Spiritualiteit werkt in de opvoeding (3/7)

De komende tijd elk weekend op Zinweb: het boek Spiritualiteit werkt in de opvoeding van Vincent Duindam. Hij is psycholoog en geeft les bij onder andere de Universiteit Utrecht. Hij doet onderzoek naar onderwerpen als ouderschap, zorgende vaders, taakverdeling, relaties en mannelijkheid en vrouwelijkheid. Duindam publiceerde negen boeken, waaronder een haikubundel over zijn dochters. Op dit moment verbindt hij inzichten uit zowel de positieve psychologie als de grote spirituele tradities met de thema’s ouderschap, onderwijs en relaties. Hieronder hoofdstuk 3 ‘Je eigen spiritualiteit’ van zijn boek Spiritualiteit werkt in de opvoeding.

Kijk hier voor een overzicht van eerdere hoofdstukken.

Hoe verhoud je je tot je eigen traditie? Daarmee bedoel ik twee dingen. Op de eerste plaats: hoe verhoud je je tot je opvoeding, tot de boodschappen die je mee gekregen hebt? Hoe zou je de belangrijkste boodschap in één zin samen kunnen vatten? Slaap daar eens een nachtje over. Was dat: ‘Wat er ook gebeurt, we houden van je’? Of eerder: ‘Wat ging er mis vandaag?’ De tweede vraag is: hoe verhoud je je tot je religieuze of spirituele wortels? Die zijn er altijd – ook als je niet godsdienstig bent opgevoed.

Ideeën, opvattingen, gebruiken, beelden zowel van je ouders als uit je spirituele traditie, kunnen zowel bevrijdend zijn als beklemmend. Op een bepaald moment moet je je hier bewust toe verhouden. Wat laat je los, wat neem je mee? Wat stel je ter discussie? Vaak zijn deze twee lijnen ook vermengd. In dit hoofdstuk vertel ik hoe dat bij mij ging. In eerste instantie had ik nogal wat kritiek op mijn ouders en op mijn katholieke opvoeding. In de loop van het proces ben ik daar veel milder over gaan denken.

In elk geval, en dat geldt zowel voor onze ouders als voor onszelf, zijn je daden belangrijker dan je woorden. Je eigen voorbeeld is het meest invloedrijk. Je opvoeding is het leven dat je voorleeft. Je eigen spiritualiteit (her)ontdekken en daarnaar leven, heeft meer effect dan dat je je kinderen spirituele lessen geeft. Je kunt ze leren mediteren, maar mediteer dan ook zelf. Durf te bidden – als dat je iets zegt. ‘Zijn’ is daarbij in wezen nog belangrijker dan ‘doen’. De ‘to be’-lijst is belangrijker dan de ‘to do’-lijst. De manier waarop je dingen met de kinderen doet, hoe je met ze omgaat, hoe je ze benadert, is essentieel. Vanuit welke houding gebeurt dat? Dat betekent ook dat je niet inconsequent moet zijn. Wees geen ‘televisiedominee’ die zelf doet waar hij eigenlijk tegen is. Kinderen zijn kleine spionnetjes. Hypocrisie prikken ze zonder moeite door.

‘When I see a five-year-old watching me, I feel as though Sherlock Holmes is on my track. I can almost hear him saying, Elementary, my dear Watson. I can see the inconsistency between his word and deed quite clearly.’

(Als ik een vijfjarig kind naar me zie kijken, heb ik het gevoel dat Sherlock Holmes mij bestudeert. Ik kan hem haast horen zeggen: Dat is de kern van de zaak, beste Watson. Ik zie heel duidelijk dat zijn daden niet kloppen bij zijn woorden.)

Eknath Easwaran 

Leef je in overeenstemming met je ideeën? Leef je je eigen legende? Ben je gelukkig? Wat reik je ze aan? Je eigen rust, vreugde, stilte? Of je onrust, ongeduld en pijn? Kun je van je kinderen genieten? Op veel momenten geniet ik met onze dochters: vanaf de Barbiepaleizen die ze bouwden tijdens de lagereschoolperiode tot en met wat onze jongste dochter zich onlangs afvroeg: ‘Hoe komt het toch dat jullie zo oppervlakkig zijn?’. Zeker wanneer je kinderen in de puberteit belanden, gaan ze je testen als hun goeroe: kun je het allemaal zelf ‘waarmaken’? Hoe ga je om met emoties, met woede, met kritiek, met irritaties? Hoe ga je om met wat er in je eigen leven maar niet lukt? Hoe deal je met teleurstellingen?

Als je hebt gezorgd voor vrede in jezelf, kun je zorgen voor vrede om je heen, zegt Anselm Grün. Dat betekent dat je pas op dát moment je kinderen kunt zien zoals ze echt zijn. Dat kun je ook helder waarnemen wat ze nodig hebben en hoe jij daarin kan voorzien. Tot die tijd blijf je onvermijdelijk je kinderen zien door een mist van pijn en verlangen – en dan betalen zij een prijs voor onze ‘onbewustheid’.

Ondanks dat moeten we vermijden dat we onszelf te kritisch bejegenen. Het is duidelijk dat we fouten maken. We moeten dat onszelf telkens vergeven en heel geduldig met onszelf zijn. Zo kunnen we ook onze kinderen hun (noodzakelijke) fouten laten maken, hen vergeven en eindeloos geduld met ze hebben. ‘Be a tycoon of tenderness, be patient’ (wees een kampioen van de tederheid, wees geduldig), zegt Eknath Easwaran.

De reis naar mijn eigen spirituele roots

Precies veertien jaar geleden hield ik een lezing op een internationaal congres over vaderschap. Ik vertelde over de ervaringen van ‘mijn’ 182 Nederlandse vaders die bewust parttime werkten omdat ze ook graag voor de kinderen wilden zorgen. Ik citeer een van deze mannen:

‘Grijp je kans, want het kan maar één keer en het gaat snel voorbij. Dan zul je later tenminste geen spijt hebben, niet lijden aan een midlifecrisis en niet als een teleurgestelde, uitgerangeerde opa door het leven gaan.’

Een Amerikaanse collega meende dat dit betoog erop neerkwam dat je je tegen een midlifecrisis zou kunnen ‘inenten’ door middel van zorgend vaderschap. Ik vond dat een heel mooi beeld dat ik sindsdien vaak gebruikte. Maar in de zaal vond iedereen dit een schandelijke suggestie. Het riep felle reacties op. Zelfs in de lezingen van de dag erna werd hierop teruggekomen. Uit later onderzoek dat ik deed, bleek overigens dat de vader die ik aanhaalde het gelijk meer aan zijn kant had dan mijn critici.

Het is ironisch, en misschien een les in bescheidenheid, dat ik mezelf een paar jaar geleden plotseling in woelig water bevond. Onze dochters stapten vol enthousiasme de puberteit binnen. De tijd dat zij samen op de lagere school zaten was een heerlijke tijd geweest. Het was een geluk om op de zandbakrand te zitten, en die meiden naar buiten te zien stormen; altijd vol vuur en open voor plannen en ideeën. Nu was de oudste naar de middelbare school en de jongste had duidelijk gemaakt dat ze niet meer gebracht en gehaald wilde worden. Ze was nu groot genoeg – en daar had ze ook groot gelijk in.

Maar ik liep bevreemd over de speelplaats. Over een tijdje zou ik hier helemaal niet meer komen; dan was de lagereschoolperiode afgelopen. Ondertussen waren er thuis ook pittige discussies. Over naaldhakken, feloranje oogschaduw, haarlak, dubbele oorbellen (twee gaatjes per oor laten prikken), bedtijden, wat een goede leeftijd zou zijn om erotische verkenningen uit te voeren (‘Pap, ik maak zelf wel uit wanneer ik met iemand naar bed ga!’) en de groenten uit het ODIN-groentepakket (‘Je denkt toch niet dat ik dit ga eten. Je weet dat ik dat vies vind!’) Dat ging er wel eens fel aan toe. Als ik dan verzuchtte: je zit echt in de puberteit, was het antwoord: nee, het is jouw midlifecrisis.

Achteraf kan ik wel zeggen: we hadden allebei gelijk. Zelfs in de meest hectische periode waren er toch ook veel vrolijke momenten. Bijvoorbeeld toen mijn oudste dochter mijn ideeën zo achterhaald vond, dat ze me voor ‘fossiel’ uitschold. Het ‘Op een mooie pinksterdag’-gevoel.

Toen ik daar zo op de speelplaats liep, realiseerde ik me dat ik nu twintig jaar les gaf aan de universiteit. Mocht ik mijn pensioen halen, dan lagen er ook nog twintig jaar voor me. Dat idee bezorgde me geen groot gevoel van innerlijke vreugde, maar eerder van leegte of zelfs paniek. Alles was in een vloek en een zucht voorbijgegaan. De mooiste jaren. Ondanks mijn parttime werk, ondanks twee keer ouderschapsverlof, ondanks dicht bij huis werken, ondanks flexibel werken, ondanks thuiswerken. De lagereschoolperiode leek nooit te zullen eindigen, maar nu het einde in zicht kwam, leek het alsof alles afgelopen was. Telkens klonk het lied van Brahms in mijn hoofd: met je veertigste ben je op de top van de heuvel, de heenweg leek lang, maar over de top gaat het steeds sneller en voor je het weet ben je beneden.

Achteraf kan ik zeggen dat de crisis die volgde een ‘blessing in disguise’ was. Na een wat moeizame periode kwam er weer rust in mijn leven, meer diepgang en hernieuwd plezier. Ik snapte opeens heel goed de ouders die zo rond hun veertigste toch nog graag hun ouderschap vernieuwden, en ik begreep ook opeens de mannen en vrouwen van deze leeftijd die in paniek hun relatie beëindigden en op zoek gingen naar nieuwe muziek en verre horizonten.

Niet zo lang voor zijn overlijden was mijn vader eens voor mij naar boven gegaan. Hij had er toen al moeite mee de trap te beklimmen, maar hij kwam terug met het boek Zo leeft U zonder Zorgen van Dale Carnegie. Daar had hij indertijd zelf veel aan gehad. Het was ontroerend om zijn potloodstrepen te zien. Niet lang daarna kreeg ik een boekje van de man met dezelfde initialen, Deepak Chopra, in handen. Voortdurend vielen me allerlei parallellen in deze boeken op. Vooral hoe belangrijk het is om voor alles het heden te accepteren.

Een paar jaar later maakte voor het eerst een boek uit de christelijke traditie een grote indruk op me: Binnen Geroepen van Henri Nouwen. Nouwen had dit boek zelf geschreven naar aanleiding van een crisis in zijn persoonlijke leven. In korte dagboeknotities verwerkte hij zijn pijn en hij komt ‘gelouterd’ weer tevoorschijn. Voor het eerst ervoer ik een gebruik van christelijke termen, zonder dat dat een zekere weerzin opriep.

Mijn katholieke opvoeding leek in eerste instantie niet zonder meer een fundament voor spiritualiteit gelegd te hebben. In mijn jeugd was een en ander toch meer gebaseerd op dwang en angst. Naar de kerk moeten, smoezen proberen te verzinnen. De rozenkrans bidden, maar toch meer neurotisch dan oprecht. Gesprekken over ‘jezelf wegcijferen’ en ‘offertjes doen’. Het is voor mij bevrijdend geweest dat allemaal los te kunnen laten.

Zowel de oude Grieken en Romeinen, vooral Epictetus en Marcus Aurelius als het zenboeddhisme gaven me veel meer ruimte om te ademen. Veel minder schuldgevoelens en zondebesef. Nog altijd inspireert Epictetus, een Griek van rond het jaar 50 die zijn loopbaan als slaaf begon, maar uiteindelijk door de Romeinse keizers geconsulteerd werd. Hij had een paar sterke stellingen. Volgens Epictetus zijn het vooral je eigen ideeën die je meestal in de weg zitten. Als je je ergens aan ergert, dan gaat het niet zozeer om wat er zich afspeelt in de wereld als wel tussen je oren. Hij zegt bijvoorbeeld: ‘Indien iemand u ergert, weet dan dat uw eigen oordeel u ergert.’

Dus wanneer je net naar prachtige muziek aan het luisteren bent en daardoorheen klinkt van boven plots de discodreun van je zoon, of de buurman gaat fortissimo orgel spelen, realiseer je dan dat niet die andere muziekjes je storen, maar dat je eigen ideeën je lastig vallen. Het is jouw oordeel dat bepaalt wat je van die situatie vindt, niet wat er in feite gebeurt, want je kunt hier op heel verschillende manieren op reageren. 

Een tweede stelling van Epictetus is dat je alleen maar moet willen veranderen, wat je ook feitelijk kúnt veranderen. Er zijn ook dingen waarop je echt geen invloed hebt: die moet je accepteren. Hier zit een element van overgave in waar wij soms moeite mee hebben, maar toch kan dit bevrijdend zijn. Wat wij werkelijk kunnen beïnvloeden en verbeteren, daarvoor moeten wij ook gaan, maar accepteer wat nu eenmaal zo is: een relatie die verbroken is, een gezondheid die nooit meer zal zijn zoals vroeger.

Ten slotte nog een derde advies van Epictetus: kies in het leven de rol die jou op het lijf geschreven is en (be)leef die met gratie en overtuiging.

‘Als je een rol in een toneelstuk op je hebt genomen die te moeilijk voor je is, dan heb je niet alleen in die rol een flater geslagen, maar heb je tevens de rol die je wel had aangekund laten lopen.’

Hier wordt een bescheidenheid aanbevolen die wij tegenwoordig niet hoog aanschrijven. Misschien kan ik dezelfde boodschap echter duidelijk maken met een tweede joodse wijsheid: Voor het einde sprak rabbi Sussja:

‘In de komende wereld zal men mij niet vragen: Waarom ben je Mozes niet geweest? Ze zullen mij vragen: Waarom ben je Sussja niet geweest?’

Kerken waren intussen mooie grote ‘vakantiehuizen’ voor me geworden. In Frankrijk, Italië, maar ook op Texel, liep ik altijd graag kerken binnen. Om in de banken te zitten, te kijken naar het licht dat naar binnen viel. Me te realiseren hoe al eeuwen lang mensen op deze banken hadden gezeten, vreugde hadden gekend en verdriet. Bovenal waren kerken culturele oases geworden. Ik voelde me er thuis.

Ik maakte in kerken ook een aantal ontroerende momenten mee. Ons huwelijk in de kerk is daar een voorbeeld van. Een oude kwetsbare ‘heeroom’ van mij deed de mis en het sacrament dat je elkaar toedient, raakte mij. Dat gold ook voor de doop van onze dochters, die behoedzaam het zout proefden. De rituelen van de katholieke kerk maakten op zulke momenten iets los. Heel af en toe kwam er ook een preek diep bij me binnen. Dan betrapte ik me erop dat ik al luisterend één of twee woorden opschreef.

Maar de priester en psycholoog Henri Nouwen heeft een fundamentele omslag bij mij teweeggebracht. Hij koppelt op een eenvoudige en authentieke manier zijn eigen ervaringen en psychologische inzichten aan een christelijke spiritualiteit. Dit maken enkele titels van de hoofdstukjes in zijn boek Binnen geroepen al duidelijk: ‘Ga de plek van je pijn binnen’, ‘Sta open voor de liefde die aan alles voorafgaat’, ‘Vertel in vrijheid je verhaal’, ‘Laat je pijn worden tot de pijn’, ‘Geef je agenda in Gods handen’.

Ik geef drie korte citaten uit Binnen geroepen die mij sterk raakten:

‘Hoe meer liefde je kunt toelaten en innerlijk vasthouden, hoe minder de angst vat op je zal hebben.’

‘Zolang je gewondheid een vreemd element blijft in je volwassen bestaan, zal de pijn zowel jezelf als anderen beschadigen. (…) Je kruis opnemen betekent allereerst: je verzoenen met je gewondheid en van daaruit je eigen waarheid ontdekken.’

‘Je staat telkens opnieuw voor de keus om ofwel God te laten spreken ofwel je eigen verwondheid aan het woord te laten.’

Het lezen van Nouwen maakte me rustig en stil. Heel treffend vond ik ook om bij hem te lezen dat je je spiritueel (en psychologisch) weinig ontwikkelt als je je verhaal telkens opnieuw moet vertellen, en telkens weer opnieuw met dezelfde intensiteit. Het gaat erom dat je je pijn niet alleen doordenkt, maar vooral ook doorleeft, dat de ervaringen je milder maken. Mensen die hun ‘lijdensverhaal’ altijd maar weer opnieuw en met dezelfde intensiteit opdissen, identificeren zich met slachtofferschap. Zoals de ‘internetbenedictijn’ Don Talafous (www.osb.org) het ooit uitdrukte: het eind van slachtofferschap is begin van wijsheid.

Datzelfde thema kwam ik ook tegen in andere boeken die op mijn bureau belandden. De kracht van het nu van Eckhart Tolle bijvoorbeeld. Tolle zal bij de meeste boekhandels in de newagehoek terechtkomen, maar mij viel op dat hij in vrijwel alle thema’s volstrekt vergelijkbaar is met Nouwen. Tolle schrijft bijvoorbeeld:

‘Zolang je voor jezelf een identiteit ontleent aan de pijn, kun je je er niet van bevrijden. Zolang een deel van je zelfbesef verbonden is aan je emotionele pijn, blijf je bij elke poging om die pijn te genezen onbewust geneigd je daartegen te verzetten en haar te saboteren.’

Bij Tolle gaat het om: het NU aanvaarden, leven in het heden, overgave, het loslaten van identificaties met oud zeer. Identieke thema’s vind je ook bij Nouwen. Wat ik ook heb geleerd, is om de moeilijke ervaringen in je eigen jeugd niet langer te nemen als leidraad voor de rest van je leven.

Natuurlijk, ik was en ben nummer elf van de veertien kinderen in een groot katholiek gezin. Zeker, het zou fijn geweest zijn als er vroeger iets meer (onvoorwaardelijke) liefdevolle aandacht voor me was geweest. Net als bij een aantal van mijn broers en zussen zijn gebrek aan zelfrespect en angst voor controleverlies een tijd lang thema’s in mijn leven geweest. Veel van deze problemen weet ik aan mijn gezinsachtergrond. De komst van onze eigen kinderen was balsem op deze wonden. Ik kon voor ze zorgen, me openstellen, onvoorwaardelijk beminnen en bemind worden. Nu zij steeds meer op eigen benen gingen staan, kwamen mijn oude problemen terug; ze leken alleen maar opgelost te zijn.

Opeens lijk je veel minder nodig te zijn – maar in feite ben je nog steeds zeer nodig, zij het op een wat andere manier. Iets meer van afstand. Het wordt in deze periode meer dan ooit van belang het speelse, creatieve, ontvankelijke en kwetsbare in jezelf tot ontwikkeling te brengen, en dus niet langer te proberen om dit bij de kinderen ‘te halen’. Veel vaders die ik voor mijn onderzoek sprak, vonden het immers heerlijk om deel te hebben aan de wereld van kinderen en ‘niet altijd zo’n stijf, groot mens te hoeven zijn’.

Voor mij zelf is het meest wezenlijke spirituele inzicht geweest: de bevrijding voor wie het slachtofferschap loslaat. ‘Mijn lijden’ is gewoon mijn deel van ‘het lijden’ (Nouwen). Ik kan wel zeggen dat ik mijn ouders vergeven heb. Of misschien beter: dat ik mezelf mijn eigen oordelen over hen vergeven heb.

Volgend weekend hoofdstuk 4 – ‘Je kind, je goeroe’.
Kijk hier voor een overzicht van eerdere hoofdstukken. 

Copyright tekst en beeld: Vincent Duindam

Vincent Duindam
Vincent Duindam is psycholoog. Zijn onderzoek naar ‘zorgende vaders’ werd erg bekend. Op dit moment verbindt hij inzichten uit zowel de positieve psychologie als de grote spirituele tradities met de thema’s ouderschap, onderwijs en relaties.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *