Spinoza in het Vaticaan

Met veel belangstelling volg ik in de kranten de publicaties over de vondst van het afschrift van Spinoza’s Ethicain het Vaticaan. Inmiddels is het door Leen Spruit & Pina Totaro gevonden document in een even onbetaalbaar als schitterend boek bij de uitgever Brill in druk verschenen.  Een mooi resultaat dat het onderzoek, afgaande op de gegevens die nu openbaar zijn gemaakt, alleen maar ten goede zal kunnen komen.

Goed dertig jaar geleden deed ik zelf ook onderzoek in het Vaticaan. Het bezoek was zorgvuldig voorbereid. Ik schreef brieven – in het Frans zo werd mij geadviseerd – aan de prefect van Bibliotheca Vaticana en het Archivio Segreto. Ik herinner me bij eerste toegang nog dat hij op een verhoging in de studiezaal van achter een zwaar uitgevoerd bureau de activiteiten van de aanwezige onderzoekers gade sloeg. Voor mijn verblijf in de zomer van 1983 had ik mijn intrek genomen in het Nederlands Instituut in de Villa Borghese. Voorwaar een geweldige locatie met uitstekende medewerkers die de weg wisten in Rome. Het was de tijd van cultureel attaché Offerhaus en Van Kessel als medewerker met wie ik mij dagelijks verstond. Dit laatste was ook nodig aangezien ik in het Vaticaan bepaald niet met open armen werd ontvangen.

In mijn brieven had ik duidelijk aangegeven dat ik onderzoek deed naar Spinoza en zijn lezers. Maar ook dat mijn interesse heel in het bijzonder uitging naar de wijze waarop het werk van Spinoza op de Vaticaanse index -lijst van verboden boeken- terecht was gekomen. Hierbij moet de naam van Albert Burgh genoemd worden.

Het bleek dat de tijd krap was en de medewerking in de bibliotheek teleurstellend, je zou haast zeggen dat er duidelijk sprake was van een vorm van obstructie. Zo mocht ik de index niet inzien evenmin als andere stukken ivm restauratie. Het klonk allemaal erg ongeloofwaardig. Tenslotte lukte een andere strategie wel: ik heb veel teksten op microfilm laten zetten en naar Nederland laten sturen. (Bij thuiskomst trof ik vele blikken films aan die men keurig en tegen betrekkelijk geringe kosten had nagezonden. Na het gereedkomen van mijn proefschrift in 1988 heb ik deze geschonken aan de Hubbelingbibliotheek in het Theologisch Instituut te Groningen.)

Toen het onderzoek zo werd tegengewerkt heb ik her en der in Rome advies ingewonnen. Van Kessel was van mening dat het tijd werd de hulp in te roepen van “het lek van het Vaticaan” zoals hij het verwoordde. Hij gaf mij een routebeschrijving naar een basiliek aan de rand van Rome. Daar zou een vrouw de vloer van de kerk ijverig aan het poetsen zijn als ik de kerk betrad. Haar moest ik aanklampen, vertellen wie ik was, en vragen naar “de witte pater”. Het bleek een kettingrokende, bijzonder aardige en door de wol geverfde priester te zijn die oorspronkelijk uit Nederland kwam. Zijn naam is mij na al die jaren helaas ontschoten. Ik legde hem uit met welke hooggstemde onderzoeksplannen ik verblijf hield in Rome. Hij keek mij onderzoekend aan, nam een paar halen van zijn sigaret, en sprak de voor mij tot nu toe onvergetelijke woorden: “Waar u mee bezig bent dat is voor het Vaticaan ‘stront aan de knikker'”. We namen afscheid en hij zou zien wat hij kon doen. Enkele dagen later belde hij mij op in het Nederlands Instituut. Zijn bericht kon niet anders dan teleurstellend zijn, zei hij. De inhoud kwam neer op het volgende: als ik de stukken over Burgh – die in de Propaganda Fide liggen, zoveel wist ik al – boven water wilde krijgen dan zou ik nog vele maanden recepties in katholieke kringen moeten bezoeken en vele borreltjes moeten drinken met dignitarissen, opdat de deuren van het archief wellicht voor mij op een heel klein kiertje zouden opengaan. Wel was ik inmiddels bezig met Niels Stensen, waar ik via de Deense ambassade naar toe werd geleid: de man wiens naam nu in verband wordt gebracht met het bezorgen van het handschrift van Pieter van Gent aan het Vaticaan, mogelijk om hiermee zijn katholiciteit te bewijzen. Zijn loyaliteit aan zijn kerk werd zo tot een breuk met Spinoza. Met het aanbieden van het handschrift deed hij feitelijk aangifte; waarmee hij enerzijds Spinoza aan kritiek blootstelde en tegelijkertijd de onbetwistbaarheid van zijn eigen geloofsbrieven boven alle verdenking probeerde te stellen. Een kunstgreep die op weinig sympathie of waardering zal mogen rekenen. Wie zo te werk gaat kan zich mogelijk nog wel laten voorstaan op het hebben van een sterke overtuiging, maar of hij mag bogen op een rechtschapen geloof, dat staat nog te bezien.

Dat er ondanks dit alles toch wel iets in mijn proefschrift staat over Albert Burgh – die een soort censor werd in het Vaticaan – en van wie ik er achter kwam dat hij de nieuwe naam van ‘pater Franciscus de Hollandia’ droeg, dank ik aan een merkwaardige ontwikkeling die zich voordeed kort na terugkeer in Nederland. Via Theo Zweerman werd ik gebeld door een pater uit Wijchen bij Nijmegen, pater Voorvelt, die van mijn stagnerende onderzoekingen had gehoord. Hij vroeg mij bij hem op bezoek te komen. Hij vertelde dat waar ik mee bezig was, ook al eens was gedaan door pater Emmen die daarover een artikel in het Latijn heeft geschreven. (Voor de gegevens: zie mijn diss.) Hij bezat het exemplaar van Emmen zelf, dat de watersnoodramp – duidelijk zichtbaar aan de bruine kringen en het gerimpelde papier – gelukkig had overleefd. (Een voetnoot in het fraaie werk van Spruit en Tataro verwijst nog als een stille getuige naar mijn eigen, voor dit deel vruchteloos gebleven, zoektocht.) 

Dit maakte het mij mogelijk om in mijn Spinoza and the Netherlanders, zij het ook uit de tweede hand, de lijnen te trekken die ik met bronnenmateriaal uit de eerste hand niet bevestigd en onderbouwd had kunnen krijgen.

Dat het Vaticaan en de Heilige Vader momenteel hun handen vol hebben aan de crisis in de Katholieke Kerk – om het nog maar niet te hebben over hun inspanningen tot afbraak van de oecumene in Nederland – komt mogelijk onverwacht goed uit. De aandacht en de oplettendheid voor ketterse bezoekers die de Vaticaanse bibliotheek afstruinen op zoek naar verborgen schatten lijkt nu dermate verslapt dat vast nog wel het een en ander het licht zal zien. Tot zegen voor urbi & orbi.

Heine Siebrand
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *