Thuisblijverspreek – Rini Rikkert 'Jezus: een gewoon mens?'

De ‘thuisblijverspreek’ is deze keer van Rini Rikkert. Alle thuisblijverspreken worden gearchiveerd in een map onder deze naam. De vorige preken vindt u ook als u naar de onderzijde van deze pagina doorscrollt.

 

Eerste schriftlezing: Marcus 8: 27-30

Wie is Jezus?
Jezus vertrok met zijn leerlingen naar de dorpen in de buurt van Caesarea Filippi. Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, en anderen zeggen Elia, en weer anderen zeggen dat u een van de profeten bent.’ Toen vroeg hij hun: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de Messias.’ (dat is het Aramese woord voor ‘gezalfde’, ‘Christus’ is hetzelfde Griekse woord). Hij verbood hun op strenge toon om met iemand hierover te spreken.

Tweede lezing: uit het boek ‘het numineuze’ van Tjeu v.d. Berk, blz. 187
(de tweede en derde lezing geven ieder een heel eigen kijk op de betekenis van Jezus. Drewermann bekijkt het vanuit de psychologische hoek, voor hem gaat het puur om een symbolische werkelijkheid. De laatste, Henri Nouwen, vertelt vanuit zijn theologische achtergrond over een hoogstpersoonlijke ontmoeting met Jezus.)

Drewermann vertelt in één van zijn boeken het volgende tekende voorval. ‘Na een lezing kwam er eens een priester naar mij toe en zei: ‘Meneer Drewermann, ik zou u willen vragen: gelooft u in de wonderen van Jezus?’ Ik zeg: ‘Beste confrater, ik geloof natuurlijk in de wonderen van Jezus. ‘Nee’, zegt hij, ‘bij u wil ik dat heel precies weten. Gelooft u bijvoorbeeld dat Jezus over het water heeft gelopen?’ Ik zeg: ‘Ja, ik geloof dat Jezus over het water heeft gelopen.’ ‘Ik vraag u nogmaals’, zegt hij, ‘bedoelt u dat werkelijk of symbolisch?’ Toen zei ik: ‘Nu weet ik niet meer, waar u naar vraagt, want ik geloof dat de religieuze werkelijkheid alleen maar symbolisch is. Het is de enige die echt werkt.’

Het is voor velen van ons misschien niet zo moeilijk om te begrijpen wat Drewermann zegt, maar om het van binnenuit aan te voelen, te ervaren, is veel moeilijker. De confrater zit in een positie die karakteristiek is voor vele van-huis-uit-gelovigen: zij weten maar al te goed wat zij niet meer geloven, maar wat daar voor in de plaats kan en moet komen, daar zijn zij nog lang niet uit, laat staan dat zij met hun gevoel bij dat nieuwe kunnen komen. Goed beschouwd bevinden zij zich in een heilloze situatie. Juist de moderne mens kan niet langer op de ouderwetse manier geloven. Hij doorziet namelijk de vele van oudsher religieuze overtuigingen als projecties. En terecht. Wat voordien onbetwijfelbaar als feit gold, blijkt geprojecteerd te zijn. Maar de confrater van Drewermann heeft er (nog) geen flauw vermoeden van dat de werkelijkheid die hij naar buiten toe heeft geprojecteerd wel degelijk alsnog bestaat, namelijk in zijn eigen ziel. Het is hetzelfde als met het kind dat opgroeit en ineens ziet dat ‘de wolf uit Roodkapje’ niet bestaat. De projectie wordt teruggenomen maar niet de werkelijkheid van het kwaad! Net zoals de confrater waarschijnlijk met een schok gemerkt heeft dat hij ongelovig geworden is, is het ook voor het kind een schok geweest in te zien dat Sinterklaas niet bestond. Maar later zal het, even doordenkend, beseffen dat alles waar Sinterklaas voor stond wel degelijk bestaat en nog steeds bestaat. Dit inzien en ervaren betekent een geweldige stap voorwaarts, maar is juist voor de westerse mens zo uitermate moeilijk. 

Derde lezing:
Wat ik nu ga lezen is een ervaring van de bekende Henri Nouwen, beschreven in zijn boek ‘een glimp van de overkant’. Hij vertelt wat er gebeurde toen hij een aanrijding had gehad die hem, zoals hij dat zelf zegt ‘in het voorportaal van de dood bracht’. ‘Op dat moment’, zegt hij, ‘had hij een ervaring die ik nooit tevoren had gekend, de ervaring van zuivere, onvoorwaardelijke liefde. Beter nog: de ervaring van een intens persoonlijke aanwezigheid, een aanwezigheid die al mijn angsten terzijde schoof en zei: ‘Kom, wees niet bang, ik houd van je.’ Een heel milde, niet straffende aanwezigheid; een aanwezigheid die mij heel eenvoudig vroeg te vertrouwen, volkomen te vertrouwen. Ik aarzel om gewoon maar over Jezus te praten, uit zorg dat de naam van Jezus misschien niet de volle goddelijke aanwezigheid oproept, die ik ervaren heb. Het was geen warm licht, geen regenboog of een open deur wat ik zag, maar een menselijke, ja goddelijke aanwezigheid die ik voelde, die mij uitnodigde dichterbij te komen en alle angsten te laten varen.

Mijn hele leven was een moeizaam pogen geweest om Jezus te volgen vanaf het moment dat ik hem via mijn ouders, vrienden en leraren had leren kennen. Ik had talloze uren doorgebracht met het bestuderen van de Schrift, met luisteren naar voordrachten en preken en met het lezen van geestelijke boeken. Jezus was voor mij heel nabij, maar tegelijk ook heel afstandelijk geweest, een vriend maar ook een vreemdeling, een bron van hoop maar ook van angst, schuld en schaamte. Maar nu ik rondliep in het voorportaal van de dood, was elke dubbelzinnigheid, was elke onzekerheid verdwenen. Hij was er, de Heer van mijn leven en zei: ‘Kom naar mij toe, kom’. Eén bepaalde emotie was heel sterk, het gevoel thuis te komen. Jezus opende Zijn huis voor mij en leek te zeggen: ‘Hier hoor je thuis’. De woorden die Hij tot Zijn leerlingen sprak: ‘In het huis van Mijn Vader is er woonruimte voor velen… Ja, Ik moet heengaan en voor jullie een plaats gereedmaken..’ (Joh. 14:2,3) werden werkelijkheid. De verrezen Jezus die nu bij Zijn Vader woont, verwelkomde mij thuis na een lange reis.

Deze ervaring was de verwerkelijking van mijn oudste en diepste verlangens. Sinds mijn eerste, bewuste ogenblikken heb ik het verlangen gehad bij Jezus te zijn. Nu voelde ik op de meest tastbare wijze Zijn aanwezigheid, alsof mijn hele leven zich samenbalde en ik door liefde omsloten werd. Het thuiskomen had onloochenbaar het kenmerk van een terugkeer, een terugkeer in de schoot van God.

Preek
Het lijkt zo op het eerste gezicht een gemakkelijke vraag, vind u ook niet? Was Jezus een gewoon mens? Antwoord: natúúrlijk was hij dat. Maar zo gauw bent u niet van me af. Want er zit nog van alles onder en omheen. Want wat, om maar wat te noemen, heeft die gewone Jezus dan eigenlijk nu nog te betekenen, voor u en voor mij?

Je kan het bij deze simpele constatering houden: 2000 jaar geleden leefde er in Israël een jood die Jezus heette. Dat leven heeft gewerkt als een magneet. Er is een geweldige kluit omheen ontstaan, van verhalen, tradities, emoties, verlangens, van Griekse filosofie, Joodse en Christelijke theologie, van kerken en zelfs oorlogen, kortom, alles wat een mens maar kan verzinnen. En die geweldige kluit van van alles en nog wat belemmert ons allang het zicht op dat epicentrum, op die magneet, op Jezus zelf.

Het zal ons nooit lukken om dat centrum helemaal los te pellen, en misschien is juist die kluit ook wel het boeiendst, zeker als je geïnteresseerd bent in mensen. Maar vandaag wil ik toch graag eens een poging doen om te zien hoever we komen. Jezus was een gewone Joodse jongen, zoon van Jozef en Maria. De verhalen die rond zijn geboorte losbarsten kunnen we allemaal rekenen onder de kluit rond de magneet. Jezus noemde zichzelf niet voor niets een ‘mensenkind’, en ja, hij noemde God ook zijn ‘vader’, maar tegelijk nodigde hij ons, zijn broers en zusters, uit om hetzelfde te doen. Als hij zichzelf al als de zoon van God zag, beschouwde hij ons dus samen met hem als zonen en dochters van God.

Wat moet je je daar dan bij voorstellen? Het gaat hier natuurlijk om een manier van uitdrukken. Je gebruikt een beeld, het vader-zoon beeld dat iedereen kent, om iets anders aan te duiden: de relatie tussen God en mens. God is niet onze vader, God is áls een liefhebbende vader voor jou en voor jou en voor ieder mens. Je bent heel nauw met elkaar verbonden, je lijkt zelfs op elkaar. Jezus was dáárin ongewoon, dat hij deze band veel dieper doorleefde. Als je mensen vraagt wat betekent Jezus voor jou’, dan zeggen ze vaak: hij is een voorbeeld voor me. Dat heeft te maken met deze diep doorleefde band. Jezus kon alleen maar optreden als leraar, als genezer en als profeet, omdat hij zichzelf beschouwde als de menselijke handen van God. ‘Niet míjn wil, maar úw wil geschiede’. Hij ging voor de volle 100% voor liefde en recht. Dat is, u zult het met me eens zijn, tamelijk uitzonderlijk. Iedereen die hem bezig zag, dacht: dit is niet normaal, die man is God zelf. En zo krijg je een heleboel misverstanden, want de bedoeling van Jezus was nu juist, dat het wèl normaal zou worden, dat we allemaal voor die levenshouding zouden kiezen. Dat is niet gelukt. En het zal ook niet lukken, zolang we Jezus nog op zo’n geweldig goddelijk voetstuk zetten. Pas als je hem werkelijk als een gewoon mens gaat zien, komen zijn keuzes ook binnen ons eigen bereik en kan dat voorbeeld ook echt verschil gaan maken in ons leven.

Er zijn christenen, die vinden dat met Jezus als voorbeeld alles wel gezegd is. Ik geloof zelf van niet. Er is meer aan de hand. Maar dan moeten we het gaan hebben over het kruis en dat, wat ‘de opstanding’ genoemd wordt, en op dat terrein wordt de kluit rond de Jezus-magneet groter en ondoordringbaarder dan ooit. Ik doe al minstens dertig jaar mijn best om er iets van te begrijpen, en begrijp vooral steeds beter waarom mensen daar allang geen moeite meer voor doen. Of ze klampen zich vast aan een paar kreten, zoals ‘verzoenend bloed’, of ‘voor onze zonden’, of ze halen hun schouders op. Maar hoe je het ook wendt of keert, hier bevindt zich wel het hart, de basis, van het christendom. Wat blijft er over, als je hier zoveel mogelijk rommel van de magneet wil afhalen?

Dit is in ieder geval wat er voor míj overbleef: Jezus werd de Christus, en aan die naam kleven wel degelijk hemelse trekken. Zijn volgelingen beleefden zijn aanwezigheid na zijn aardse dood opnieuw, maar nu als een bovenaardse verschijning, in een visioen, of als een innerlijke kracht: de Heilige Geest. Jezus leeft, als de Christus, nu nog steeds, en is stimulerend, reddend, helpend, genezend soms ook, werkzaam vanuit een andere, hemelse dimensie op deze aarde.

Voor mij is die laatste zin wezenlijk voor mijn gelovige manier van leven, en ik wil u na lang aarzelen ook vertellen hoe dat zo gekomen is. Dat is een oud en – ik geef het toe – merkwaardig verhaal. In mijn jongere jaren heb ik me nooit zo met Jezus bezig gehouden. God vond ik veel interessanter. Maar ook daar was ik niet echt mee bezig, ik was huisvrouw met twee kleine kinderen en daar had ik mijn handen aan vol. Daarnaast dook ik steeds dieper in een depressie. Ik werd steeds banger, steeds eenzamer. Er kwam een moment, dat ik ’s avonds in bed kroop en merkte dat ik zó bang was dat ik me letterlijk niet meer kon bewegen. Ik dacht aan dat Bijbelverhaal van de vrouw, die de zoom van Jezus zijn mantel aanraakt – en begon wanhopig te bidden, of ik niet, net als die vrouw toen, ook al durfde ze het niet eens te vragen, toch hulp kon krijgen. Uiteindelijk viel ik dan toch in slaap, maar een paar uur later werd ik wakker – later vroeg ik me nog af of ik het toch echt niet gedroomd had, misschien zat het ergens tussen waken en slapen in – maar in gedachten zag ik mezelf staan met een groot kruis in mijn handen, en riep ik, met steeds meer overtuigingskracht, omdat het steeds duidelijker werd dat ik dit niet alleen deed: ‘in de naam van Jezus Christus, ga weg!’ En ik voelde, dat er schaduwen verdwenen, hoorde het zelfs, als gegorgel van een afvoerpijp. Daarna lag ik nog lang wakker, absoluut verbijsterd, geen idee wat er nu toch gebeurd was en wat daar de implicaties van waren. Maar de volgende ochtend was mijn angst weg, en kon ik beginnen met het langzaam maar zeker uit mijn depressieve dal omhoog kruipen. Het nachtelijke gebeuren parkeerde ik ergens in een hoekje van mijn hoofd – ik wilde er niet meer aan denken, het was me te vreemd, paste ook helemaal niet bij de manier van geloven die ik toen had.

Pas vele jaren later kwam het gebeuren weer boven, toen ik tijdens mijn studie een scriptie moest schrijven over godsdienstpsychologie. Toen drong eigenlijk pas tot me door, dat hier een belangrijke les in zat. Even afgezien van de persoonlijke psychische factoren, al die ellende is gelukkig allang verleden tijd, is de theologische ervaringsles voor mij uiteindelijk geweest, dat Jezus Christus niet alleen iets is van vroeger, maar dat hij nog steeds aan het werk is, en mensen kan helpen die zich in nood tot hem keren. Ja, ik weet wel dat dat vaak gezegd wordt, in godsdienstige kringen die bepaald de mijne niet zijn, dus krijg ik van dat soort ‘getuigenissen’ meestal vooral de kriebels. Het kan heel goed zijn dat u dat bij mijn eigen verhaal ook heeft. Het is helemaal uw goed recht om uw eigen conclusies te trekken, die misschien wel anders uitvallen dan de mijne. Maar u zult het met me eens zijn, dat het belangrijk is dat iedereen op een gegeven moment voor zichzelf uitmaakt, wat deze Jezus Christus nu wel of niet voor je betekent. Je zou kunnen zeggen: de Christelijke kerk staat of valt met die vraag. Wat hoort voor jou bij de kale magneet, wat is voor jou de rommel die er allemaal aan is blijven kleven. Wat zijn je eigen ervaringen, en hoe serieus neem je die. Hoe open sta je voor de ervaringen van anderen. 

Laten we even terugkeren naar de themavraag: is Jezus een gewoon mens? Het antwoord blijft ‘ja’. Maar naar mijn overtuiging is er méér. En dat is zo belangrijk, omdat een gewoon mens van tweeduizend jaar geleden, hoe uitzonderlijk begaafd hij ook geweest is, niet meer kan zijn dan een voorbeeld voor ons nu. Als je uitsluitend in die Jezus gelooft, dan laad je daarmee een grote last op je schouders, want dan is het je ideaal net zo te leven als hij. En dat zie je zo ongeveer dagelijks mislukken – daar wordt een mens niet vrolijk van. Maar als je daarnáást ook gelooft in de Jezus Christus waarvan de kerk zegt dat het haar ‘hoofd’ is, degene die nu nog steeds leeft, dan kan je ontspannen. Je hoeft het niet alleen te doen en je hoeft ook niet volmaakt te zijn. Er is een helper, die stimulerend en reddend, helpend, – genezend soms ook, werkzaam is vanuit die andere, hemelse dimensie op deze aarde – tot in ieders hart aan toe. Stel je ervoor open, en het is er, wordt ons geleerd. En dàt maakt, dat die bijbel, theologie en kerk nog steeds van betekenis is. Omdat die overtuiging  ons kan redden uit onze pijn en uit onze eenzaamheid. Omdat we dan op een veel dieper niveau kunnen leren om in verbondenheid met die levende Jezus Christus hier in deze wereld te leven. Dát is een geweldige manier om veel meer ontspannen, veel vrolijker ook, te leren om steeds meer de aardse handen van God te zijn. Amen.

Rini Rikkert
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *