Overal wonen, nergens thuis(2)

De meeste mensen zijn geen zwervers van nature. Pas als het ergens zo onveilig wordt dat het onleefbaar is, slaan mensen op drift. Noodgedwongen. Een vaste plaats om te wonen, een plek waar je geboren en getogen bent, waar je thuishoort – dat geeft mensen een gevoel van veiligheid. Die plek bepaalt je, vormt je. Hij maakt onlosmakelijk deel uit van wie je bent, hoe je jezelf en de wereld ziet. (Klik voor deel 1 op deze link.)

Nu kennen de meeste volken op aarde in hun verleden een moment van zwerven, van trek, van opnieuw wortelen en opgaan in andere volken. Meestal verdwijnen de verhalen over die onveilige periode later naar de achtergrond. De geschiedenis van het gastvolk wordt als het ware geadopteerd. In de bijbel echter wordt het vreemdeling-zijn gecultiveerd. Het wordt doelbewust herinnerd. Zo zijn er wetten die de vreemdeling beschermen, vanwege de herinnering aan de periode dat het volk zelf vreemdeling was, in Egypte. En het gaat nog veel dieper dan dat. Het volk blijft zichzelf ten diepste beschouwen als zwerver, als vreemdeling. Zelfs het door God beloofde en gegeven land is nooit helemaal van hen. Het is altijd voorwaardelijk, een gevaarlijk geschenk. Het is niet vrij verhandelbaar, niet vrij verkrijgbaar. Ze mogen er wonen en leven, generatie op generatie, maar het land is van God. Niet van mensen. Hij geeft, en dat betekent dat Hij ook kan nemen. En dat is precies wat er gebeurt, tijdens de ballingschap. Die schokkende ervaring versterkte het gevoel van anders-zijn, het gevoel van vervreemding. De onderstroom die altijd al aanwezig was groeide uit tot een identiteit. Vreemdeling en bijwoner. Nooit ergens helemaal thuis, nooit ergens helemaal zeker en vertrouwd.

Die kwetsbaarheid vormt het hart van het zelfbewustzijn van het volk: het vertrouwen op God en het leven volgens Zijn regels werd een ‘draagbaar thuis’ in het zwervende bestaan. Niet langer heimwee naar een bepaalde plek, maar verlangen naar Gods nabijheid. Waar je ook was, tussen wie je ook verkeerde, hoe beroerd je situatie ook was… Leven zoals God dat bedoeld heeft, dat kon je overal. Aan Zijn geboden kon je je op iedere plaats ter wereld vasthouden. Of, met de woorden van Psalm 119:19-20:

19 Ik ben een vreemdeling op aarde,
verberg Uw geboden niet voor mij.

20 Mijn ziel kwijnt weg van verlangen
naar Uw voorschriften, dag en nacht.

Het vertrouwen in God en het leven volgens de geboden werd een veilige schuilplaats voor het volk van vreemdelingen, waar ze ook waren. En tegelijkertijd schiep het een paradox, want juist dat leven volgens die regels, dat ‘in de wereld maar niet van de wereld zijn’, versterkt en bevestigt het anders-zijn, het vreemdeling-zijn. Het voorkomt dat je je aanpast aan de nieuwe plaats, het zorgt ervoor dat je nooit helemaal thuis raakt bij de mensen om je heen. Je dient een andere Heer, je hebt een ander beeld van mens en wereld, je leeft met een ander ‘thuis’ voor ogen. De onderstroom van kwetsbaarheid werd tot een overlevingsmechanisme, dat uiteindelijk bepalend werd voor de identiteit van de groep, én de groepen die daaruit voortkwamen. Een heimwee naar iets dat nog moet komen, tekent hen. Heimwee naar Gods koninkrijk. De volgers van die ene God zijn overal en nergens vreemdelingen. Overal, want ze zijn (meer of minder) vreemd in de ogen van de wereld, en nergens, want door hun vertrouwen in God en hun trouw aan de geboden, zijn ze overal thuis. Altijd.

Wieteke van der Molen
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *