Over wat ons bezielt

Hieronder beschrijft een kleine geschiedenis hoe, wat ons bezielt, richting wil geven aan het leven. De weg die wij bewust afleggen, de plannen die we maken, onderscheidt zich van de weg die we afleggen wanneer we ons hart durven volgen. Een kort verhaal van Bianca Hiemcke.

Die ochtend komt hij de coupé binnen. Het is een coupé van het soort dat je in deze dagen nog zelden aantreft in treinen. De man zelf kom je ook niet overal tegen overigens. Maar over hem later. De coupé wordt van het halletje ernaast afgescheiden door een wand waarin vensterglas en een rammelend deurtje. In de smalle hal daarbuiten, beent tijdens de reis alleen de controleur heen en weer. In vroeger dagen hingen er soms ook een paar reizigers om met zwaaiende armen naar geliefden te wuiven, of om een enkel sigaretje te roken. Op de stations worden in dat halletje koffers haastig in en uit gezeuld, de tijd gaat er snel, sneller dan hierbinnen in de coupé. In het halletje moeten immers doelen worden gehaald, je moet de trein in, of er juist uit. Dan hierbinnen, hier in de coupé waar ik ben, hier gaat de tijd traag, de reiziger heeft zich hier al overgegeven aan de machinist die ons ‘naar huis’ of juist ‘ver daarvan weg’ zal brengen.

Ik heb zoëven toen ik binnenkwam nog voor commotie gezorgd. Ik had me langs de knieën en koffers van anderen gewurmd, mijn stoelnummer gezocht, mijn plaats gevonden, mijn armen naar het bagagerek uitgestoken. Ik bleek net te klein om te voorkomen dat ik met mijn volle gewicht – én met dat van mijn koffer – in de armen van een al zittende, wat uitgestreken mijnheer belandde. Zijn handen hadden zich niet uitgestoken om me te helpen, en ook zijn rug uitte, toen ie ‘m eventjes rechtte, geen enkele bekommernis. Ik mompelde zo’n duizend excuses, ging zitten en keek uit het raam.

Henry

Het heerschap tegenover mij in z’n driedelig pak las een krantje, de rust was weergekeerd. En daar, in dat stille moment verandert het leven. We weten dat dan nog niet, niet de man die binnen gestommeld komt, noch ik. De uitgestreken mijnheer tegenover mij vouwt zijn krantje op, hij staat zuchtend op, pakt zijn tas uit het rek, kijkt nog ‘ns misnoegd naar me om, naar de figuur in de deuropening, drukt zijn lijf in krijt en streep langs dat van Henry die met veel gedoe juist bezig is binnen te komen. Ik weet dan nog niet dat ‘ie Henry heet. Niet dat ik dat al over enkele minuten wél zal weten. Op zijn schoot ligt een tas. Onder zijn lichaam – dat aan alle kanten scheef is en uit z’n voegen gebogen, krom en vervormt -, rijdt een rolstoel. In zijn ogen straalt de zon en om zijn scheve mond grijnst een glimlach. Zijn haren krullen alle kanten op. Misschien heeft de wind daar schuld aan, misschien had ie gewoon geen zin vanochtend om zijn kapsel te temmen, misschien laten zijn handen zulks überhaupt niet toe.

Ik kijk vergenoegd naar zijn open gezicht, naar het gebaar wat ie maakt wanneer hij de man in krijtstreep die hem bokkig passeert, voorrang verleent. “After you”, zegt hij vriendelijk. Dat hij Engels spreekt komt omdat we in Engeland zijn. De trein waar we in reizen staat op het station van Edinburgh. Behendig tilt Henry zijn rolstoel over de drempel, raakt daarbij klem tussen de deur, die te smal, hem de toegang weigert. Mijn benen staan op, mijn rug recht, in mijn hoofd schieten gedachten alle kanten op, maar wat doet het ertoe. Ik weet niet of hij het goed vindt, maar wel dat ik hem in mijn armen ga nemen, dat ik hem op ga tillen en op zijn plaats in de coupe zal proberen te krijgen. Ik vraag of ie bij het raam wil zitten. Hij kijkt vanuit zijn stoel omhoog, meet mijn postuur, besluit dat ik sterk genoeg ben. “Het liefst bij het raam”, zegt hij en met een lach ‘wanneer het u schikt’. Ik steek mijn armen uit, we lachen, ik til zijn onwillige lijf, vederlicht, eigenlijk bestaat hij uit voornamelijk skelet, minder uit vet. Hij zegt, dichtbij mijn oor, waar zijn hoofd terechtkomt “My name is Henry, and yours?” “Rebecca”, zeg ik.

Henry James

Er is niets ongemakkelijk, niets waar ik van schrik, noch hij, niets waar je je geen raad mee zou weten. Er is alleen die vrolijke man die aan het reizen is. In mijn armen dan, even. Minuten later zitten we tegenover elkaar. De rolstoel is ingeklapt, zijn tas ligt naast hem, we glimlachen, hij zegt ‘thanks’, ik grijns, pak mijn boek en lees. Pas wanneer ik opkijk zie ik zijn ogen die het landschap volgen. Zijn lichaam ondertussen schokt en schiet, beweegt zonder ophouden, het is alsof zijn armen op hem vooruit willen gaan, zijn voeten sneller naar de bestemming, of nee, terug, liever terug. Niets in hem, geen enkel lichaamsdeel, behalve zijn blik, is in rust. En toch straalt hij een kalmte uit die ik nog nooit eerder heb gezien, nergens nog, in de wereld. Hij vraagt naar het boek waar ik in lees.”Ik ken het niet, is het mooi?” Ook zijn praten gaat moeizaam, voor ieder woord spant hij zich in. “Prachtig”, zeg ik. “Zal ik het u voorlezen?” Zijn lijf reageert enthousiast, zijn armen schieten op en neer, even denk ik dat hij van de stoel zal vallen. ‘O machtig’ en nog een keer ‘oooooh machtig’ hij lacht. Ik ondertussen, blader terug naar het begin en lees.

‘Londen, januari 1895’. Henry James wordt juist wakker. Eigenlijk doezelt hij nog, hij heeft over vertrouwde gezichten gedroomd, en ook over andere, halfvergeten, wil nog even bij hen blijven. Nu bij het wakker worden, is het ongeveer een uur voor zonsopkomst, nog even zal het stil zijn, zal niets zich roeren. Met het plezier van zonlicht op zijn gezicht, dicht bij de muur van het oude huis, met de geur van blauweregen, vroege rozen en jasmijn, de kleur en het licht aan de rand van de dingen, begint hij zijn dag.

Aberdeen

We kijken allebei eventjes op omdat de deur van de coupé wordt geopend. De conducteur komt binnen, hij legt een vinger op zijn lippen, knikt naar ons. Zijn ogen zeggen ‘lees rustig verder’, hij gaat zitten, legt z’n hoofd tegen de leuning, kijkt naar ons, en luistert. En verder kabbelt mijn stem langs de zinnen. Soms vragen ze me een zin te herhalen, soms de conducteur, soms Henry.

Nu ik, zoveel jaren later aan de ontmoeting met Henry terugdenk, de gebeurtenissen tijdens die treinreis nog eens door mijn gedachten laat gaan en het toeval ervan in mijn handen neem, nu kan ik me nog precies voor de geest halen op welk moment ik Henry voor het eerst zag.

Kort daarna dendert de trein het station van Aberdeen binnen. De conducteur staat op, hij groet ons, tikt tegen zijn pet ‘Mylord, Mylady’, vraagt ons niet naar onze kaartjes. Dan en daar besluit ik dat ik niét uit zal stappen, dat ik door zal reizen naar Edinburgh, het boek helemaal uit zal lezen voor de man tegenover mij, die ik van deze ontmoeting niets mis wil lopen. Ik weet niet wat me bezielt. Ik weet alleen dat ik in die ene seconde de belangrijkste beslissing van mijn leven nam, omdat daarna álles anders werd.

Henry geeft me een bundeltje. “Lees ‘ns vraagt hij, zie je voorin daar? Daar staat een regengedicht.”

Regengedicht

Troosteloos en van spijt is de regen, waarom
ben ik nooit uit huilen gegaan, ik kom in de
vallende druppels wie mij lief was steeds tegen
‘t waarmee ik hen tekort heb gedaan
Lieflijk en zacht is de regen, ik hou
wel van water, maar meer nog van dauw
ik kom in het dappere gras de liefde weer tegen
En wat ik zo graag nog eens zeggen wou
Gruw en van striem is de regen, ze draagt
wie ik liefhad achter mij weg, de tijd om en om
kom ik in m’n hart verlatenheid tegen, daar vergat ik
te reiken, hield ik mijn hand in een kom
Van helder klinkklaar en van moed is de regen
ze vouwt me een sloot, ligt voor mijn deur
vouw ik mijn handen, kom ik een regenboog tegen,
keer ik mij om, zie ik het leven in kleur
Van eeuw en van jaar is de regen, ze zwaait
mijn vaarwel, dekt me toe in de kou, juist daar
kom ik de liefde tegen, ik fluister
‘dagdag en wat ik nog zeggen wou …’

Ik kijk op, Henry glimlacht. De regen druppelt over het landschap, het licht is voor de tijd van het jaar vriendelijk zacht.

Foto: aj povey via Pexels

Bianca Hiemcke Schriek
Bianca is musicus, schrijver, programmamaker en coach. Ze is directeur van RrOOD, een groep filosofen, musici, bedrijfskundigen, acteurs en wetenschappers die de bezem door de Nederlandse workshop halen. Zij schrijft korte verhalen voor Mantra, Straatnieuws Den Haag en Straatnieuws Rotterdam. In haar coachingspraktijk werkt zij met cliënten die orde willen scheppen in het eigen bestaan.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *