Over jonge mensen die sporen(2)

Paula heeft een probleem en is een probleem voor haar omgeving, wordt er gezegd. Er valt niets mee te beginnen.  Mensen, hulpverleners, docenten zijn en worden boos op haar. Ze  luistert niet, ze doet niet wat haar gezegd wordt, haar gelaatsuitdrukking is ondoordringbaar en als ze uitvalt tegen haar moeder is ze ongehoord en niets ontziend hard. Zo wordt het niks met haar, wordt Paula telkenmale bezworen, ze moet aan haar toekomst denken. Hier hoor je de stem van de machteloosheid. Dat spreekt. De omgeving zit met de handen in het haar.

En Paula? Die kan zomaar, zonder enige aankondiging, in nachtelijke uren langs de straten van haar dorp zwerven, met alles wat en wie ze daarin tegenkomt. Ze weet van geen boos, bang, blij of bedroefd. Maar ze weet als geen ander de weg, want met haar oriëntatie vermogen is er niets mis, zij het dat ze onbereikbaar is. Voor anderen en voor zichzelf. Er dreigt, en wordt gedreigd, met uit huis plaatsing. Het kan haar ogenschijnlijk niet boeien.

Haar vorige school achtte de ouders schuldig voor het onhandelbare gedrag van Paula. Hadden zij haar harder aangepakt, dan zat de school nu niet met de gebakken peren. De school immers is wettelijk verplicht steeds naar een ander onderwijsonderkomen uit te zien. En wie wil er nou zo’n dossier in de schoolbanken?! Nee, als de ouders nu maar hun verantwoordelijkheid hadden genomen. Trouwens, het is geen wonder dat school weinig kon uitrichten, naar verluidt konden therapeuten ook niets met Paula aanvangen. Daar heb je het onweerlegbare bewijs, aan school kon het dus niet liggen. Het moet ergens aan liggen. Iemand moet verantwoordelijk worden gehouden. Anders gezegd: iemand moet schuld hebben.

Probleemjongeren, we kennen de term uit de krant. (Je hoort overigens maar zelden over probleemmensen, weer wel over achterstandswijken en disfunctionele gezinnen, alsof een gezin functioneel moet zijn.) Ze zijn dossiers geworden die je van het kastje naar de muur kunt schuiven. Ze hebben geen probleem, ze zijn een probleem en niet in de laatste plaats voor de samenleving. Al wil ik hier wel de mogelijkheid opperen dat het niet denkbeeldig is dat diezelfde samenleving dit soort ‘problemen’ produceert. Het klimaat is uiterst repressief: wie te laat komt en/of spijbelt, kan na een of twee Halt-afdoeningen strafrechtelijk vervolgd worden.  Er wordt een heus proces verbaal opgemaakt. En als blijkt dat het gezin van herkomst niet compleet is, valt de term ‘kwetsbare kinderen’ al snel – en dat zijn er nogal wat tegenwoordig. Alsof het een schanddaad is kwetsbaar te zijn.  

Het punt is dat hier een veruitwendiging plaatsvindt: ikzelf heb niets met deze problemen van doen. Het gaat mij niet aan. Te vaak zie ik hoe docenten tegen pubers praten, niet werkelijk oogcontact maken. Problemen zijn er om – praktisch – opgelost te worden. Dat impliceert dat we zaken beheer- en beheersmatig moeten aanpakken. Daartoe bestaan er behandelings- en stappenplannen, zorgtrajecten en protocollen. Als je die nu maar doorloopt, dan boek je wel het gewenste resultaat. Dan verandert het gedrag wel en wordt de motor van de intrinsieke motivatie gestart. Maar een  puber laat zich niet bewegen. Dat weet elke volwassene, zelf ooit puber, uit eigen ervaring. Inspiratie, motivatie, bewogenheid, ze laat zich slecht, of liever niet, afdwingen. In zichzelf is de mens een onoplosbaar wezen. We zouden er goed aan doen dat tot ons door te laten dringen. Misschien leidt dat besef tot een gedragsverandering bij onszelf in onze houding ten aanzien van pubers – en leerlingen (en medemensen) in hun algemeenheid. De wetenschap (niet louter van het hoofd, maar vooral ook van het hart) dat de vruchten van ons pedagogisch handelen niet per se in onze tijd zichtbaar worden. Wij volwassenen aan wie pubers zijn toevertrouwd, zijn kathedraalbouwers. Er is een tijd geweest dat er generaties achtereen aan een kathedraal werd gebouwd, generaties die nimmer het schitterende bouwwerk in ogenschouw konden nemen. Dat relativeert het eigen handelen in het nu, maar maakt het paradoxaal genoeg tegelijk onpeilbaar groots. Opvoeden is dan ook, althans naar mijn mening, een geloofshandeling.

De schoolgidsen mogen het graag zeggen: elk kind is uniek, elk kind heeft het recht op kansen, op steeds maar weer opnieuw beginnen. Is dat echt zo? Wordt de lei werkelijk gewist opdat het kind een nieuwe start mag maken zonder dat het verleden bij zijn struikelen opnieuw in zijn gezicht wordt geslingerd? Beschikken we over die innerlijke ruimte? Blijft het oordeel over al hetgeen het kind al dan niet heeft aangericht toch niet heimelijk aan haar plakken, in ons hoofd en hart hangen?

Innerlijke ruimte voor dat weerbarstige kind dat zich maar slecht laat voegen. Dat is nog geen sinecure in een tijd waarin onderwijsgevenden over de hele linie aangespoord worden het maximale uit een mensenkind te halen en daar minutieus verslag van te doen. Opbrengstgerichtheid en resultaatgerichtheid zijn de hete adem in de nek. Het zijn ook termen die meetbaarheid veronderstellen. Alsmede ook efficiënt en effectief handelen om die leerling aan te jagen die lat te halen. Het is een enorme belasting voor onderwijzers én leerlingen. De tot normen verheven efficiëntie en effectiviteit leiden tot een volmaaktheidsideaal waaronder elk mensenkind wel moet sneuvelen. En hoe harder je die normen als duimschroeven aandraait  – geen zesjes meer, academisch opgeleide leerkrachten – hoe minder greep je hebt op de werkelijkheid. En trouwens, hoe minder je ziet.

Want als leven en leren nu iets gemeenschappelijks hebben – behalve dat leven wellicht leren is – dan is het wel dat het ten ene malen aan een gestold resultaat ontbreekt. Elk zogenaamd behaald resultaat zul je tegen het licht moeten houden: tegen wat wordt de opbrengst precies afgezet? En als dat een ideaal is, hoe breng je dat dan onder woorden? Paula heeft inmiddels een toets week. Het regent achten en negens. Een fiks aantal dagen is ze zowaar op tijd gekomen. Maar gisteren dan weer niet. Geen idee wat de reden daarvan is. Weet Paula zelf trouwens ook niet. School was blij dat ze uiteindelijk kwam opdagen. Want ze kwam ten slotte opdagen. Zo mogen we aanmodderen.   

Karin Melis
Karin Melis (karinmelis.nl) is filosoof, docent, publicist en gesprekspartner. Ze is in de eerste plaats een toehoorder: pogend te delen wat ze ontvangen heeft en te horen wat anderen haar te zeggen hebben. Altijd verkennend, immer onderzoekend.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *