Thuisblijverspreek – Piet van Die 'Op het tweede gezicht'

De ‘thuisblijverspreek’ is deze keer van Piet van Die. Alle thuisblijverspreken worden gearchiveerd in een map onder deze naam. De vorige preken vindt u ook als u naar de onderzijde van deze pagina doorscrollt.

Het toeval wilde dat de akker waar zij kwam van Boaz was, het familielid van Elimelech. (Ruth 2,3)

Godot
In een toneelstuk getiteld ‘Wachten op Godot’ laat de schrijver Samuel Becket zien hoe twee zwervers wachten op iemand genaamd Godot. Gaandeweg wordt het de toeschouwers duidelijk dat deze Godot een pseudoniem kan zijn voor God. Maar Godot laat zich niet zien. Een boodschappenjongen vertelt hen op een zeker moment dat Godot de volgende dag zal komen. Maar er gebeurt niets. Om de tijd te doden praten de zwervers met elkaar – vaak in onsamenhangende taal.

Dit toneelstuk uit 1952 werd een icoon van onze tijdgeest. God raakte in de 20ste eeuw buiten beeld. Er werd hier en daar misschien nog wel door sommigen op zijn verschijning gewacht, maar God liet niet meer van zich horen, vonden de meesten. Dat beeldde Becket uit in zijn beroemde toneelstuk. Geen wonder dat de zwervers op een zeker moment het wachten opgeven. Wie op een perron vergeefs op de trein staat te wachten, concludeert op een zeker moment: deze lijn wordt niet meer gebruikt. De wereld is een verlaten en winderig platform waar weinig meer herinnert aan het verkeer dat er kennelijk ooit was.

Van alle tijden
Toch is dat gevoel van godsverlatenheid niet alleen iets van deze tijd. In de Bijbel kom je zulke perioden ook al tegen. En Bijbelheiligen als Noömi kende die verlatenheid ook in hun persoonlijk leven. Ooit was Noömi met man en kinderen geëmigreerd naar Moab. In hun woonplaats Bethlehem heerste in die tijd hongersnood. Maar met het ontvluchten van die ramp was ze ongeweten een nog grotere ramp tegemoet gelopen, want in hun nieuwe vaderland waren één voor één man en beide zonen gestorven. Op een dag besloot ze terug te keren naar Bethlehem. Sociaal en geestelijk berooid kwam ze aan. In gezelschap van haar Moabitische schoondochter Ruth, dat weer wel. Maar het was alsof Ruth geen gewicht in Noömi’s geestelijke schaal legde, want – zei ze tegen de inwoners van Bethlehem – : ‘Noem me voortaan maar Mara, want vol heeft de HEER mij laten gaan, maar leeg heeft Hij mij doen terugkeren.’ Mara – bitter betekent het. En verbitterd was ze. Vooral in de richting van God. Hij had haar in de steek gelaten, vond ze. Vergeefs had ze gewacht op een glimp van zijn goedheid.

Wat Noömi nog niet wist, was dat er een ommekeer zou komen. Een ommekeer die zich ongemerkt al had aangediend en die in ons Bijbelverhaal een vervolg krijgt. Het verhaal laat op een subtiele manier vermoeden dat de Eeuwige níet afwezig is. Het is misschien niet op het eerste gezicht te zien. Maar je kunt het wel zien op wat we nu voor het gemak maar even het tweede gezicht noemen.

Aan het werk
Toen Ruth en Noömi waren teruggekeerd was de eerste zorg: brood op de plank. Er waren immers geen sociale voorzieningen, dus moesten Ruth en Noömi in eigen onderhoud voorzien. Ruth nam daartoe het initiatief. Het was de tijd van de oogst en dat kwam dus goed uit. Overal in de regio Bethlehem trokken mensen opgetogen de velden op om het goudgele, golvende gerst te oogsten. Nu was het in het oude Israël een voorschrift dat bij de oogst het gewas op de randen van de akkers moesten blijven staan. De armen mochten dit dan voor zichzelf oogsten. Of Ruth daar als Moabitische van op de hoogte geweest is, zegt het verhaal niet, maar ze besloot wel om de handen uit de mouwen te steken.

Bij toeval kwam ze terecht op het veld van ene Boaz, en dat zal later nog belangrijk worden. Boaz zelf was op dat moment nog niet aanwezig, maar Ruth was door zijn medewerkers moeiteloos toegelaten op het land. Daar was ze al volop aan het werk toen ook de eigenaar zelf verscheen. ‘De HEER zij met u,’ groette hij de mannen – dezelfde woorden waarmee wij de kerkdienst openen -, in die tijd een even dagelijkse groet als bij ons ’goeiemorgen’ of het Duitse ‘Grüss Gott’. De maaiers – inmiddels zelf ook in vol bedrijf – groetten terug. Toen viel het oog van Boaz opeens op een jonge vrouw die gebogen aan het werk was – niet op de rand van het veld, maar nota bene in het kielzog van de maaiers! Hij liep naar de voorman en vroeg wie zij was. Die vertelde dat het de Moabitische vrouw was die met Noömi was meegekomen. Uit de manier waarop de man antwoordde, wordt duidelijk dat Boaz weet om wie het gaat. Ruth was kennelijk het onderwerp van het laatste dorpsnieuws.

Redder in nood
Boaz maakte vervolgens kennis met de jonge gastarbeidster, en zei meteen dat ze ook wat hem betreft welkom was. Hij drukte haar wel op het hart achter de vrouwelijke raapsters aan te gaan en beloofde dat hij de mannelijke maaiers opdracht zou geven haar met rust te laten. In de door mannen gedomineerde samenleving was je als vrouw zelfs in Israël kennelijk onbeschermd.

Ruth mocht ook gebruik maken van de waterkruiken die her en der op het land stonden, want het was zwoegen en zweten in de brandende zon. Ruth, die bij de kennismaking haar rug had gerecht, boog diep voor zoveel goedheid en vroeg waaraan zij het te danken had. Boaz bleek gedetailleerd op de hoogte van haar situatie. Hij had gehoord van haar loyaliteit ten opzichte van Noömi en dat ze daarvoor alles achter gelaten had. En hij sprak de wens uit dat de God van Israël haar daarvoor zou belonen. Die vriendelijkheid deed Ruth zichtbaar goed.

Maar daar bleef het niet bij. Tijdens het schaftuur riep Boaz haar in de kring van personeel en liet haar meedelen in eten en drinken. En toen de middagpauze ten einde liep, gaf hij de mannelijke maaiers de opdracht om met opzet wat meer halmen voor haar te laten leggen. Je voelt: Boaz heeft een meer dan normale belangstelling voor Ruth. Wat ging er in hem om?

Tegen de avond had Ruth een berg gerst om u tegen te zeggen. Toen ze thuiskwam viel Noömi’s mond open van verbazing. Hoe kwam ze aan zoveel voedsel? Waar was ze geweest? Toen Ruth uitverteld was, was het alsof voor Noömi na een lange donkere winter een lentezonnetje verscheen. Ze sprak een zegenbede uit over Boaz waarin ze de naam van God voor het eerst sinds tijden weer positief gebruikte: ‘Gezegend zij Boaz door de Eeuwige, die zijn vriendschap niet heeft onttrokken aan de levenden en de doden’ (Naardense Bijbel). Ja, de doden hoorden er nog steeds bij. Ook het voortleven van hun namen stond op het spel. Hun naam moest voortleven in het nageslacht. En Boaz kon daar voor zorgen, want – zo herinnerde Noömi zich ineens – hij was een losser: in het oude Israël het familielid dat verantwoordelijk was voor het afkopen van schulden en het verwekken van nageslacht. Opeens zag Noömi met het oog van haar verbeelding een heel nieuw toekomstperspectief zich ontvouwen! Daarover zal de rest van het boekje Ruth vertellen.

God zit in het verhaal
Nu terug naar ons begin. God zou in het verhaal zichtbaar worden, beloofde ik. Maar voorlopig hebben we daar nog niets van gemerkt. Alle actie ging tot nu toe alleen van mensen uit. Het zijn Noömi, Ruth, Boaz en de maaiers die het verhaal maken. En toch zit God ook in het verhaal. Laten we nog een keer kijken. Twee keer wordt hij expliciet genoemd. Boaz spreekt de wens uit dat God voor Ruth zal zorgen. Dat zijn niet alleen maar woorden. Hij helpt zelf de verhoring van de zegenbede. En in het vervolg zal hij daar zelfs nog meer aan bijdragen. En in de goedheid van Boaz ziet Noömi op haar beurt weer de hand van de Eeuwige. U zult zeggen: ‘Ja, maar dat is wat mensen doen en zeggen.’ Ja, dat is waar. Maar het is niet of-of: of God doet iets of mensen doen iets. Het is en-en. God werkt in en door mensen.

De theoloog Van Ruler heeft ooit de invloed van God eens vergeleken met de rol van Johan Cruijff toen hij nog speelde. Wat was de kracht van Cruijff? Dat hij zulke prachtige solo’s maakte? Ja, maar niet alleen. Zijn belangrijkste kwaliteit was dat hij een heel elftal beter kon laten spelen! Zijn invloed zorgde ervoor dat ook de andere spelers naar een hoger niveau getild werden. God werkt als Johan Cruijff wilde Van Ruler zeggen. Zijn invloed werkt door in mensen.

Nu is het lastige dat wij Johan Cruijff zelf konden zien spelen, maar God niet. Althans, niet op het eerste gezicht. Op het tweede gezicht wel. Eerder zei ik dat Ruth bij toeval op het veld van Boaz kwam. Maar het verhaal gebruikt een andere uitdrukking: het toeval wilde dat Ruth op het veld van Boaz kwam. Dat is een mooie vertaling voor een technische uitdrukking die in de Bijbel altijd betekent: ‘Let op! Hier geschiedt iets van Godswege.’ ‘Het toeval wilde’ – een mooie vertaling, omdat alleen een persoon iets kan willen, in dit geval God. Hij wordt niet genoemd, maar wel bedoeld. Het toeval is hier geen willekeur, maar iets dat Ruth toe-valt van Boven. Hoe precies? Dat weten we niet. Goddelijke invloed en menselijke werkelijkheid grijpen ergens op elkaar in, maar waar en hoe precies valt niet te zeggen. Maar wie er oog voor heeft, ziet Gods invloed. Het is alsof God Ruth een duwtje gaf richting Boaz.

Wij zijn mensen van het eerste gezicht. Wij zijn tv-kijkers geworden. Alles moet direct in beeld gebracht kunnen worden. Wat niet direct in beeld gebracht kan worden, bestaat niet. Het moet binnen onze focus vallen. Maar God onttrekt zich aan die dwingende blik. Om zijn invloed te zien heb je een tweede blik nodig. Zoals je om een ster te kunnen zien, er soms even naast moet kijken. Als je direct kijkt, zie je hem niet. Zo is het ook met God. Hij lijkt afwezig. Hij heeft de schijn soms tegen. Maar het is gelukkig alleen maar de schijn.

Piet van Die
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *