Romantische misvattingen der ongelovigen

Laatst sprak ik met iemand over godsdienst – als het woord godsdienstwetenschappen is gevallen voelen mijn gesprekspartners zich meestal geroepen om de persoonlijke visie op godsdienst te delen – en hoewel ongelovig gaf deze persoon te kennen geloof toch wel “mooi” te vinden. Er bestond een verlangen om “die zekerheid te hebben.” Deze persoon is niet de eerste die deze gedeelde opvatting onder ongelovigen deelt, zelfs met een vrij standaard formule: “Die zekerheid lijkt me zo lekker.” Mijn vraag is dan: “Welke zekerheid?”

Baby in de put

Heel flauw is mijn antwoord op dit soort stellingen eigenlijk altijd een anekdote ontleend aan John Winthrop over de Puriteinen in de zeventiende eeuw in New England. De vraag of je gered was of niet kon de Puriteinen zo tot wanhoop drijven, dat een mevrouw, volgens Winthrop, ervoor koos haar eigen baby in de put te gooien, opdat ze dan maar zeker wist gedoemd te zijn en niet langer in twijfel te hoeven leven. De hel verkiezen boven de onzekerheid die je geloof je oplevert: so much voor die romantische zekerheid.

Ik vraag me ook wel vaak af waar het romantische beeld van ongelovigen over gelovigen vandaan komt. Eerst maar eens: er zitten al aardig wat opvattingen in verscholen. De opvatting over wat geloof is zal grofweg hier wel op neerkomen: een gelovigen heeft een rijtje aan regels waar hij of zij zich aan moet houden – de tien geboden ofzo – en je weet dan dat het allerbelangrijkste is, en als hij of zij zich daar aan houdt dan houdt God van die persoon en komt alles goed, en verder hoef je je nergens zorgen over te maken. Het verraadt gebrek aan inhoudelijke kennis over godsdienst.

Een beetje dom

Het is misschien ook een poging om in een strijd die al dan niet bewust gevoerd wordt de vijand onderuit te halen. De ongelovigen zouden zich kunnen voorstellen als kinderen van de Verlichting, naast de achtergebleven, inferieure gelovigen. “Kunnen nu eenmaal niet zo goed nadenken” klink het onder de ongelovigen. Een romantisering van de rust die de gelovige zou kenmerken is daarmee ook een beetje een castratie: in een strijd tussen gelovigen en ongelovigen zijn de gelovigen zo niet als vijand serieus te nemen. “Ze zijn gewoon een beetje dom, beetje blijven hangen in de zeventiende eeuw” kan ervan gemaakt worden. Of, waarom niet, met zo’n lekker negatieve term: “Blijven hangen in de middeleeuwen.”

De ongelovigen castreren zo de gelovigen met medelijden: “Och, dat je dat nog gelooft, wat schattig. En wat moet jouw leven toch prachtig zijn, zo eenvoudig. Nee, wij ongelovigen hebben het maar zwaar, met het Juk van de Rede, maar jullie, jullie leven in vrijheid.” Het is een genegenheid waarmee vaak naar kleuters gekeken wordt, die nog niet over oorlogen en rechtvaardigheid hoeven na te denken maar lekker met kleurtjes in de weer kunnen.

Het dominante beeld

Het zijn allemaal tekenen dat ongelovigen en gelovigen verder van elkaar staan dan ooit. Het idee dat ongelovigen van gelovigen hebben is ontheemd en mogelijk ingelijfd door ideologische opvattingen. Maar toch: waar komt het vandaan? Waarom juist dit idee? Waarom niet een idee van godsdienst als bron van twijfel en verdeling? Ook niet helemaal terecht, maar waarom het een en niet het ander? Misschien laten de ongelovigen zich wel inpakken door missionaire praatjes. Ze zien misschien zo nu en dan eens een programma van de EO (“maakt toch best leuke programma’s”).

Daar zien ze mensen die blij zijn en stralen. Vol enthousiasme vertellen ze misschien over hun leven en over wat geloof voor ze betekent. Hoe het ze steunt en hoe het ze een gevoel van doelmatigheid geeft. Men ziet dit en denkt: “Ah, dus dat is geloof? Nou mooi, weten we dat ook weer.” Maar de verhalen van een zender op televisie met missionaire ambities moet je natuurlijk nooit voor lief nemen. Als je aan een huilend persoon op straat vraagt “wat is er?” en je krijgt als antwoord “niets” dan is dat niet al te geloofwaardig. Als iemand die ten doel heeft het eigen geloof te propageren vertelt dat diens geloof hem helpt, is er iets soortgelijks aan de hand. Het kan een act zijn wanneer men zegt zelf gelukkig en zonder twijfel in het geloof te staan.

Van euforie tot waanzin

Maar die twijfel is er natuurlijk best, ook en juist onder de gelovigen. Hoe zouden al die kleine splinterkerken anders hebben kunnen ontstaan in de schaduw van de reformatie? Als je naar de televisie kijkt en misschien zelfs als “outsider” met gelovigen praat, krijg je de positieve kant te zien en te horen. Maar kijk je naar de geschiedenis van geloven en van het christendom alleen al, of kijk je naar de dagelijkse praktijken binnen een gemeente, dan krijg je een ander beeld voorgeschoteld.

Daarom, oh ongelovige broeders en zusters, sla er eens wat werken op na! Geloof kan alles en niets betekenen, en mag euforisch geluk en rotsvaste zekerheid naast wanhoop, twijfel en krankzinnigheid tot haar attributen rekenen. Blijf ongelovig, maar ken de contouren van het fenomeen religie, reduceer dat niet tot EO praatjes.

Afbeelding: Pixabay.

Lucas van Heerikhuizen
Lucas van Heerikhuizen is afgestudeerd als master in de godsdienstwetenschappen. Momenteel is hij werkzaam als webdeveloper en WordPress docent. Tevens is hij actief als redacteur voor Zinweb.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *