Thuisblijverspreek – Piet van Die 'Geen voorbarige troost

De ‘thuisblijverspreek’ is deze keer van Piet van Die. Alle thuisblijverspreken worden gearchiveerd in een map onder deze naam. De vorige preken vindt u ook als u naar de onderzijde van deze pagina doorscrollt.

Toen ik hier wegging had ik alles, maar de HEER heeft mij met lege handen laten terugkomen. (Ruth 1:21)

‘Er is een zin, Razelius’

De schrijver Bernlef vertelt in zijn boek ‘Sneeuw’ over een man genaamd Jan Razelius. Hij heeft zijn vrouw Kerstin verloren. Hij woont in een dorpje op een klein eiland waar iedereen iedereen kent. En dat is de reden dat hij, hoewel ongelovig, door de plaatselijke dominee op de koffie wordt gevraagd. Dan ontspint zich het volgende gesprek.

‘Is het moeilijk?’ vroeg de dominee. ‘Het kost tijd.’ – ‘Zo zonder steun.’ – ‘Ik heb mijn dochter.’ – ‘Dat bedoelde ik niet,’ zei de dominee. Jan Razelius glimlachte. ‘Dat had ik al begrepen.’ – ‘Er ìs een zin, Razelius,’ zei de dominee plotseling luid, ‘Zelfs in die dingen.’ ‘Misschien,’ antwoordde Razelius. ‘Misschien kom er langzaam een zin in die dingen, ja.’ Jan Razelius hoorde hoe hij dezelfde nadruk op die laatste woorden legde als de dominee. Hij was geïrriteerd. De dominee had hem bij zijn achternaam genoemd. Hij probeerde rond Kerstins dood een theologische discussie op te bouwen.

Hij probeerde rond Kerstins dood een theologische discussie op te bouwen – dat is raak schrijven: in één zin een hele wereld kenschetsen. In dit geval: de wereld van een christendom dat zichzelf wil redden door met voorbarige antwoorden het verdriet van de ander in te kapselen.

Zwijgen
Gelukkig kwamen de inwoners van Bethlehem niet met voorbarige troost aanzetten. Dat had gemakkelijk gekund. Na jaren was hun dorpsgenote Noömi weer teruggekeerd in Bethlehem. Ze was indertijd vanwege een hongersnood in Israël geëmigreerd naar Moab. Maar de rampen die zij gedacht had in Israël te ontvluchten, hadden haar in Moab juist opgewacht. Eerst was haar man er gestorven. Toen waren haar beide zonen haar ontvallen. Berooid was zij tenslotte teruggekeerd. Vergezeld van haar Moabitische schoondochter Ruth. Haar dorpsgenoten hadden Noömi niet herkend, zo was ze veranderd. Noömi was geen schaduw meer van zichzelf. ‘Noem mij voortaan maar Mara,’ zei ze. ‘Bittere’ betekent dat. En verbitterd was ze. Vooral in haar geloof. ‘De Ontzagwekkende heeft mijn lot zeer bitter gemaakt,’ zei ze. ‘De HEER heeft mij met lege handen laten terugkomen.’ Er sprak een nauwelijks verborgen woede uit haar woorden.
Hoe zouden wij op die klacht gereageerd hebben? Er zijn christelijke kringen waar de reactie zou zijn geweest: ‘Nou nou, Noömi, mag je dat zo wel zeggen? Je kunt je maar beter buigen onder Gods macht. De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam des Heren zij geprezen.’ Zoiets zouden wij, denk ik, niet snel zeggen. Maar misschien zouden wij ons weer haasten om te zeggen: ‘God wil ook niet dat er mensen doodgaan, Noömi. Hij staat juist aan jouw kant.’ Of: ‘Kijk naar Ruth. Zij heeft ook haar man verloren. Maar uitgerekend zij staat open voor God. En ze is nog wel een Moabitische.’
Toch zeiden de inwoners van Bethlehem niets van dit alles. Zij deden het meest wijze: zij deden er het zwijgen toe. Zij toonden respect en inschattingsvermogen.

Verpletterend
Veel voorbarige troost is alleen maar bedoeld om het verdriet van de ander buiten de eigen aangeharkte perken te houden. ‘Wie weet waar hij nog voor gespaard gebleven is,’ zeggen wij dan bijvoorbeeld. Ja, maar degene die is achtergebleven is niets bespaard gebleven. Het is wel goed bedoeld, maar het helpt niet. Maar de ergste vorm van troost is nog wel de troost die probeert het eigen geloof overeind te houden. ‘Je moet maar denken: waar God een deur heeft dichtgedaan, daar zal Hij straks wel weer een raam openzetten.’ Alleen die beeldspraak al (gepikt trouwens uit de film The Sound of Music)! Ze suggereert een diepzinnigheid die er totaal niet is. Alsof de spreker bij God op de tekentafel kan kijken.
Ik weet wel: je wilt wat zeggen. Iets waar de ander iets aan heeft. Je voelt je zo machteloos. Het zwijgen van de inwoners van Bethlehem verraadde ook een machteloosheid bij het zien van het intense verdriet van Noömi. Maar juist het tónen van die machteloosheid is een vorm van respect voor dat verdriet. De werkelijkheid is soms verpletterend. Ook voor het geloof. Wie dan met het geloof komt aanzetten toont alleen maar dat hij buiten de werkelijkheid staat. Zoals die dominee van Bernlef. Het is eenvoudig niet waar dat als ons leven schipbreuk lijdt het geloof altijd nog ongeschonden overeind staat. Als ons leven schipbreuk lijdt, wordt ook ons geloof vaak stukgeslagen tot wrakhout. Bij dat bijbels realisme moeten alle zouteloze praatjes wel schril afsteken.
Maar waar moet Noömi dàn aan genezen? Diep geschonden is zij teruggekeerd uit Moab. Is er nog iets waaraan zij kan helen? Als wij ergens aan kunnen helen dan is het, tegenstrijdig genoeg, alleen aan datzelfde leven dat ons heeft verwond. O nee, niet dat de tijd alle wonden heelt. Dat is ook zo’n dooddoener. De tijd heelt niet alle wonden. Er zijn wonden die altijd blijven steken. Zoals de dichteres Vasalis schreef:

In de oudste lagen van mijn ziel,
waar hij van steenen is gemaakt,
bloeit als een gaaf,
ontkleurd fossiel de steenen bloem van uw gelaat.

Ik kan mij niet van u bevrijden,
er bloeit niets in mijn steen dan gij.
De oude weelden zijn voorbij
maar niets kan mij meer van u scheiden.

Niets – dus ook de tijd niet.

Helen aan het leven
En toch – de gang door de tijd kan het wel anders maken. Het leven bergt ook helende krachten in zich, waardoor je geschonden vertrouwen zich langzaam maar zeker weer kan herstellen. Zoals geplet gras dat zich langzaam maar zeker weer opricht. Het leven kent ook goede krachten die je lokken om er weer voor open te staan. Zo zal het ook gaan met deze geteisterde vrouw uit Bethlehem. Het leven zelf zal haar troosten. Het leven – niet: de geprefabriceerde antwoorden uit het geloofsarsenaal.
Blijft God dan totaal buiten beeld? Daar lijkt het wel op. God wordt in het verhaal als medespeler niet genoemd. Maar toch gaat Hij er wel in schuil. Zoals God in en achter alle leven schuilgaat. Niet als de grote Albeschikker die Noömi dacht dat Hij was. Hoe dan wel? Dat toont het verhaal niet precies – net zomin als het gewone leven. God gaat schuil in de gang der gebeurtenissen. Als een verborgen kracht die te midden van andere krachten zijn invloed uitoefent. Ook in het leven van Noömi zal die invloed merkbaar worden. Zij lijkt op dood spoor te zitten. Maar uitgerekend het Moabitische meisje Ruth dat met haar meegekomen is, zal de wissel zijn waarover de trein van Noömi’s leven op een ander spoor zal komen. Soms wordt Gods invloed merkbaar in de mèns die naast ons staat. In de mens die het verdriet met ons deelt.
Nee, Noömi is niet helemaal met lege handen teruggekeerd uit Moab, zoals ze zelf dacht. Ze heeft Ruth nog bij zich. Ruth is Gods engel. Maar Noömi zal het zelf moeten ontdekken. Een ander kan het haar niet aanpraten. Mag het haar niet aanpraten. Ieder mens heeft namelijk recht op zijn eigen verwerking.

Piet van Die
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *