Thuisblijverspreek – Matthijs de Vries 'De beklagenswaardigste mensen'

De ‘thuisblijverspreek’ is deze keer van ‘lekenpreker’ Jan Prij. Alle thuisblijverspreken worden gearchiveerd in een map onder deze naam. De vorige preken vindt u ook als u naar de onderzijde van deze pagina doorscrollt.

Lezingen: Ezechiël 37.1-14, Lukas 24.36-53, 1 Cor 15.12-27a

In de krokusvakantie gingen we met het gezin naar de Efteling. De kinderen wilden dat graag, en wij dachten: wat is er leuker voor kinderen dan de Efteling? Maar wat wij dachten dat leuk zou zijn, viel voor de doelgroep vies tegen. Geweldige diorama’s als de Fata Morgana, de Droomvlucht en het Carnavalfestival:  onze vijfjarige dochter vond ze doodeng. De duisternis en de harde geluiden, de bizarre special effects bezorgden haar nachtmerries. Maar vooral dat het in de Efteling allemaal zo goed gemaakt is, zo dat het net echt lijkt, was voor haar te veel. Je kunt het kind honderd keer vertellen dat het allemaal nep is, dat het allemaal poppen zijn die door motortjes worden aangedreven, maar dat is blijkbaar niet genoeg.

Een dergelijke ervaring had u waarschijnlijk toen u voor het eerst een enge film zag. Misschien ook wel toen u voor het eerst zo’n moderne 3D-film zag. U weet in uw hoofd dat het nep is, maar toch maakt het indruk. U lichaam reageert alsof het allemaal echt is. Uw ratio, uw redeneringvermogen heeft even geen zeggenschap meer over hoe uw lijf reageert. Om met dominee Gremdaat te spreken: “kent u dat gevoel?”.

Zo een reactie moet het ook opgeroepen hebben toen Ezechiël het visioen voorgespiegeld kreeg van de vallei der dorre doodsbeenderen. Het was een visioen, een product van iemands verbeelding, maar het roept een reactie op alsof het echt is. Het brengt in ieder geval Ezechiël, en velen na hem, in beweging. De geest protesteert, maar het lichaam reageert als door een bij gestoken. Daar komt de verkondiging nog overheen, dat het allemaal echt zal gebeuren. Een enge film wordt nog enger, als de suggestie wordt gewekt, dat het ook u kan overkomen. Dan schiet mij de titel van een Franstalige horrorfilm uit begin jaren ’90 mij te binnen: “C’est arrivé près de chez vous”. Het is vlak bij u gebeurd. De werkelijkheid van het visioen en de fysieke, dagelijkse werkelijkheid zouden één kunnen worden. En dat geeft koude rillingen: wederom reageert het lichaam voordat het gezonde verstand regelend en relativerend optreedt.

De natuurlijke reactie is verzet. Dochter wil niet meer naar de Efteling, voor geen geld. Ik wil niet meer naar een enge film. Het visioen van Ezechiël zouden we liever niet in het echt te zien krijgen. Ook in de verhalen uit het nieuwe testament hebben we te maken met een soortgelijke reactie van de mensen op hun ontmoeting met de opgestane Jezus. Eerst reageren de mensen met ongeloof. Ook wij zouden zo reageren. Handen en voeten met spijkergaten van het kruis? Bah, fysieke afkeer, huivering. Wegkijken, achter de bank kruipen. De leerlingen moeten Hem zelfs aanraken: “kijk, ik heb vlees en beenderen, ik ben geen geest”. Tasten met de handen, het lichaam voelen. Een lichaam heeft ook honger. Dus gaven ze Jezus een moot gebakken vis, die hij voor hun ogen opat. Hoe lichamelijk wilt u het hebben?

De eerste reactie is lichamelijke afwijzing. Huivering en aarzeling. Paulus gaat hier op in, in zijn eerste brief aan de Korintiërs. Hij wil de lichamelijkheid van de opstanding van de doden benadrukken. Wat eerst alleen in het visioen van Ezechiël gebeurde, gebeurde met Jezus in het echt, omdat God èmet is: de Betrouwbare. Jezus is als het ware de eerste van die dode lichamen die is opgestaan. En dat betekent dat later allen zullen opstaan. En zelfs: als we dat niet geloven, en alleen in dit leven op Christus hopen, zijn we de beklagenswaardigste mensen die er zijn.

Hoe zit dat dan met ons? Kijken we diep in onze ziel, dan huiveren we bij de gedachte van een fysieke opstanding uit de dood. Allerlei scènes uit films, over zombies en levende doden komen in ons op. Bijvoorbeeld het eerste deel van Pirates of the Caribean, met die apocalyptische beelden van overleden piraten die zich letterlijk aaneenvoegen en een leger vormen. We voelen ons als in een uit de hand gelopen Efteling. Daar komt nog eens bij, dat wij vrijzinnig opgevoed zijn met de gedachte dat geloof geestelijk is. Bijbelverhalen moeten geestelijk worden opgevat. Bovendien, als je niet vrijzinnig denkt: we zijn nu toch in de tijd tussen Pasen en Hemelvaart? Met Hemelvaart werd Jezus toch in de hemel opgenomen? Daarna kwam met Pinksteren de Heilige Geest. En in die tijd, leven we toch nog steeds, totdat Hij wederkomt? Kortom: God is Geest, en ons geloof geestelijk. Maar nu lijkt het erop alsof het lichamelijke met geweld komt inbreken in deze geestelijke werkelijkheid. Alsof het geestelijke onze comfortzone is, waar we vertrouwd mee zijn. En dat die op zijn kop moet. Ook Ezechiël wordt door de geest meegenomen naar dat afschuwelijke dal vol dorre doodsbeenderen. Onze reactie: afweren en terugtrekken, omdat ons hoofd de controle weer wil overnemen door te rationaliseren en te redeneren. Of gewoon te ontkennen.

Dat komen we ook in de bijbel al tegen. Wat dat betreft zijn we gelukkig niet uniek. Ook de toehoorders en lezers van Ezechiël, Lukas en Paulus hadden er moeite mee, om te geloven in een lichamelijke opstanding. Alsof zij al wisten: dit roept weerstand op, dat hoort er bij. Daarom hebben hun geschriften ook zo een strijdvaardig karakter: alsof de hoorders en lezers die toen tegenover hen stonden, ook al overtuigd moesten worden. Terwijl die toch in een veel “magischere” wereld leefden dan wij. Bij ons is alles al verklaard, bij ons lijkt geen ruimte meer te zijn voor een wonder. Maar ondanks dat, moesten mensen toen al overtuigd worden. Als je het verhaal goed leest wordt ook de Hemelvaart een lichamelijke hemelvaart beschreven. En van Pinksteren wordt verslag gedaan alsof het een gebeuren betrof dat plaatsvond in een fysieke werkelijkheid. En als in het boek Openbaring wordt geschreven over het nieuwe, hemelse Jeruzalem, dan zal dat neerdalen op aarde. Alsof in de geestelijke comfortzone steeds weer moet worden ingebroken door een rauwe werkelijkheid als een dief in de nacht.

Van de week zag ik het ook weer op het nieuws. Het ging over Syrië, het land waar nu een oorlog wordt uitgevochten van oudtestamentische proporties en wreedheid, maar dan met de wapens van nu. Van te voren werd gewaarschuwd: “let op, dit wordt niet aangenaam om naar te kijken.” En toen kwamen die beelden van bombardementen. Van dood en verderf, van bloederige lichamen en afgerukte ledematen op straat. Geen film met special effects, maar echt. Toen moest ik weer denken aan die profetie van Ezechiël: “Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben. Wat ik gezegd heb, zal ik doen–zo spreekt de HEER.” Ik dacht: dit zijn de beklagenswaardigste mensen. Wie neemt het op voor die doden, die hier op straat liggen? Wanneer zullen zij gerechtigheid krijgen? Dat weet God alleen. Moge God èmet zijn, de Betrouwbare. Moge Hij doen wat hij belooft, omwille van die doden en de levenden die nog verscholen zitten tussen de puinhopen. Hun bloed en hun ellende roept.

Ezechiël en Paulus leren ons: de opstanding van Jezus is niet de opstanding van één mens, tweeduizend jaar geleden. Het is een collectieve opstanding. De opstanding en het in beweging komen van een heel volk, een volk dat alle hoop verloren heeft. Voor de Syriërs is het ondertussen de enige hoop. Zij zijn de beklagenswaardigste mensen. Een geestelijk geloof kan hen niet meer redden. Als er geen geloof is in een lichamelijke opstanding, zijn zij voor niets gestorven. Alleen een lichamelijke opstanding kan mensen ook lichamelijk in beweging brengen, bewogen maken.

Daarom worden die beelden denk ik ook vertoond. Ik voelde mij machteloos. Ik merkte dat ik begrip begon te krijgen voor die honderd moslimjongeren die ondertussen zijn afgereisd naar Syrië – om te vechten. Misschien deden zij dat juist om weerstand te bieden tegen dat gevoel van machteloosheid, dat míj verlamt. Hoe onverstandig en contraproductief dat ook is. Meer wapens en meer vechters brengen heus de oplossing niet. Maar zijn komen te minste in beweging. Zij willen ten minste iets doen. Mijn rationaliteit zit me in de weg. “Mijn geloof in geweldloosheid komt handig van pas”, durfde ik zelfs te denken. De enige merkbare bewogenheid in mij is de gedachte: “morgen maak ik geld over naar giro 555”.

Tot slot wil ik als voorbeeld het verhaal van de barmhartige Samaritaan maar weer eens naar voren brengen: De bebloede, halfdode man langs de weg liet de geestelijken koud, die hadden hem al uit hun werkelijkheid weggeredeneerd. Ze keken weg en liepen om. Maar de Samaritaan werd met barmhartigheid bewogen. Hij kon het letterlijk niet over zijn hart verkrijgen die man daar zo te laten liggen. Dat is het geloof dat dingen veranderen kan. Ook nu en in deze werkelijkheid. Als we alleen geestelijke dingen geloven, geloven we niet echt. Echt geloof, zo schreven de oude dopers al, merk je aan een “beteringe des levens”. Is die er niet dan zullen er altijd beklagenswaardige mensen blijven: slachtoffers van onrecht en geweld. Dan krijgt Paulus ook gelijk: dan hebben we niet alleen te maken met beklagenswaardige mensen, maar is de mensheid als zodanig beklagenswaardig. Alleen een geloof waarin ruimte is voor lichamelijk gevoel, voor barmhartigheid, kan de mensheid hoop geven. Hoop dat al die doden iet voor niets gestorven zijn.

Amen

Foto: JZ85/Wikimedia Commons

Claudia Pietryga
Claudia deed zowel een sociaal-agogische als journalistieke opleiding en is alweer bijna tien jaar freelance journalist. Ze schrijft het liefste over maatschappelijke onderwerpen en publiceerde onder meer stukken in de Flair, Hallo Jumbo, Spits, Het Parool, diverse blogs, lokale bladen en uiteenlopende (online) media voor met name ondernemers.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *