Over vertrouwen

Om ons heen is juist de herfst begonnen. De natuur tast naar haar kleuren, ze draagt de zomer achter mij weg en de tijd om en om. De ramen zetten zich schrap tegen de eerste regenbuien. Hier, waar ik ben, in de kamer, verdwijnt het licht al vroeg in de avond. Een verhaal van Bianca.

Eerst trekt het zich terug langs het plafond, dan tekent het schaduwen in de achterkamer, ten laatste verstrijkt het in de buurt van het venster waar mijn vader zit. Hij kijkt naar buiten. De wereld en hij schuiven op naar de avond. “Waarom draagt u die oude broek toch telkens”, vraag ik hem en als hij vriendelijk naar me knikt, zijn schouders heel eventjes heeft opgetrokken, met een ernstig gezicht de staat van z’n pantalon onderzoekt, schikt hij wat aan de pijpen ervan, en mijmert voort. Op zijn schoot ligt, als vroeger, een boek. Rilke, zie ik.

Herfstlicht

Maar toch zijn de dingen anders dan toen, vader leest niet meer. “Kan ik iets voor u doen”, vraag ik. “Breng me maar thee”, zegt hij. Hij houdt tijdens het vragen zijn ogen vriendelijk op me gericht en zegt “ik ga vanavond wat vroeger liggen”. Na zijn thee staat hij op, hij streelt me over het hoofd. “Je moet van de herfst gaan houden, het licht is er heerlijk, het moedige laatste ervan, het verstrijken. In de herfst schenkt het licht zijn meest tedere moment.” Dat zegt hij.

De ochtend erna ben ik vroeg wakker. In vaders kamer is alles nog in rust. Ik ga even kijken, groet hem zachtjes, laat hem dan. Alles lijkt goed. Ik ontsluit de voordeur en begin aan mijn wandeling. Buiten waait het straf. Ik was verrast toen vader mij vorig najaar vroeg om een jaar bij hem te komen wonen. Er was iets in zijn stem waardoor ik geen moment twijfelde. Het was voor het eerst dat hij me om iets vroeg en er was niets wat mij belemmerde, ik had mijn kinderen groot en de tijd aan mezelf.

Sindsdien loop ik iedere morgen over de vertrouwde paden van mijn jeugd, hoor ik de kerkklok, slaap ik in mijn oude kamer, groet ik de buren, ben ik, na zestig jaar, meer dan ik was, mijn vaders dochter.

Cocon

Weer thuis knip ik een lampje aan, zet thee, verzorg het ontbijt. Wanneer ik mijn vader z’n ochtendthee breng en een beschuitje, de kussens voor hem schik, zegt hij: “Ik ga niet meer opstaan Naomi.” En wanneer ik wat hij zegt niet in volle omvang begrijp, dringender: “Naomi, het is mijn tijd.” Vader is vastbesloten, kalm. Wanneer ik pleit nog even te blijven, hem zeg dat we het toch goed hebben zo samen, dat er nog zoveel te zien valt, voor hem, in de tuin, vanachter het raam, dat ik hem nog zoveel kan voorlezen, dat we nog kunnen luisteren naar muziek, nog kunnen kijken in de prentenboeken, de poëzie, de reisverhalen, dat de avonden toch fijn zijn en de verhalen toch prachtig, zegt hij kalm: “Jij bent sterk genoeg en je bent veilig hier in huis”, en dan “ik ben moe”. Ik vraag of ik bij hem mag zijn, de hele weg met hem mag gaan. Hij knikt. En zo wordt onze wereld klein. We vallen uit de tijd. Het huis lijkt ons te omarmen. We leven in een cocon waarin we tijdens de dagen zacht met elkaar spreken, ik voor hem zorg en hij mij in de avonden moed inspreekt. Ik vraag hem regelmatig nog eens van vroeger te vertellen. Hij is veel wakker tijdens de nachten, dan roept hij me soms en vertelt hij.

Over hoe het leven hem als jongen verging. Over de stad, over hoe het er hier uitzag, over de grachten die stonken, over de karren, de modder en loslopende honden. Ik verbaas me over zijn krachten, hoe hij hen aanwendt, over zijn wil om in zijn verhalen zijn leven nog eens ten tonele te brengen, zijn moeder, zijn broers en zijn vader, het ouderlijk huis, zijn scholing, zijn banen, zijn kinderen, zijn huwelijk, zijn werk. Hij schetst een tijd ver voor ik er was, en toch kan ik de armoede over de straten van zijn jeugd zien heersen, ‘k voel de kou in de regen van toen en schrik zoals hij is geschrokken van het kabaal van de ratelende karrenwielen die over de straat denderden. Ik zie vader spelen, hem een kleine jongen zijn. “Het leven was ruw, niemand sprak over gevoelige kwesties, mijn ouders werkten van ochtend tot avond, verdienden krap aan ons brood, ze vochten voor vooruitgang. De tijd gedroeg zich vijandig, niemand werd oud.”

Wir alle fallen … Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen, unendlich sanft in seinen Händen halt. – Rainer Maria Rilke

Hij schetst me z’n moeder, hoe zij de vloeren met zand bestrooide op de dagen door de week en op vrijdag met theeblad, hoe mooi de vloerdelen daarvan kleurden. Hij vertelt hoe hij op de tafel mocht zitten wanneer ’s avonds de lantaarnopsteker langskwam om de kaarsen in de lantaarns langs de straat aan te steken. Hoe hij pogingen deed te slapen op een versleten matras. Hoe als de herfst inviel zijn moeder met hem in het venster zat. Waar zij gedichten aan hem voorlas. Hij schetst me haar stem, ik lach en herken. Wij, vader en ik, we hebben ons alle jaren zo tot de herfst verhouden, we zaten op onze knieën naar buiten te kijken, liepen in ’t bos, ’t liefste vanaf het eerste moment waarop de bladeren begonnen te vallen. Hij wees naar de kleuren die over de struiken en takken werd gelegd, op de onzichtbare hand die dat deed …. die hand die je nergens kon zien, maar overal voelde. Het was alsof hij me de herfst leerde, de wind en de stilte, het zich terugtrekkende vallende licht. En zo herinner ik mij de gedempte geluiden in huis, de middagen waarop ik naar de wind zat te luisteren. Ik hoorde zijn voetstap en rilde. Om alles wat goed was. Dan mocht ik stil tegen zijn schouder, z’n arm om me heen en vertelde hij hoe ik bij hen terecht was gekomen en over het toeval dat zijn gang was gegaan. Ik vond het prachtig. Tenminste de uitkomst ervan. Ik huiverde om het begin.

Omarmen

Vader vraagt zacht om wat fruit. Ik ontvel een pruim, verwijder de pit, knijp in het vruchtvlees, leg het sap op zijn lippen, voorzichtig. Ik vraag: “Ben je bang?” Hij zegt: “Nee, hoe zou het ook kunnen, ik ben toch nog nooit eerder gestorven.” Waar ik verrast om ben, want ja, hoe zou je bang zijn voor iets wat je nog nooit hebt gedaan? Zo leert vader me wat komt te omarmen. Hij zegt dat je de stilte en de uitgestrektheid van wat je tegemoetkomt kunt leren omarmen. Je je gedragen kunt weten. Precies zoals een kind dat zou doen.

“Jij omarmde de toekomst toch ook eer je hem kende, weet je nog? Je ging er nieuwsgierig mee om. Je bekommerde je nog niet over wat het leven aan betekenis voor je zou krijgen. Je probeerde de toekomst niet te vangen door een zeker ongeduld, mat niets aan iets af, verzette je niet. Je nam de dingen in hun eigen vorm, liet je vinden, wist het leven geduldig in je af te wachten, je over te geven, aan wat komen ging. Je was nog maar heel klein toen je me op een vroege ochtend parmantig kwam vertellen dat je in de volgende dag durfde te vallen.” En ik herinner mij.

In de dagen daarna stopt vader met eten en drinken, hij groet me, heeft dan zijn ogen gesloten, hen niet meer opengedaan. Er is in de kamer een stilte gevallen zoals ik die nergens van ken. Eén waarin elk geluid van de wereld de adem inhoudt, waarin geen spelende kinderen meer klinken van buiten op straat, geen gekwetter van vogels of geritsel van blad, zelfs de wind heeft zich rond ons huis te rusten gelegd. De stemmen waarmee we tot dan toe nog wat met elkaar konden praten, zwijgen. Vader wordt stilaan doorzichtig, breekbaar, fragiel. Pas wanneer ik hem in stilte en gestorven toedek, zie ik hem voor me, veerkrachtig verteller sinds de dag waarop hij mijn vader werd.

Kind

“We zullen dertig jaar oud zijn geweest toen je hier over de drempel binnen stapte, Naomi. Breed lachend stonden we daar, je moeder en ik. We namen je jasje, je muts en je wanten, streelden je haar. We duwden de deur naar de kamer achter ons open, zó dat je binnen kon gaan. Je hief je gezichtje naar ons op. Mocht je naar binnen? We knikten en vroegen ’wil je wat drinken’. Je moeder had een prachtige stem, donkere ogen, zwart krullend haar. We zijn met z’n vieren de kamer binnen gegaan. Wij, de Juffrouw uit het Tehuis die je bij ons had gebracht en jij. Je noemde ons toen nog ‘meneer’ en ‘mevrouw’, je kwam voor ’t eerst en op proef. Je mocht op een stoel, kreeg een kop thee en een kommetje melk waarvan je voorzichtig, om beurten, een slokje nam. Daar glimlachten we om. Wat je niet leuk vond, je deed liever meteen alles goed.

Toen de Juffrouw vertrok leek je eventjes bang, maar je bent niet gaan huilen. We hebben spelletjes gedaan, ik las een verhaal, je hebt aan onze hand gewandeld, een rondje om het huis, verder durfden we niet. ’s Avonds aten we worteltjes, kip en wat rijst, zoveel weet ik er nog van. Je keek ons telkens eventjes aan, snoepte van het eten. Je luisterde naar wat er gezegd werd en ook naar de toon waarop wij gewend waren te spreken, zacht en ieder om beurten. En ik herinner mij dat ik je vroeg of je het fijn bij ons vond, dat we je vertelden dat we graag voor jou wilden zorgen, of je misschien ons kind wilde worden, hoe je glunderde, je gezichtje straalde, toen je zei: “Ja hoor, dat wil ik wel, ik ben niet bang, want ik heb het nog nooit gedaan.”

Bianca Hiemcke Schriek
Bianca is musicus, schrijver, programmamaker en coach. Ze is directeur van RrOOD, een groep filosofen, musici, bedrijfskundigen, acteurs en wetenschappers die de bezem door de Nederlandse workshop halen. Zij schrijft korte verhalen voor Mantra, Straatnieuws Den Haag en Straatnieuws Rotterdam. In haar coachingspraktijk werkt zij met cliënten die orde willen scheppen in het eigen bestaan.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *