Perspectieven genoeg

Lezing op de Contactdag Vrijzinnigen Noord-Nederland, Beilen, 5 april 2008,

‘De kerk loopt leeg.’ Dat is een uitspraak die aan alle kanten rammelt. ‘Leeglopen’ betekent dat er over afzienbare tijd geen mens meer iets in een kerk te zoeken heeft. Dat weiger ik te geloven.

Met ‘de kerk’ wordt in deze uitspraak doorgaans bedoeld de verzameling van mensen die ’s zondags een bepaalde ruimte op een bepaalde tijd bezoeken. Dat ‘de kerk’ veel meer is dan kerkgang, wordt vaak en zeker door buitenstaanders over het hoofd gezien. En verder is de aanduiding ‘de kerk’ niet precies genoeg. Welke kerk loopt dan leeg? Ik ken kerken die behoorlijk voller worden. En ten slotte is het een uitspraak over kwantiteit, niet over kwaliteit. Wat is een aantrekkelijke kerk? In mijn jeugd heb ik wel eens middagdienst van een behoorlijk zware gereformeerde-bondsgemeente mogen bijwonen. Catechismuspreek, volle bak, een stoet kinderen op de galerij. Al na vijf minuten zette het grote gapen, dommelen en snurken in. De kinderen moesten steeds harder in het gareel worden gehouden en de dominee sprak penetrante geheimtaal. Dan is een groepje van 10 mensen die zich in een leerhuis buigen over moderne theologie wat mij betreft op een aantrekkelijker manier kerk.
‘De kerk loopt leeg’ is ook pastoraal gezien een hard oordeel over al die mensen die met genoegen deel uitmaken van die kerk, meedoen met haar activiteiten, zich als vrijwilliger inzetten en ook nog met plezier de vieringen bijwonen.
Maar toch. In Amsterdam zitten ’s zondags nog geen 2000 mensen bij diensten van de Protestantse Gemeente. Er zijn in heel Amsterdam geen 100 diakenen meer. Dat is toch wel eens anders geweest. Ik heb horen fluisteren dat 2000 ook het getal is van alle vrijzinnigen in Nederland die de zondagse kerkdiensten bijwonen. Of het getal klopt, weet ik niet, maar ik weet bijvoorbeeld wel dat er in 1961 nog vijfhonderd zondagsscholen waren op vrijzinnige grondslag. Daar is een halve eeuw later een nul van afgevallen.

We leven in een boeiende tijd. De secularisering in Nederland heeft zich veel later dan in andere landen maar in een veel hoger tempo voltrokken. Dat had te maken met de verzuiling. In de verkokerde maatschappij die tot de jaren zestig van de vorige eeuw in Nederland te vinden was, waren kerken ook sociologisch verankerd in de bevolking. Wie een kerk wilde verlaten, verliet meteen ook een groep, een sociologisch verband, met een hechte hiërarchische structuur, met vaste normen en waarden en dominante netwerken. Omdat er zoveel van die groepen waren, zoveel verschillende kerken met hun eigen zuiltjes, was de keuze om de zuil en het daarmee verbonden geloof te verlaten vaak veel moeilijker dan in landen waar één bepaalde kerk dominant is. Maar toen de zuilen eenmaal barsten begonnen te vertonen, ging het heel hard. Dat kwam ook omdat het ontvoogdingsproces van de jaren zestig parallel liep met de secularisatie. In Nederland waren democratisering en secularisering twee facetten van een zelfde proces. Vandaar ook de grote aversie tegen de kerk van de eerste generatie kerkverlaters. Je hoort in andere landen nergens zulke scherpe geluiden van afkeer als in Nederland. De secularisering is hier niet alleen veel later, maar ook veel scherper en pijnlijker ingezet dan in de landen om ons heen. De hele generatie van mensen die nu tussen de 50 en 70 jaar oud zijn en de kerk actief hebben verlaten, bepaalt het beeld van de afschuw van kerk en geloven. De jongere mensen blijken van die afschuw nauwelijks meer last te hebben – zij staan vaak onbevooroordeeld tegenover kerk en geloven. En hoe jonger, zo is mijn ervaring, hoe nieuwsgieriger. Van een groepje studenten die ik laatst ontmoette waren er twee kleinkinderen van kerkverlaters. Ze wisten nergens van, lazen bijbelverhalen voor het eerst en vonden christendom ‘best leuk’.

Maar de getallen liegen niet. Van tijd tot tijd worden de Nederlandse kerken opgeschrikt door onderzoeksrapporten waaruit blijkt dat de ontkerkelijking in Nederland zich vrijwel onstuitbaar voortzet. De laatste veertig jaar hebben laten zien dat er sprake was van een schijnkerkelijkheid die nu in rap tempo ontmanteld wordt. Aan de andere kant – en dat tonen diezelfde rapporten aan – ritselt het in het land van de religie, het zindert van de belangstelling voor godsdienst, rituelen, zingeving. Vraag en aanbod blijken hier dus niet op elkaar aan te sluiten – kerken schieten in de kramp van de krimp en de zinzoekers komen overal terecht behalve in de gevestigde kerken. Ook niet in de vrijzinnige kerkgenootschappen, die toch zoveel moderns in de aanbieding hebben.

Dorpen en steden
Voor de geringe werfkracht van de Nederlandse kerken op de markt van religie en zingeving zijn enkele factoren aan te wijzen. Ik beperk me tot mijn kerk, de Protestantse Kerk van Nederland (PKN). Ondanks het elan van deze nieuwe kerk deelt zij in de malaise die de onderzoeksrapporten zo pijnlijk laten zien. Ik had het al over Amsterdam, met zijn 2000 PKN kerkgangers. Er gaan echter in de Nederlandse steden veel meer mensen ter kerke. Zij zoeken het behalve bij andere kerkgenootschappen onder andere bij migrantenkerken, alleen in Amsterdam al 400 met zo’n 20.000 gelovigen én kerkgangers. Ze zoeken het ook bij studentengemeenten, basisgroepen, ze bezoeken vieringen in verzorgingstehuizen, jeugdkerkdiensten, huiskamerbijeenkomsten. Ze doen dat op zondag, maar ook door de week. De kerkorde van de PKN doet alsof we nog vijftig jaar geleden leven en heeft het hele land keurig in dorpen en de steden in wijken opgedeeld. Maar dat is allang niet meer de praktijk, de grenzen zijn vloeibaar geworden en die liquiditeit loopt de kerk door de vingers. Door haar structuur en inrichting is de kerk nauwelijks in staat adequaat in te spelen op nieuwe ontwikkelingen, die in een multireligieuze, multiculturele en snel verstedelijkende samenleving als de Nederlandse veel sneller gaan dan welke ordening ook kan bijhouden.
Dat geldt ook voor de inrichting van de gemeente. De protestantse kerk is in Nederland nog altijd een dominocratie, of beter gezegd een organisatie die haar structuur niet heeft ingericht op functies maar op ambten, niet op professie maar op confessie. Twee jaar geleden werd ter synode het vérstrekkende voorstel ingediend om afgestudeerde theologen uit het hogere beroepsonderwijs dezelfde status te geven als predikanten. Deze ‘kerkelijk werkers’ zijn ertoe opgeleid en in staat om grote en belangrijke onderdelen van het kerkenwerk uit te voeren in een gemeente. Zo doemen er scenario’s op van clusters van wijkgemeenten in steden die door één predikant en verschillende kerkelijke werkers worden bediend, elk met specifieke taken en bevoegdheden. Kijk maar naar de katholieke kerk – het leeuwendeel van het werk wordt gedaan door pastoraal werkers en talloze vrijwilligers, zonder dat zij daarvoor overigens de erkenning krijgen die zij verdienen. Het voorgenomen besluit over de HBO-predikanten werd nog ingetrokken voordat erover gestemd kon worden – het verzet ertegen in domineesland was kerkbreed en massaal. Toch moet er iets gebeuren, want anders doen in de grote steden de laatste kerkgangers over twintig jaar het licht uit, als we de doemdenkers mogen geloven.

Vrienden
Gebeurt er dan niets om het tij te keren? Natuurlijk wel – geloof vindt net als water altijd een weg. Zo zien we pogingen van theologen om de ecclesiologie, de visie op de kerk, aan te passen aan de tijdgeest en in te spelen op de veranderde behoeften. De ook in Nederland populaire Amerikaanse theoloog Pete Ward heeft het concept van de liquid church geïntroduceerd. Hij gaat uit van twee kerkmodellen: de statische kerk, die zich verenigt rondom een gebouw, een eredienst en die afhankelijk is van het aantal kerkleden. En een toekomstige kerk, de vloeibare kerk. ’Vloeibaar’ omdat de bouwstenen niet de vaste plaats, de vaste tijd en de vaste mensen zijn, maar omdat het gaat om een netwerk van relaties tussen mensen die zich op elke plaats en op elk tijdstip in wisselende samenstellingen ontmoeten. ‘Vloeibaar’ heet dit model omdat het aansluit op een ‘vloeibare cultuur’: mensen zijn in alle opzichten mobiel, op drift. Die bewegelijkheid verdeelt de gemeente in twee kampen: zij die zich daarom niet graag meer binden en zij die dat daarom juist wel graag doen. Ward vindt het zorgwekkend dat de aanhangers van het statische model het beleid van de kerken bepalen, zodat de moderne mens bij voorbaat de deur wordt gewezen. De Nederlandse theoloog Henk de Roest wil, in het verlengde van zulke opvattingen, weer naar een structuur zoals die in de 18de eeuw in het Nederlandse protestantisme gangbaar was: een kleine groep van belijdende leden, een kerngroep, en daaromheen een gezelschap van ‘vrienden’, die kunnen intekenen op de activiteiten waarvoor zij belangstelling hebben (en waarvoor zij – niet onbelangrijk – bereid zijn te betalen). Onnodig te zeggen dat in dergelijke theorievorming de centrale plaats van de zondagse eredienst én die van de predikant op de helling gaat. Op de veronderstelde zuigkracht van dat ene uur per week op die ene plek is al menig missionair project stukgelopen.
Dergelijke ontwikkelingen zou ik willen betitelen als een poging om te komen tot vraaggestuurde religieuze gemeenschappen naast of in plaats van aanbodgestuurde kerkelijke instituties. Er zullen altijd gemeenten moeten zijn waar traditie en geheimenis worden doorgegeven, in de successie van profeten en apostelen. Maar daarnaast, complementair wellicht, zijn mensen bezig elkaar op te zoeken omdat zij dezelfde behoefte, hetzelfde aan zingeving en/of religie gerelateerde verlangen met elkaar wensen te delen.

Ik noem als voorbeeld de ontwikkelingen van religie op internet. Er zijn talloze websites die zich braaf aandienen als een etalage van geloofsgemeenschappen. Elke zichzelf respecterende gemeente heeft inmiddels wel een website, maar de meeste websites komen niet verder dan de aankondiging van de zondagse kerkdienst. Ik kom regelmatig tegen dat het adres van het kerkgebouw dan niet vermeld wordt, want ‘onze mensen weten dat wel’ – een merkwaardige interpretatie van het wereldwijde web en een weinig missionaire taakopvatting.

Maar er wordt ook driftig geëxperimenteerd. Er zijn mooie kerkgebouwen die bezoekers van de website virtueel alles laten zien wat ze ‘in huis hebben’. Er zijn digitale pastores, aan wie je alle vragen kunt stellen die je wilt met gegarandeerd antwoord binnen een paar dagen. Je kunt digitaal biechten (en je kunt zelfs digitaal absolutie krijgen), je kunt digitaal je belijdenis voorbereiden. Je kunt je digitaal toegang verschaffen tot elke religieuze tekst uit de wereldgeschiedenis en er met mensen over de hele wereld over communiceren. Je kunt digitaal rouwen en troost ontvangen. Er zijn digitale begraafplaatsen en digitale urnenmuren, je kunt zelfs op het wereldwijde web je digitale ex-voto’s kwijt, dankbetuigingen voor goddelijke bijstand. Er zijn ook digitale religieuze gemeenschappen en digitale kerken. Zelf ben ik betrokken geweest bij een internetproject dat ‘Heilig voor mij’ heette. Mensen werden uitgenodigd om voor hen ‘heilige’ teksten in te zenden naar een website, Zinweb: bestaande teksten uit allerlei religieuze tradities, maar ook gedichten, liedteksten, stukken proza. Aan het succes van dit project is de website bijna bezweken, want een jaar later hadden we er 343 (7x7x7) geplaatst en moesten we het project helaas beëindigen. Op de website (www.zinweb.nl) werd druk over de tekstkeuzen gediscussieerd, maar de mooiste momenten waren toch de drie avonden waarop inzenders ‘live’ hun teksten ten gehore konden brengen en er met elkaar over konden praten. Dat waren ontroerende gebeurtenissen waarvoor veel belangstelling bestond. De combinatie van zoveel zingevende teksten leek als vanzelf een zingevende gemeenschap te creëren. We leerden daaruit dat een virtuele beweging aan waarde wint wanneer zij materiële momenten kent. Ook deze vorm van communicatie krijgt diepgang wanneer zij op een of andere wijze ‘incarneert’, vlees wordt, body krijgt.

Het hele leven
Het is een voorbeeld van vraaggestuurde gemeenschapsvorming, die goed past bij de leefwijze en belangstelling van al die mensen die zoeken naar religie en zingeving en wat zij zoeken binnen de kerkmuren niet kunnen vinden. Een goed voorbeeld hoe kerken daarop kunnen inspelen vind ik de Duitse website www.evangelisch-das-ganze-leben.de. U kunt er theologisch van alles van vinden, maar hier is wel een poging gedaan de ‘klant’ serieus te benaderen. Die zoekt namelijk de kerk – als hij of zij die niet van binnenuit kent – op de momenten in het leven die het waard zijn om te markeren en die als vanzelf diepgang genereren: geboorte, doop, liefde, huwelijk, dood en rouw, maar ook belijdenis, werk, kinderen krijgen e.d. En op deze gebeurtenissen is de website ingericht, weliswaar als een aanbodwebsite, maar vraaggestuurd.

We leven in een boeiende tijd, een overgangstijd. Aan de ene kant kerkelijke instituties die worstelen met hun aanbod aan de moderne, beweeglijke en zoekende mens. Waarin mensen die in dienst zijn van de kerk rondlopen die overledenen weigeren te begraven als de muziek niet conform de wens van de priester is. Waar een PKN-predikant mag weigeren een collega in het ambt te bevestigen omdat zij een vrouw is. Waar predikanten weigeren paartjes te trouwen van gemengde religieuze komaf. Waar kosters voordat zij aangenomen worden de Drie Formulieren van Enigheid moeten onderschrijven. Aan de andere kant de zoekers, de mensen die op zoek zijn naar zingeving, en op die zoektocht de aloude kerk tegenkomen als een verrassende en soms aantrekkelijke geloofsgemeenschap. Maar dan niet als een club met een geloofsbrevet, lidmaatschap, contributie en verschijningsplicht op zondag, maar als een reservoir van mogelijkheden om met elkaar je geloof te beleven. Want dat zal een kerkelijke gemeenschap altijd onderscheiden van andere aanbieders op de spirituele markt: de kerk heeft gemeenschap te bieden en is dus niet aantrekkelijk voor soloreligieuzen. Religie is altijd binding aan een gemeenschap. Columnist Van Doorn schreef zoiets onlangs op in Trouw en kreeg verrassend veel en verrassend positief commentaar.

Ik werk een paar dagen in de week in Den Haag, als communicatieadviseur bij Stek – voor stad en kerk. Omdat Den Haag vanouds een rijke en actieve hervormde diaconie heeft, biedt Stek werkgelegenheid voor meer dan vijftig mensen die bezig zijn met inloop- en buurthuizen, kerkelijk jeugdwerk, interreligieuze dialoog, opvang van straatkinderen, daklozen, druggebruikers, en tal van andere projecten om de stad leefbaarder te maken. In die Haagse praktijk kom ik voorbeelden tegen van experimenten van het nieuwe gemeentemodel:
– Een buurt- en kerkhuis in een kansarme buurt – al zou minister Vogelaar het een prachtwijk noemen – trekt al jaren mensen uit de buurt die er letterlijk komen buurten, elkaar ontmoeten, cursussen volgen, straatfeesten vieren, met raad en daad worden bijgestaan. Daar ontstond stilaan de behoefte aan een viering en zo worden daar eens keer per maand een interreligieuze kringviering gehouden, in een geheel modern ingericht kerkgebouw waar vijf jaar geleden voor het laatst ‘gewone’ kerkdiensten werden gehouden. Vraaggestuurd dus.
– De Halte is een klein opvanghuis in de Schilderswijk voor vrouwen met kinderen die op straat staan, omdat ze tussen allerlei regelingen verdwaald zijn en tussen wal en schip vallen. In De Halte kunnen ze voor een paar maanden even de sores vergeten over het dagelijks onderdak. Bij de bewoners ontstond vorig jaar spontaan de behoefte aan een kinderfeest. Het werd een prachtig sinterklaasfeest, met de kinderen, waarbij het sinterklaasfeest de religieuze dimensies terugkreeg van barmhartigheid en mededeelzaamheid waarmee het ooit begonnen is.
– Op Prinsjesdag wordt sinds jaar en dag een kerkdienst gehouden om kabinet en Tweede Kamer aan te moedigen tot een rechtvaardig en verzoenend beleid. Sinds tien jaar is die viering interreligieus: hindoes, moslims, christenen, joden, baha’is, boeddhisten, soefi’s én humanisten doen eraan mee. De kerk zit elk jaar voller. De deelnemers putten er veel inspiratie uit en nodigen elkaar uit bij hun eigen vieringen en bijzondere gelegenheden.
– Een groep pardonners ziet elkaar regelmatig, eet met elkaar, delen de zorg voor de kinderen. Vrouwen uit deze groep hebben een catering opgezet zodat ze iets kunnen verdienen. Ze doen aan toneel, aan nordic walken, geven voorlichting aan anderen. De gemeenschappelijke maandelijkse maaltijd krijgt trekken van een viering, waarin informatie, gezelligheid, inspiratie en reflectie een spirituele lading krijgen.
– Er zijn gemeenten in Den Haag die een service hebben opgezet voor wijkbewoners zonder kerkelijke binding. Wie dat wil, kan rondom doop, huwelijk, begrafenis en andere belangrijke momenten van het leven pastorale begeleiding krijgen op maat. Tegen betaling. De service loopt goed al is er wel discussie over hoe ver je kunt gaan in je klantgerichtheid. Dopen aan huis bijvoorbeeld. De ene predikant doet dat uit principe niet, een ander wel. Maar die werd laatst gevraagd of hij het kind met champagne wilde dopen en dat heeft hij beleefd geweigerd.
– Er zijn wijkgemeenten in Den Haag die taken aan elkaar hebben gedelegeerd. In één wijkgemeente is een constante instroom van ouderen – er is veel huisvesting voor ouderen in de buurt. Zij hebben een proactief en wervend ouderenbeleid opgezet, dat een uitstraling heeft voor de hele stad. Hun jongeren en jongvolwassenen hebben ze doorverwezen naar de aanpalende wijkgemeente, die traditioneel veel jongere mensen trekt. Die gemeente heeft zich nu in jongeren- en kinderwerk gespecialiseerd. De organisatie waar ik bij werk ondersteunt en adviseert bij dergelijke beleidskeuzen.
– Er wordt in Den Haag samengewerkt tussen traditionele wijkgemeenten en migrantenkerken die er hun diensten houden. Er wordt geëxperimenteerd. Er zijn leerhuizen in Den Haag, huiskamervieringen, cursussen. De kerk is er kortom volop in beweging en in al die facetten doemt een beeld op van een nieuwe kerk, flexibel, niet van steen en beton, maar van water. Dat is lastig voor beleidsmakers die begrotingen moeten maken en de afdracht aan de landelijke kerk voor elkaar moeten krijgen, het is verrijkend voor al die mensen die eraan meedoen en vaak niets hebben met de aloude kerkelijke structuren.

Alleen door zich serieus in te zetten voor de moderne mens in de moderne tijd kan de kerk die mensen bereiken die haar misschien wel zoeken. Over haar aanbod hoeft de kerk zich niet zoveel zorgen te maken. Zij heeft genoeg woorden en rituelen, diepgang en sfeer in huis om nog eeuwen de lofzang te kunnen zingen. Maar dan moet de kerk veel serieuzer nadenken over de aanpassing van haar vorm en inhoud. Dat heeft ze overigens altijd gedaan. De boodschap die in Maastricht klonk in de vijfde eeuw, die in Utrecht klonk in de achtste eeuw, in Deventer in de veertiende eeuw en in Amsterdam in de zeventiende eeuw – we zouden die nu niet meer herkennen. De oerrituelen wel, maar de taal heeft zich altijd aangepast aan de tijd en omstandigheden. Het christendom is een vertaalbeweging. Zo ook nu. Elke weldenkende organisatie ijkt haar doelstelling en middelen om de zoveel jaren aan de veranderende wereld om haar heen. Dat is niet alleen in het bedrijfsleven een wetmatigheid, ook in de meer ideële sectoren van onze samenleving. Een kerk die zich uitsluitend beroept op haar tweeduizend jaar oude traditie, heeft misschien wel bestaansrecht maar is niet echt interessant, uitsluitend voor een groepje gelijkgestemden. Wil zo’n kerk nieuwe mensen trekken, dan vindt zij hoogstens zonderlingen.
Dat geldt ook voor de vrijzinnigheid. Ik ben erin opgegroeid, heb haar als adolescent verlaten op zoek naar meer structuur, houvast en ook dogma, en keer er nu langzamerhand weer naar terug, omdat het een niet te onderschatten vreugde is wanneer mensen elkaar de wet niet voorschrijven of de gelovige maat nemen. Kom ik echter nu in vrijzinnige gemeenten, dan wijken die inhoudelijk nauwelijks af van de vrijzinnige gemeenten van mijn jeugd. Ik ben nu 53. Laatst preekte ik in een vrijzinnige gemeente waar men nog gezangen zong uit de berijming van 1938, omdat ze daar het Liedboek onbegrijpelijk en elitair vinden. De vrijzinnige gemeenten die ik wat beter ken, zijn prettige groepen van gelijkgestemden, waar duizend religieuze en theologische bloemen mogen bloeien. Maar met elan en werfkracht voor nieuwe mensen? Geenszins. Het zal niet overal zo zijn, maar ik hoor net iets te vaak zeggen dat vrijzinnigheid dé vorm van christelijk geloven is die aansluit bij deze tijd. En ik zie nét iets te vaak dezelfde mensen die dit zeggen daarna tevreden achterover leunen. Vrijzinnigheid is weliswaar een verworvenheid, maar helemaal niet een vaststaand gegeven. Ook vrijzinnigheid moet telkens weer geijkt en bijgesteld worden, vernieuwd worden. En ook vrijzinnigen mogen nadenken over andere vormen van gemeente zijn, over het gebruik van moderne media, over de aantrekkelijkheid van het vrijzinnige verhaal, over experimenten met taal, liturgie, bijbeluitleg. Het etiket ‘vrijzinnig’ ontslaat ons niet van de plicht telkens weer vrijzinnig te worden. Want vrijzinnigheid is geen gegeven, maar een opdracht. Anders zitten we met ons allen in een museum vlak voor sluitingstijd. In het werk met Zinweb én in Den Haag kom ik tal van mensen tegen, ook veel jongeren, die zich graag vrijzinnig zouden noemen als ze het woord al kenden. Maar die mensen moeten er niet aan denken ’s zondags in een vrijzinnige gemeente ter kerke te gaan. Toch behoren zij ook tot de vrijzinnigheid, al betalen zij elders contributie. En omdat hun aantal toeneemt, zult u mij nooit horen zeggen dat de vrijzinnigheid uitsterft. En dat geldt ook voor de kerk in het algemeen. Al zou het instituut in ons land krakend ten onder gaan, dan nog zou elders de lofzang weer aarzelend weerklinken. Want daar zorgt de Eeuwige zelf wel voor. Geloven is als water, het vindt altijd zijn weg.
Veertig jaar geleden zei de bepaald niet vrijzinnige theoloog K.H. Miskotte in een vraaggesprek over secularisatie enkele behartenswaardige en nog altijd actuele woorden die ik u tot slot graag meegeef. Natuurlijk, de kerk moet zich vernieuwen, zegt Miskotte in 1967. “Maar ja, dit alles staat natuurlijk onder het geweldige voorbehoud, dat, bij alle dankbaarheid voor hetgeen ons nog gelaten is, de strategie Gods en de inspiratie van de Geest ons wel eens plotseling of geleidelijk zou kunnen uitdrijven buiten de kerkformaties, in de bedreigde wereld, om met de wereld te ‘verwereldlijken’, zózeer zelfs dat een vroeger geslacht, of zelfs onze ‘kerkelijke’ tijdgenoten, ons nauwelijks meer zouden herkennen. Wat echter niet uitsluit dat we in deze laatste grensoverschrijding van God gekend zouden zijn!”
Perspectieven genoeg.

Willem van der Meiden
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *