Spiritualiteit werkt in de opvoeding (6/7)

Elk weekend op Zinweb: het boek Spiritualiteit werkt in de opvoeding van Vincent Duindam. Hij is psycholoog en geeft les bij onder andere de Universiteit Utrecht. Hij doet onderzoek naar onderwerpen als ouderschap, zorgende vaders, taakverdeling, relaties en mannelijkheid en vrouwelijkheid. Duindam publiceerde negen boeken, waaronder een haikubundel over zijn dochters. Op dit moment verbindt hij inzichten uit zowel de positieve psychologie als de grote spirituele tradities met de thema’s ouderschap, onderwijs en relaties. Hieronder hoofdstuk 6 ‘Humor’ van zijn boek Spiritualiteit werkt in de opvoeding.

Bij alle uitspraken over kinderen is het leuk om in plaats van ‘kinderen’ eens ‘ouders’ in te vullen. Wanneer het gaat om jouw uitspraken over je eigen kinderen kun je gewoon jezelf, ‘mij/ik’ invullen in plaats van hen. Zo is er wel eens geschreven: het best bewaarde geheim is dat het eigenlijk verschrikkelijk is om kinderen te hebben. We kunnen dus zeggen: het best bewaarde geheim is dat het eigenlijk verschrikkelijk is om ouders te hebben. Daar valt iets voor te zeggen… In spirituele kringen hoor je wel eens: denk je dat je al verlicht bent, ga dan maar een weekeinde bij je ouders logeren. De boodschap is dat je daar heel snel terugvalt in oude geconditioneerde patronen.

Eigenlijk vormen onze negatieve uitspraken over onze kinderen en ouders één geheel. Het pijnlijke is: naarmate je zelf meer in negatieve oordelen over je eigen ouders blijft hangen, hebben je kinderen minder kans dat je ze echt zult waarnemen zoals ze zijn. Grappig, maar in wezen tragisch is dit verwoord door Clarence Darrow: ‘De eerste helft van je leven wordt verpest door je ouders, de tweede helft door je kinderen.’

Een ongelukkige jeugd is niet alleen kommer en kwel, het is bijvoorbeeld óók een goudmijn voor schrijvers en andere kunstenaars. Zo’n hinderlijke bron van pijn, zo’n rugzak oude rommel geeft voortdurend spanning, die creatieve geesten om kunnen zetten in kunstzinnige producten. Zou hier niet hetzelfde gelden voor opvoeding en ouderschap? De moeizame en ongelukkige momenten vormen een spanningsveld dat we net zo goed creatief kunnen inzetten. Laten we onze opvoedingspijn creatief verwerken, en niet op rekening van onze kinderen.

We hoeven misschien niet de Hugo Claus of Ida Gerhardt van het ouderschap te worden, maar het is wel goed om met humor naar onze kinderen en naar onszelf te kijken. Waarom niet een klein beetje cabaret, waarin je hun rollen speelt, of een mooi levenslied, of een rap waarin je eens lekker al je frustraties uitzingt:

‘Als het je hier niet zint,
zorg maar lekker voor jezellef, kind,
zorg maar dat je snel een kamer vindt…’

Of schrijf haiku’s:

Ouders in de klas;
ze werpt een woedende blik,
als pap zijn keel schraapt.

Waardeer ook de humor van je kinderen. Kinderen houden je een spiegel voor. Ik vroeg eens: ‘Wat bedoel je?’ Zei mijn dochter: ‘Precies zoals ik het zeg.’ Precies zoals ik zelf zou kunnen antwoorden. Laatst, toen ik mijn dochter herinnerde aan onze afspraak dat ze vaak naar de sportschool zou gaan, kreeg ik als weerwoord: ‘Ik hoef toch niet jouw voeten te kussen, omdat jij de sportschool betaalt!’ 

Meestal kun je beter in lachen uitbarsten dan boos worden. Beter humor gebruiken dan in een refl ex schieten van rancune of verwijt. Beter het komische van de situatie zien, dan jezelf beklagen. Het haalt veel van de zwaarte weg. Mijn dochter moest van mij minimaal twee avonden vrij plannen, omdat haar leven zo druk en hectisch was. Deze chill-avonden moesten ook in de agenda genoteerd worden, zodat alles goed zou lopen. Wat kreeg ik met Sinterklaas? Een mooi gedicht met een ‘chill-agenda’. De mooie woorden van de antroposoof Loek Dullaart schoten me te binnen: ‘Mediteer maar op je sinterklaasgedichten, want ze houden je een spiegel voor.’ Humor is ook altijd hier en nu leuk, dus een innerlijk doel.

Het gaat er dus om de spanningen wel te zien, te erkennen, te voelen en je te realiseren dat er altijd een verwevenheid is tussen jouw geschiedenis, je eigen opvoeding en die van je kinderen. Vervolgens mag je dit in een grotere ruimte plaatsen, met stilte omringen. Dat kun je doen door gebed of meditatie, maar ook door humor. In al deze gevallen komt er een milde relativering. Je bent niet meer het middelpunt van het heelal. Je hoeft dus ook niet meer de wereld op je rug te torsen. Wanneer je meditatie diep genoeg is of je cabaretvoorstelling raakt de kern, dan wordt de verdubbeling doorbroken. Dan is er niet meer het verleden dat zich voortzet in het heden. Dan ben je in het NU met elkaar verbonden.

De truc van de therapeut

Sommige psychotherapeuten gebruiken de volgende techniek. Er komt een stel in relatietherapie. De therapeut vraagt beiden om voor zichzelf een lijstje te maken van wat er momenteel zo problematisch is in de relatie. Ze moeten lijstjes maken: wat ik zo moeilijk vind aan jou, wat ik problematisch vind aan jou, wat mij stoort in jou, wat ik graag zou willen veranderen in jou. Dat wil meestal wel aardig lukken. Om beurten worden de lijstjes voorgelezen. Dan komt de clou. Nu moet ieder opnieuw het lijstje voorlezen, maar telkens waar de partner staat, moet je nu ‘mij’ en ‘mijzelf’ invullen in je eigen lijstje. Dus: wat mij stoort aan mezelf, wat ik zo graag in mezelf wil veranderen, is…

Voor de meeste mensen is dit eerst heel vreemd, maar al snel wordt er ook hartelijk gelachen en je ziet: ja, daar zit toch ook iets in. Vaste patronen en ideeën over jezelf en de ander worden even in beweging gebracht. Humor relativeert de zwaarte en door deze methode van omkeringen wordt opeens ook zichtbaar dat wij soms ons eigen gedoe en onbehagen op onze partner projecteren. Kinderen weten dat ook. Tenminste, in mijn jeugd riepen we bij ruzies altijd naar elkaar: ‘Wat je zegt, ben je zelf!’

Vrouwen en mannen besteden ook vaak dingen bij elkaar uit. Als een vrouw emotioneel wordt bij moeilijke gebeurtenissen, dan kan het zijn dat zij dat eigenlijk namens beiden wordt. Hij hoeft geen traan meer te laten, dat doet zij al. Hij kan haar troosten en geruststellen; dat heeft zij weer bij hem uitbesteed. Hij projecteert zijn eigen emoties op haar en is er zelf dan mooi vanaf. Roel den Dulk, hulpverlener en schrijver van De androgyne engel, zegt erover: 

‘Het is heel makkelijk om te projecteren op, of uit te besteden aan anderen. Vooral als die anderen van het andere geslacht zijn. Het is heel wat moeilijker, lastiger en vaak pijnlijker om naar alles wat je aan anderen toeschrijft in jezelf op zoek te gaan en toe te laten. Maar het is tegelijkertijd ook veel spannender en uitdagender om te doen. Het maakt je completer.’

Den Dulk geeft het advies om de vertegenwoordigers van het andere geslacht als een spiegel voor jezelf te gebruiken. Probeer jezelf in hen te zien. In zijn boek heeft Den Dulk en groot aantal sprookjes en verhalen verzameld die vrouwen en mannen hierbij zouden kunnen helpen. Zo vertelt hij over Sneeuwwitje. Als je er bijvoorbeeld als man in slaagt om het beeld van de boze stiefmoeder niet uitsluitend in je vrouw, vriendin, moeder of cheffin te kunnen waarnemen, maar haar ook in jezelf te ontdekken, dan kom je echt een stuk verder. Op die manier bevrijd je niet alleen jezelf van je innerlijke stiefmoeder, maar het verbetert ook je relaties met de vrouwen in je leven.

Wat is het voordeel van werken met sprookjes? Den Dulk:

‘Mijn ervaring is dat door te beginnen bij een universeler beeld dan de daadwerkelijke “boosdoener” van vlees en bloed als de partner, baas, ouder, mensen sneller bereid zijn om in de eigen diepte terecht te komen.’

Omkeringen werken in het algemeen humoristisch, en vaak bevrijdend. Toen ik het een keer (te) druk had, keek ik met onze dochters naar een dvd van Charlie and the Chocolate Factory, naar het kinderboek van Roald Dahl. Op een bepaald moment zegt Willy Wonka, directeur van de Chocolade fabriek: ‘There’s so much time and so little to do’: er is zo veel tijd en zo weinig te doen. Eerst kon ik die omkering amper horen. Ik hoorde gewoon: ‘There’s so little time and so much to do.’ Pas toen mijn dochter me op die omkering wees, kon ik het überhaupt horen. Daarna schreef ik het bovenop mijn agenda. Het gaf opeens veel ruimte. 

De meest radicale omkering die ik ken, wordt ons door Jezus gegeven. Hij zegt: ‘Je moet jezelf verliezen om jezelf te vinden.’ Dit is misschien wel de moeder aller omkeringen. En Franciscus vulde Jezus’ uitspraak in: ‘Want als we geven ontvangen we; als we vergeving schenken ontvangen we vergeving; als we sterven worden we geboren tot eeuwig leven.’

Het gaat erom jezelf leeg te maken, zodat die ruimte door God gevuld kan worden. Het eerste gebod stelt dat je niet tot afgoden mag bidden. Het ego kan een afgod worden. Je hebt een beeld van jezelf gemaakt, en dat moet verdedigd en beschermd worden. Een van je kinderen levert kritiek, een zorgvuldig bedacht plannetje gaat niet door: vaak is woede het gevolg. Je imago heeft een deuk gekregen. Direct komen er allerlei verdedigingsmechanismen in werking. De kritiek deugt niet, je tegenstander snapt er niets van. Wat een rust zou het geven wanneer niet in elke situatie je ego mee resoneerde. Het grootste deel van je stress zou meteen wegvloeien.

Daarom vinden we in alle grote kloostertradities ascetische oefeningen, die je trainen om overbodige ballast kwijt te raken. Bekend is natuurlijk het matige eten en drinken, maar interessanter nog is dat men tijdens bepaalde perioden bewust minder informatie tot zich neemt. Weg met de infostress! Het meest verrassende is: je periodiek oefenen in de zorgeloosheid. Bewust oefenen om je geen zorgen te maken, niet te piekeren, in volledig godsvertrouwen te aanvaarden wat er op je afkomt. Anders zou je jezelf en je eigen zorgen te veel als middelpunt van de wereld gaan zien, en dat is niet de bedoeling: elk persoonlijk probleem wordt beschouwd als egowerk.

Zie je kind niet als tegenstander

Al die omkeringen kunnen ons helpen ons kleine zelf niet in het centrum van de wereld te plaatsen, onszelf minder serieus te nemen. Dat doe je door je eigen oude conditioneringen en pijnpatronen zoals angst, wrok, jaloezie, woede en begeerte onder ogen te zien en te stoppen die op je kinderen te projecteren. 

Het is heel belangrijk om te zien dat het een wedstrijd is met jezelf en niet met anderen – waarbij ik overigens niet bedoel dat je jezelf pijn moet doen. Ik kan hier de voetballer Philippe Cocu citeren. ‘De tegenstander is niet zozeer het probleem. We speelden een wedstrijd tegen onszelf.’ Wat voor PSV geldt, geldt in dit geval ook voor onze spirituele ontwikkeling.

Als we onze oude mentale en emotionele rommel durven opruimen, kan alles weer gaan stromen, zoals een fontein die lang verstopt heeft gezeten, zodat er meer ruimte en overzicht komt. Hoe lastig kunnen wij op ons werk zijn, hoe stekelig in ons gezin of in onze intieme relaties? Waar storen we ons het meest aan bij onze kinderen, geliefden? Hun botheid, onverschilligheid, hun vijandigheid, hun luiheid, hun loslippigheid, het geroddel, de woedeuitbarstingen, onbetrouwbaarheid, hun somberheid, hun berekenendheid? We kennen nu de clou: waar kunnen we dit in onszelf herkennen? En wanneer we bijvoorbeeld onze eigen woede onder ogen kunnen zien, mogen we die met mildheid bekijken.

Het doorzichtig of transparant maken van onze eigen oude pijnpatronen en conditioneringen bevrijdt onszelf – en anderen. Op een voor ons nu misschien wat wonderlijke wijze is dit ook al verwoord door Paulus. Hij schreef:

‘Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven.’ (Romeinen 8, 13).

Vanwege een verkeerd begrepen onderscheid tussen vlees en Geest is deze zinsnede nogal eens ingezet op een manier die voor veel misverstanden en ellende heeft gezorgd. Vaak werd (en wordt) gedacht dat het zou gaan om het verschil tussen lichaam en ziel. Daarbij zou het lichaam slecht en zondig zijn, want dierlijk en seksueel, en de ziel verheven. Een grote vergissing, volgens de Amerikaanse benedictijn Don Talafous. Ons lichaam is niet onze tegenstander. In Genesis lezen we al dat God buitengewoon blij was met zijn hele schepping, ook die van het lichaam. 

Jezus laat bovendien vaak zien – bovengenoemde voorbeelden zijn tekenend – dat de oorzaak van veel ellende ‘tussen onze oren’ zit. Ten slotte: waarom zou God zo veel moeite doen om Jezus uit de dood op te laten staan, wanneer het lichaam onbelangrijk en onwaardig zou zijn? Volgens Talafous heeft Paulus het niet over het onderscheid tussen een materieel en een onzichtbaar spiritueel deel van de mens: naar het vlees leven betekent bij Paulus eerder een leven dat gedomineerd wordt door waarden ‘van de wereld’, waar uiterlijk en uiterlijkheden belangrijker zijn dan inhoud en innerlijk. Waar geld en status meer gewaardeerd worden dan goedheid en tederheid. Waar men niet geeft, maar investeert. Naar de Geest leven betekent dat je je laat leiden door liefde, geduld, vrijgevigheid, vergevingsgezindheid, ruimhartigheid en mededogen.

Geestrijk leven

Dus wanneer we belangeloos proberen te leven, liefdevol en geduldig, laten we onze oude cocon los, komen we wat losser van ons beperkte, instrumentele zelf. ‘Leven naar de Geest’ betekent vrijer leven. Een goede oefening is om telkens jezelf in je kinderen proberen te herkennen, en je kinderen in jezelf. Hebben zij dan niet hun eigen beperkingen? Natuurlijk wel, maar het is hún opdracht daar iets mee te doen, niet de onze. Onze eigen opvattingen, gevoelens, ideeën, gedrag liggen veel meer in ons bereik.

De uitdaging is om hier op een milde een speelse manier mee aan de slag te gaan. Wanneer iemand je stekelig benadert, kun je een klap teruggeven; dat is een zogenaamd natuurlijke reactie. Je kunt ook zeggen: dat is een reactie op de automatische piloot. Wat meer geduld doet niet alleen de ander goed, maar ook jezelf. Loop een eindje om, tel tot tien, en reageer dan pas.

‘Leven naar het vlees’ is een investering doen, iets geven om wat terug te krijgen. Als dat niet lukt voel je je slachtoffer, boos, rancuneus of verdrietig: je kreeg niet waar je recht op had, je investering heeft zich niet terugbetaald. Maar als je vrijgevig bent, weersta je de neiging om vast te houden aan wat je denkt voor jezelf nodig te hebben aan tijd en bezit. Juist daardoor schept de beoefening van vrijgevigheid een sfeer van rijkdom in onszelf en onze omgeving tegelijk. De boeddhistische auteur Han de Wit zegt het zo:

‘In de daad van het geven laten we immers onze angst los dat we datgene wat we geven zélf nodig zouden hebben om (ervan) te leven.’

Kinderen nodigen ons daartoe voortdurend uit, in elke leeftijdsfase weer op een andere manier. De omkering, vaak met subtiele, lichte humor, kan ons dus helpen om de mist van ons eigen dikke ego te laten optrekken, zodat de plek waar God in ons woont zichtbaar wordt. En dan sta je direct in contact met jezelf, en de Ander.

Volgend weekend het 7e en laatste hoofdstuk – ‘Loslaten’.
Kijk hier voor een overzicht van eerdere hoofdstukken. 

Copyright tekst en beeld: Vincent Duindam

Vincent Duindam
Vincent Duindam is psycholoog. Zijn onderzoek naar ‘zorgende vaders’ werd erg bekend. Op dit moment verbindt hij inzichten uit zowel de positieve psychologie als de grote spirituele tradities met de thema’s ouderschap, onderwijs en relaties.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *