theologisch boek over de absolute transcendentie van God. Over dit onvoorstelbare ‘Het’ zegt hij:

‘Het is niet één, noch is Het eenheid,
noch is Het Godheid, of Goedheid,
noch is Het een Geest, zoals wij die term begrijpen,
aangezien Het geen Zoonschap of Vaderschap is,
noch is Het enig ander ding waar wij of iemand anders kennis van kunnen hebben;
noch behoort Het tot een categorie van niet-bestaan of die van bestaan…’
Zo gaat hij door en zegt dan ook, dat ‘Het’ duisternis is noch licht.

Hij eindigt met het paradoxale beeld: God is
‘de verblindende Duisternis
die alle glans overschaduwt
met de intensiteit van haar donkerte.
Alleen wanneer wij al het begrippelijke en zintuiglijke achter ons laten,
kunnen wij tot God naderen en ons daarmee verenigen.’

Zijn meest bekende boek was wel het boek over de hemelse hiërarchieën. Dit gedachtegoed is voor een belangrijk deel ook door de Oosters orthodoxe kerk overgenomen. De hele kosmos is in wonderbare harmonie volgens drie trappen met ieder drie treden gevormd; naar het oerbeeld van de drieënige oerschoonheid van God.
Het Goddelijke, de hiërarchieën , zoals Dionysius dat noemt, zijn
een heilige trapsgewijze ordening, kennis en activiteit met negen treden.
De wezens op deze treden willen zoveel mogelijk tot gelijkheid met God komen.
Iedere hiërarchie schouwt naar de goddelijke schoonheid,
geeft deze zoveel mogelijk weer
en wordt zo tot een goddelijk beeld en tot een heldere spiegel.
De ‘spiegels’ nemen de stralen van de oerbron van het licht op
(en die oerbron is die ‘verblindende duisternis’, het hart van God)
en laten deze weer op de volgende orde van een hiërarchie schijnen.

De centrale gedachte van Dionysius is, dat God licht is.
Aan dit oorspronkelijke ongeschapen licht heeft elk schepsel deel.
Elk schepsel ontvangt de Goddelijke verlichting en geeft deze naar vermogen door.
Het universum vormt dus als het ware een trapsgewijze waterval van licht.
De hele kosmos deelt in dit licht, zowel de gedachtewereld als de stoffelijke wereld.
Binnen iedere hiërarchie vindt een passieve en een actieve reiniging,
verlichting en vervolmaking plaats.
De verschillende rangen binnen een hiërarchie
delen hun reinheid, licht en vervolmaking aan een andere rang mee.
Doen dus alle als middelaar dienst, in opwaartse en afdalende richting.
Naar beneden neemt kracht en schittering af.
De aarde en de mensen staan als het ware helemaal onderaan de trap.
Christus is voor Dionysius de grote inspirator van dit alles.
De latere grote reformatoren vonden die rol van Christus in dit geheel veel te mager, zij wilden dat alle aandacht en alle eer uitsluitend op hem gericht mocht worden. Dat betekende het min of meer wegzakken in de vergetelheid van deze leer.

Preek:
Het is eigenlijk gek, hoe vaak we dat woord ‘God’ gebruiken, zonder goed van elkaar te weten wat we ons daar nu eigenlijk bij voorstellen. We bidden tót God, we lezen in de bijbel óver God, of in ieder geval over de ervaringen van mensen met God, en we benoemen eigenschappen van God, zoals kracht, licht, trouw, waarheid, gerechtigheid, liefde… Maar dan houdt het ook al gauw op. De rest is mysterie. Of, zoals Dionysius dat zo mooi zegt ‘verblindende duisternis’.  Toch geven we onze pogingen om meer over God te weten te komen niet op. Dat zit nou eenmaal in de nieuwsgierige menselijke aard. Ik weet dat ik mijn kinderen of mijn geliefde ook nooit helemaal zal kennen of begrijpen, maar dat weerhoudt me er niet van om het altijd te blijven proberen, en dan geeft het veel voldoening als je merkt dat zo’n relatie daardoor ook groeit.

Maar dan heb ik het al over relaties, en daar past ook alweer een bepaald beeld van God bij, een beeld dat niet iedereen met mij zal delen. Ik las zojuist twee verhalen, een ervaringsverhaal van Elia en een theologisch verhaal van Dionysius. Geloof in God is niet begonnen met de bijbel, maar begonnen met ervaringen van mensen met het hogere, over de hele wereld, door alle eeuwen. Er zijn genoeg mensen die dat anders zouden formuleren, die zeggen: over de hele wereld, door alle eeuwen, zijn er mensen geweest die behoefte hadden aan een hogere macht, of een verpersoonlijking van hun idealen en verlangens, en daarvoor een God (platweg gezegd) verzonnen.
Daar zit natuurlijk een kern van waarheid in. We hebben geweldig veel over God verzonnen, en niemand kent de uiteindelijke waarheid. Daarbij komt, dat ieder mens in zijn of haar leven die ooit een beroep deed op God, vaak in wanhoop, daarin wel eens diep teleurgesteld is, of zich enorm in de steek gelaten heeft gevoeld. Ook dát zijn ervaringen die we serieus moeten nemen. Die vragen rond het lijden van mensen, of de vraag naar het kwaad in de wereld – je kunt er theorieën op loslaten, ze proberen weg te verklaren, maar die vragen zullen altijd recht overeind blijven staan. In deze opzichten begrijp ik niets van God, en ik weet niet eens zeker of ik het wel wíl begrijpen.   Ik kan alleen maar zeggen, dat het voor mij niet betekent, dat er niet tóch zoiets als een Goddelijke ‘werkelijkheid’ bestaat. Omdat ik ook andere ervaringen heb, en met mij talloze anderen. Hoe ik zo zeker weet dat die niet zelfverzonnen zijn? Omdat een ontmoeting met het Goddelijke een ommekeer teweeg brengt, van het ene moment op het andere. Zo ben je nog heel verdrietig, of wanhopig, en het volgende moment ben je diep gelukkig. En dat kan je onmogelijk alleen, daar heb je iemand bij nodig. Niemand kan zichzelf aan zijn eigen haren uit het moeras trekken. Op de baron van Munchhausen na dan, maar dat is wèl een echt sprookje. Misschien vindt u dit een argument van niks, maar ík vind het tamelijk overtuigend!

Genoeg over de ervaring. Laten we eens kijken naar de theologische kant. Wie of wat is God? God is, naar mijn idee, een containerbegrip, een verzamelwoord waar van alles onder valt. Vergelijk het met andere zogenaamde containerbegrippen, zoals ‘de kerk’ of ‘de staat’. Wie praat over ‘de staat’ weet wel dat daarachter allerlei onderdelen schuil gaan, van de belastingen tot de koningin, tot de regering, noem maar op. We horen allemaal bij die ‘staat’. En als we het hebben over ‘vadertje staat’ begrijpt iedereen dat het overdrachtelijk bedoeld is. Maar vreemd genoeg denken veel mensen als het over ‘God de vader’ gaat, ineens dat God niet anders is dan een persoon. Wat tamelijk onwaarschijnlijk is. God is veel meer dan dat. Eigenlijk zou je dus altijd moeten spreken over ‘het Goddelijke’, of, zoals ik zelf vaak zeg, bijvoorbeeld zoiets als ‘Hogerhand’. Het zal niet voor niets zijn, dat het oudste woord voor ‘God’ in de bijbel ‘Elohim’ is, een meervoudsvorm. ‘De Goden’, dus eigenlijk. Nergens in de bijbel vind je iets van die beperking tot één persoon van de hele hogere werkelijkheid terug. Dionysius haalt alle termen voor de hogere wezens die zijn trappen van licht bevolken uit de bijbel: de serafs, cherubs, tronen, heerschappijen, krachten, machten, vorstendommen, aartsengelen en engelen, en ten slotte wij mensen. Alles, de aarde incluis, het heelal, alles is bezield door het licht van God, het hoort er allemaal bij.

Wat er wél gezegd wordt, maar dat is heel iets anders, is: God is één. Uiteindelijk vormt het, in alle verscheidenheid, een eenheid. Dionysius geeft daar een prachtig beeld voor, met zijn drie maal drie trappen van licht, waarbij alles niet alleen naar beneden, maar ook terug naar boven vloeit. Het helpt elkaar, beïnvloedt elkaar, alles is met alles verbonden, en het doel is de ultieme vereniging met die bron, waarbij God alles in allen zal zijn. En dat wordt al zo onbegrijpelijk, dat we er maar beter niet te veel over kunnen zeggen. Wij zitten veel meer in het stadium, dat we niet meer kunnen doen dan ons best, maar wel met hulp van Hogerhand, om onze spiegel steeds helderder te krijgen, zodat ook in ons leven het licht van God steeds meer weerspiegeld wordt. Dat is niet alleen goed voor jezelf, maar ook goed voor de wereld om je heen.

Concreet kan je dat op allerlei manieren vertalen. Ik hoor wel eens mensen zeggen ‘ik stel mezelf bij belangrijke beslissingen altijd de vraag ‘wat zou Jezus doen’… en dat is nog niet zo gek, Jezus is ons hierin natuurlijk tot groot voorbeeld geweest. Ik herinner me ook een lezing van de Amerikaan Neal Donald Walsch, en die had weer een andere vraag, met volgens mij hetzelfde resultaat: hij vroeg zich regelmatig af ‘is this uplifting my life’… een beetje lastig te vertalen, maar hij bedoelde zoiets als ‘word ik hier een beter mens van.’ Het antwoord kan soms heel verhelderend zijn voor je besluitvorming. Zelf probeer ik altijd als criterium de regel van de liefde te hanteren. Wordt die door dit of dat besluit, of deze actie, bevorderd, of juist tegen gewerkt? Ik denk dat wij allemaal wel dat soort criteria hebben voor onszelf, manieren waarop we in onze daden willen leren steeds meer iets van het licht van God te weerspiegelen. Of achteraf, in datzelfde licht, moeten toegeven dat we dat toch beter anders aan hadden kunnen pakken. Maar nu zitten we al weer volop aan de menselijke kant, terwijl het in deze preek zou gaan over God. Als we dat idee van God als containerbegrip weer wat meer in onze gedachtewereld zouden kunnen toelaten (en misschien is dat bij heel veel mensen hier allang het geval) dan wordt het denken over de Goddelijke werkelijkheid veel breder en veel interessanter. Hoe zit dat bijvoorbeeld met die derde hemel, waar Paulus het over heeft, en door hem benoemd wordt als ‘het paradijs’. Gaat dat een beetje in de richting van Dionysius? En wat is de rol van Jezus in dit geheel? De bijbel heeft daar zo’n prachtig beeld bij: Jezus Christus die zit aan de rechterhand van God. Tegelijk wordt hij ook wel eens de de eerstgeborene van God genoemd, en zo lijkt het, alsof met hem alle materie, het hele scheppingsgebeuren, de hele kosmos begonnen is. Is die verblindende duisternis, die mysterieuze bron van kracht en licht en liefde – is dat dan de eeuwige kern, en zou je de Christus als de eerste en hoogste uitvoerende macht kunnen beschouwen, die nog altijd elk moment bij onze wereld betrokken is?
Misschien is dat nog eens stof voor een volgende preek. Er blijven gelukkig altijd genoeg vragen over, en het lastigste is altijd om niet alles in één keer overhoop te willen halen. Daarbij is de kans groot dat u zelf weer met hele andere vragen zit rondom God, die hier niet of nauwelijks aan bod zijn gekomen. Ik hoor ze graag van u! Uiteindelijk is en blijft natuurlijk het allerbelangrijkste hoe wij zelf God vorm en inhoud geven hier op deze aarde, in dit leven. En hoe meer we over God te weten komen, des te beter zal dat gaan. Amen.

(ik houd mijn oog gericht op de Heer, ps 25:15 – zondag oculi; deel uit ‘zo lang wij ademhalen’ gebeden van Sytze de Vries)

U danken wij, God
dat u door het donker heen
de hand hebt vastgehouden
van de mens Jezus
en in hem
onze handen.

Laat het ons niet ontbreken
aan hetzelfde vertrouwen
dat Hij in U stelde.
Laten wij niet ontbreken
waar uw wil gedaan wordt
als u uw beleid volvoert.

Wij bidden
voor mensen
die alleen gelaten worden
in eenzaamheid en angst,
in verdriet en doodsnood.
Dat zij niet aan het donker
worden overgelaten,
maar een hand vinden
die hen redt.
Geef ons durf
die hand te zijn.

Wanneer elk gebed voor mensen zinloos wordt,
omdat zij er niets van verwachten,
omdat zij niet meer
door de knieën willen gaan,
omdat zij geen woorden meer hebben,
bidden wij voor hen.
Laat ons hier
telkens weer
de adem en de woorden vinden
om te bidden
voor elkaar, voor onszelf.
 

Rini Rikkert
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *