Thuisblijverspreek – Matthijs de Vries 'Een beker water'

De ‘thuisblijverspreek’ is deze keer van Matthijs de Vries. Alle thuisblijverspreken worden gearchiveerd in een map onder deze naam. De vorige preken vindt u ook als u naar de onderzijde van deze pagina doorscrollt.

Numeri 11.24-29, Markus 9.38-50

Ik verzeker je: wie jullie een beker water te drinken geeft omdat jullie bij Christus horen, die zal zeker beloond worden. (Markus 9.41)

 Wat is nou de betekenis van een beker water? Wat is dat nou waard? Een cent? Misschien twee? Voor iemand die net toevallig dorst heeft, of een droge keel, of een onbedaarlijke hoestbui, is het misschien veel meer waard dan dat. In de droge gebieden van deze wereld, kan een beker water het verschil maken tussen leven en dood. Was is het dus waard? Van bijna niets tot een mensenleven.

Bij Jezus heeft deze beker water ook waarde in een hele andere dimensie. Namelijk die van het sociale verkeer. Wat betekent het als je iemand een beker water geeft? Je ziet dat iemand een erge hoestbui heeft, of heel veel dorst heeft, en je haalt even een glas water.  Je zegt er dan mee: “ik zie dat je het even moeilijk hebt, kom, laat me je even helpen”. En dat alleen al kan voor iemand heel veel betekenen. Zo kan ook bijvoorbeeld een zakdoek heel veel betekenen voor iemand bij wie even de tranen in de ogen schieten van emotie. Het zijn kleine gebaren, maar ze kunnen zo veel betekenen. Ze kunnen troost bieden, ze kunnen verbondenheid scheppen tussen mensen, zelfs tussen wildvreemden.

In dit laatste opzicht bedoelt Jezus het ook. Waarom zou je iemand wantrouwen die jou een beker water geeft, die aangeeft je te willen helpen? Hiermee wil Jezus duidelijk maken, hoe ingewikkeld wij soms de simpelste dingen kunnen maken. Er gaat een verhaal aan vooraf over de leerlingen die hebben gezien hoe iemand in Jezus’ naam demonen aan het uitdrijven was. Ze probeerden deze persoon dit te verbieden, omdat hij zich niet bij hun wilde aansluiten. Jezus wees hen terecht: “Belet het hem niet. Want iemand die een wonder verricht in mijn naam kan onmogelijk het volgende moment kwaad van mij spreken. Wie niet tegen ons is, is voor ons.” Nota bene: Jezus zegt niet: “wie niet voor ons is, is tegen ons”, maar omgekeerd: “wie niet tegen ons is, is voor ons”, het lijken misschien de zelfde woorden in een andere volgorde, maar het klinkt heel anders, veel positiever. Eigenlijk is de hele wereld voor ons, tenzij ze verklaard tegenstander zijn. Niet voor niets is deze spreuk in omgekeerde vorm in onze taal terecht gekomen: ‘wie niet voor ons is, is tegen ons’. En dat geeft te denken. Blijkbaar zien we eerder in de ander een tegenstander, dan een vriend.

We maken simpele dingen daardoor vaak nodeloos ingewikkeld. Waarom zouden we hulp afwijzen van iemand die niet helemaal in ons straatje past? Waarom denken we zo vaak in tegenstellingen? Waarom kunnen we er zo slecht tegen als iets niet gaat zoals we het ons zelf hadden voorgesteld? Dat is een moeilijke vraag om zomaar te beantwoorden. Misschien helpt het als we nog een voorbeeld uit de bijbel erbij halen. In het boek Numeri doet zich een soortgelijke situatie voor. Rondom Mozes is een raad van 70 oudsten verzameld. Op een dag gaan ze naar de tent, het heiligdom van God dat buiten het kamp in de woestijn ligt. Daar daalt de Heer af op een wolk, sprak tot Mozes en droeg een deel van de geest die op hem rustte, op de zeventig oudsten over. Het lijkt wel een soort Oudttestamentisch Pinksteren waar we getuige van zijn. De oudsten beginnen daarna ook te profeteren. Maar wacht even: het waren er geen 70, maar 68. Twee oudsten waren in het kamp achtergebleven. Liefdevol concluderen de joodse commentaren dat deze twee wijzen zichzelf niet waardig vonden om mee te gaan naar het heiligdom. Niet voor niets heetten ze Eldad en Medad: ‘Gods liefde’ en ‘liefde’ omdat ze daar meer mee hebben dan de wet, die in de tent opgeslagen ligt. Maar ook zij slaan aan het profeteren, en een jonge man komt dat aan Mozes vertellen.

Dat hoort Jozua, en zo komt hij zijn beklag doen bij Mozes: “zeg dat ze daarmee ophouden”. Maar Mozes zegt: ‘Denk je soms dat jij voor mijn belangen moet opkomen? Legde de HEER zijn geest maar op heel het volk! Profeteerde iedereen maar!’ Ook hier wordt niet voor niets vermeld dat Jozua van begins af aan de rechter hand van Mozes was. De taak van de rechterhand is toch om de orde te bewaren, en de leider een beetje uit de wind te houden? Is daarom de nummer twee vaak fanatieker, en meer tuk op orde en discipline, dan de leider? Hij weet aan de ene kant dat hij niet de leider is, maar aan de andere kant voelt hij zich wel verantwoordelijk voor de leider. Maar Mozes blijkt genadiger en soepeler met de regels dan Jozua. “Profeteerde iedereen maar!” Het meningverschil tussen Jozua en Mozes is duidelijk. Mozes gaat het om het profeteren: dat moet gebeuren. Bij Jozua is het hoofdzakelijk de vraag wie wel mag profeteren, en wie niet. Als je wel profeteert hoor je namelijk bij de 70, en als  één van de 70 sta je toch net een stapje dichter bij het Heilige Vuur.

De grap is natuurlijk dat Mozes als de Man Met Een Visie zich waarschijnlijk helemaal niet met namenlijstjes bezig hield. Anders had hij wel op Eldad en Medad gewacht, of hen gevraagd waarom ze niet meegingen. Het lijstje van 70 bestond dus waarschijnlijk in de hoorden van de ‘onderkoningen’ om Mozes heen, die behoefte hadden aan dit soort duidelijkheid: wie hoort erbij en wie niet?

Langzaam werd het mij duidelijk dat het bij ons in deze tijd ook vaak zo werkt. Zoals Jozua zich opstelt voor Mozes, zo stellen wij kerkmensen ons vaak op voor God. Zijn wij niet degenen die aan de wereld duidelijk moeten maken wat God wel en niet wil? Voelen wij ons als kerk niet verantwoordelijk voor de juiste verkondiging van de genade van het koninkrijk Gods? Ondertussen kunnen we er maar wat slecht tegen dat God zo onbevattelijk genadig, groot en vooral soeverein is. God is soeverein en totaal vrij van onze denkbeelden en regels. Wij zijn degenen die behoefte hebben aan die regels, omdat we anders in totale anarchie zouden verzinken en elkaar de hersens in zouden slaan. En meestal zijn regels ook goed. Maar er zijn uitzonderingen. En dat is wanneer regels tussen mensen in gaan staan en het zicht op de bedoeling van de regels vertroebeld raakt.

Laten we vooropstellen dat de basis van alle regels is, dat ze voor iedereen gelden. Dat voor de wet iedereen gelijk is. Maar hier in deze bijbelse voorbeelden worden de regels gebruikt op een manier die van deze basisvoorwaarde vervreemd is. Het zijn regels geworden in de handen van de één, om onderscheid te maken ten koste van de ander: door de macht van de één te vergroten, door de ander verdacht te maken. Doordat hij niet bij de juiste groep hoort. Of doordat hij net even ergens anders is. Dat is discriminatie met het wetboek in de hand, en dat is natuurlijk niet de bedoeling. Het is de bedoeling dat alle mensen zullen profeteren: dat is het koninkrijk Gods. Het is de bedoeling dat alle mensen genezen worden en kwade geesten worden uitgedreven: dat is het koninkrijk Gods. Het is de bedoeling dat iemand die dorst heeft gewoon een glaasje water kan krijgen, zonder de vraag of de gever wel bevoegd is.

We horen het dan wel niet, ook God verzucht af en toe: “Denken ze soms, dat ze voor Mijn belangen moeten opkomen?” Wij zijn het die de dingen vaak nodeloos ingewikkeld maken. Misschien is het koninkrijk Gods zoiets als dat glaasje water dat ons wordt aangeboden. Door iemand van buiten. Door een niet Christen. Ja, dat kan. Ook buiten onze groep treffen we goede mensen aan. Dat is misschien een verontrustende gedachte voor ons. Misschien breekt Gods koninkrijk eindelijk aan als we inzien dat een glaasje water gewoon een glaasje water is. En een compliment gewoon een compliment. En dat een helpende hand gewoon een helpende hand is. We hoeven het niet ingewikkeld te maken. We hoeven van God geen verantwoordelijkheden over te nemen. Hij is onnoemelijk groot en genadig. En van Hem mogen wij horen, dat zelfs de hele wereld is vóór ons is, op die enkeling na die misschien tegen ons is. Het mosterdzaadje van Gods koninkrijk zit in de beker water die ons wordt aangereikt. Wij mogen dankbaar zijn!

Amen

Claudia Pietryga
Claudia deed zowel een sociaal-agogische als journalistieke opleiding en is alweer bijna tien jaar freelance journalist. Ze schrijft het liefste over maatschappelijke onderwerpen en publiceerde onder meer stukken in de Flair, Hallo Jumbo, Spits, Het Parool, diverse blogs, lokale bladen en uiteenlopende (online) media voor met name ondernemers.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *