Thuisblijverspreek – Eric Corsius

Een preek voor mensen die niet naar de kerk gaan. Om allerlei redenen. Een Thuisblijverspreek. Onder deze veelzeggende titel, een vondst van Eric Corsius, plaatst Zinweb op zondagen uitgeschreven preken op Zinprofiel. Juweeltjes van teksten veelal, die de moeite waard zijn om eens goed voor te gaan zitten en nog lang over na te denken. Voedsel voor de ziel.
Zinweb heeft een aantal vrijzinnige voorgangers bereid gevonden om hun preken aan te bieden voor plaatsing op onze website.
Vandaag de eerste preek in deze serie: een preek van Eric Corsius die hij hield op zondag 11 maart in de Remonstrantse Kerk in Eindhoven.

De Tora: reden voor een feestje

Preek in de Remonstrantse Kerk in Eindhoven
Op zondag 11 maart 2012.
Bijbellezingen: Exodus 20 en Psalm 119

De vreugde der Wet: hoezo?
Toen ik in mijn jonge jaren de eerste keer hoorde, dat de Joden een feest kennen dat ze de vreugde van de wet noemen, Simchat Tora, toen keek ik toch wel even op. Als er iets is wat we niet spontaan met elkaar in verbinding brengen, dan is het wel vreugde en wet. Je begrijpt dit Joodse feest pas, als je het levensgevoel van binnenuit kent, waarvan die ellenlange psalm 119 zingt. Het levensgevoel dat in zijn element is bij de Tora, de eerste vijf boeken van onze Bijbel. De belijdende Jood beleeft dit in elk geval blijkbaar zo. In de Tora is hij of zij als een vis in het water.

De Tora lezen: een woestijntocht
Kunnen we ons hierin verplaatsen? Welnu. Om dit gevoel van binnenuit te gaan begrijpen, kun je bijvoorbeeld beginnen met het geduldig lezen van de bijbel. Van voor af aan, letter voor letter. In de hoop dat er een feestelijke vonk overslaat. Menig een heeft dit ook wel eens gedaan. Ik zelf herhaaldelijk. En eerlijk gezegd kom je dan van een koude kermis thuis.

Ten eerste zijn de boeken van Mozes, zoals ze traditioneel ook wel worden genoemd, niet het meest meeslepende proza. Genesis komt je nog fluitend door, enkele dorre geslachtslijsten daargelaten, en het begin van Exodus ook. Het zijn immers de spannende verhalen van de aartsvaders en aartsmoeders en van de vlucht uit de Egyptische dwingelandij. Ze waren goed voor menige Hollywoodproductie. Maar halverwege Exodus wordt het een barre woestijntocht voor de lezeres of lezer. Je verzandt in gedetailleerde voorschriften over de eredienst, reinheid, huwelijksrelaties, exacte aanwijzingen over het maken van kandelaars en de omgang met schimmelvorming in de muur. Je loopt er in vast – tenzij je van dit boekhoudproza houd of je graag laat hypnotiseren door de monotone opsommingen en herhalingen, door dit literaire canto ostinato. (Dat kan overigens wel degelijk, als je in de juiste stemming bent: zo raak ik soms wel in de ban van de geslachtslijsten of van zo’n mantra-achtige Psalm 119. Maar dit terzijde.)

Maar er is meer dat ons hindert, dan alleen dit telefoonboekproza. Het is óók het soms wat, in onze ogen, atavistisch aandoende godsbeeld: dat beeld van een rechtlijnige en strenge God, dat hameren op god en gebod, die dominantie van verboden, die nadruk op wat allemaal niet mag, die vrij rigoureuze straffen die staan op in onze ogen lichte vergrijpen enzovoorts.

Door de tekst heenkijken
Fijn besnaarde Bijbellezers en geoefende Mozesfans zullen dit beeld meteen weerspreken. Het is een cliché om zo te spreken over de Tora, benadrukken ze. Je kunt wel degelijk de Tora ook actualiserend lezen en vertalen naar ons hedendaagse levensgevoel. Je kunt proberen om door de afzonderlijke, gedetailleerde geboden en het sanctiesysteem héén te kijken. Wat je dan ziet is geen primitieve God die als een tiran wetten oplegt en de overtreders op draconische wijze straft. Wat je wel ziet: dat is een diepe levensernst, een elementair besef van goed en kwaad. Dat is toch uiterst universeel, die levensernst?

En hoezo strengheid? Staat achter deze strengheid staat juist een grote compassie? Klopt niet een hart van vurig meedogen in de Tora? Meedogen met de slaaf? Meedogen met de vreemdeling, de weduwe en wees, de verstoten vrouw, de uitgebuite dagloner? De tekst van de zogenaamde tien geboden, het hart van de Tora, begint overigens – het wordt vaak over het hoofd gezien – met het visitekaartje dat God afgeeft: “Ik ben de God die jullie uit Egypte heeft bevrijd.” De geboden zijn met andere woorden verankerd in de herinnering aan en het verhaal van de bevrijding. De geboden komen niet uit de lucht vallen. Ze zijn de vrucht van een ervaring. Het is niet zo maar een God die hier spreekt en het zijn niet zomaar geboden, die hier worden geproclameerd. Nee: het is deze God, deze bevrijdende God. En het zijn specifieke geboden, voorschriften die een eind willen maken aan knechting en slavernij. Niet voor niets wordt bij het sabbatgebod uitdrukkelijk heel inclusief gesproken. De vrijheid van de laatste dag, dat onderpand en voorproefje van het Rijk Gods, is er voor iedereen, de minsten incluis. Gods mensen zijn niet in de wieg gelegd als slaven, maar in vrijheid geboren. Dat wordt hier gezegd. Leef daarnaar, zegt de Tora. Leef naar dat Rijk van de Vrijheid toe. De geboden zijn een voorproefje daarvan, dat wij zelf in de hand hebben.

Oud en Nieuw
Maar dan nog. Het ernstige levensbesef en die ethiek van de compassie, waarvoor God als Wetgever garant staat: dat past natuurlijk allemaal niet zo goed bij een ‘god die gebeurt’, niet bij een postpersoonlijk godsbeeld a la Hendrikse. Het pas evenmin bij het persoonlijk godsbeeld van de mild-rechtzinnigen en katholieken, die God graag als de Grote Mensenvriend voorstellen, een soort Uiterst Aaibare en Knuffelbare Edwin Rutten.

In deze laatstgenoemde kringen – vergeeft u mij dat ik even een aantal stromingen op een hoop gooi – wordt er doelbewust een theologische tegenstelling onderhouden. Kort door de bocht wordt het als volgt voorgesteld. Het zogenaamde Oude Testament is de godsdienst van de ethiek, van een humorloze god die ons voortdurend geboden en verboden voorhoudt, die ons een knagend geweten geeft en die ons voortdurend morele hoofdbrekens bezorgt. Het Nieuwe Testament heeft hieraan een einde gemaakt – of het tenminste overtroffen. Er is immers meer dan ethiek: er is ook en vooral de verzoening, de vergeving, de aanvaarding, de god die liefdevol over zijn hart en ons over de bol strijkt als we moreel in gebreke zijn gebleven. Mozes en de Profeten hebben ons God als Grote Wetgever leren kennen. Jezus heeft God leren kennen als de moederlijke Vader.

Hierin wordt dan tevens het eigene en de meerwaarde van het christendom gezien in onze wereld. Het christelijke geloof is meer dan moraal, zo wordt ons gezegd. Ethiek is wel belangrijk, maar die kan iedereen wel hebben, zelfs de humanisten en agnosten. (Waarbij dat woordje ‘zelfs’ met de nodige laatdunkendheid wordt uitgesproken.) Ethiek is een menselijke uitvinding. Maar er is meer. De Liefde, met een grote L. Voor ethiek heb je geen religie nodig. Voor de Liefde echter moet je bij ons zijn, de Christenen.

De tegenstelling tussen oud en nieuw en de Liefde als unique selling point van het christendom: het zijn klassieke vormen van ‘framing’, pogingen om onze gedachten een bepaalde kant op te sturen – vaak met succes.

Godsbeeld
De vrijzinnige traditie – althans voor een deel – probeert zich te verweren tegen deze framing. Die schrikt niet zo terug voor de vereenzelviging van religie en ethiek. Er is ook een sterke vrijzinnige stroom die niet zo veel heeft met verzoening en vergeving. Bijvoorbeeld omdat de verzoeningsgedachte van alles met zich meebrengt, waar de vrijzinnigheid wars van is. Juist de verzoeningsgedachte gaat immers uit van een paternalistisch, neerbuigend godsbeeld. Het beeld van de mens die geen knip voor de neus waard is en uiteindelijk alleen maar kan worden gered door een grote hand die over een nog groter hart strijkt. De verzoeningsgedachte benadrukt, meer nog dan het beeld van God als Wetgever, het ongelijkwaardige van de relatie God-mens. Liefde mag je nederig en dankbaar aanvaarden. De ethiek spreekt de mens juist aan op kracht en zelfstandigheid. Ook in deze liberale opvatting kun je natuurlijk doorschieten, maar ik denk dat het een belangrijk correctief is op de Knuffelgod van de Middenorthodoxie.

Ethiek: geen overbodige luxe
Het is overigens een merkwaardige veronderstelling, dat het onderhoud van de ethiek gemeengoed is en dat ‘wij christenen’ ons daarmee niet hoeven te vermoeien. Alsof het vanzelf spreekt dat alle mensen goed zijn en de ethiek koesteren. Alsof een ernstig, moreel levensbesef niet bijzonder is. Alsof ethiek zichzelf wel redt en niet kwetsbaar is. Het humane vergt integendeel een speciale cultuur – hoe universeel het inhoudelijk ook is. De ethiek is bovendien een geschenk, ja een liefdesgeschenk, een geschenk om ‘u’ tegen te zeggen, en een geheim om het hoofd voor te buigen. Iets religieus in zichzelf dus.

Zelfs als we kijken naar dat meest elementaire ‘Gij zult niet doden’, die kern van de tien geboden: dan spreekt dat niet vanzelf. Daarvoor hoef je maar om je heen te kijken. Slordig omgaan met mensenlevens is niets uitzonderlijks. Een cynische uitingsvorm daarvan is de manier waarop nieuwsmedia de teller bijhouden van dodelijke slachtoffers van conflicten: in Afghanistan en Irak, in Lybië en Syrië etc. Dagelijks zien of horen we de teller oplopen. Juist zoiets vanzelfsprekends en gewoons als elementair menselijk respect en de onaantastbaarheid van het leven: het is feitelijk alles behalve vanzelfsprekend en normaal.

Het is al met al geen bijzaak om ons bewust te zijn van dat geschenk van de Ethiek en om dat geschenk te koesteren. Juist de kwetsbaarheid van het ethische levensbesef vraagt, zoals gezegd, om een cultuur, waarin ze kan gedijen, een gemeenschap, een beweging van toegewijden. Noem het een religie, een kerk. En natuurlijk hebben wij daarop niet het patent. Er zijn andere bewegingen die ook zo’n cultuur van ethiek willen – zoals humanisten en kringen van kunstenaars, politici en wetenschappers, die het zich tot taak hebben gesteld een cultuur van het humane in stand te houden. Daarmee zoeken we verbinding, zo valt te hopen. Daar horen wij gewoon bij als kerk. Het is niet beneden onze stand om, samen met anderen, te waken over dat kwetsbare geheim van de ethiek.

Tenslotte
De uitdrukkelijke aandacht voor ethiek en humaniteit – als ik zo de universele kern van de Tora mag typeren – is geen overbodige luxe. Dat is misschien wel het cruciale punt. De Tora is immers het middelpunt, het centrum van onze beschaving, het grote onaantastbare kerngeheim (een ‘taboe’ in de juiste zin van het woord), de kwetsbare hoeksteen waarop onze universele civilisatie rust. Hieruit vloeien alle zogenaamde ‘fatsoensnormen’ voort. Zo versta ik ook de Bergrede van Jezus, waarin deze het kerngebod uitbreidt en uitdiept – en uitdrukkelijk niet afschaft. Hij handhaaft uitdrukkelijk elk stipje en elke komma. (Want juist die aandacht voor het detail is een teken van toeleg en toewijding of – zoals Levinas het noemt – niet-onverschilligheid.) Hiervan uitgaande heeft het gebod een innerlijke kracht en dynamiek, waardoor het het middelpunt vormt van een uitdijend ethisch heelal. Dat is misschien wel dat ‘onbegrensde’ waarnaar Psalm 119 verwijst: “Aan alles, hoe volmaakt ook, zag ik een einde, maar uw gebod is grenzeloos ruim.” De Tora heeft iets universeels, verbindends. Dat universele zit misschien in dat kloppende hart van die veeleisende compassie.

De vreugde der Wet. Het is een feest om jaloers op te zijn. Een feest van de humaniteit. Alles wat waardevol en kwetsbaar is verdient immers een feestdag. Waarom dan niet de kern van onze beschaving? Het hart van ons bestaan? De geraaktheid door het menselijke? Het menselijke? De mens?

Leve de mens!

Eric Corsius
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *