Op je gezondheid, en vrede!

Ik heb een vriend die dokter is. Hij komt af en toe bij ons eten, na een dag hard werken in het ziekenhuis (tenminste, dat neem ik aan, want hij eet altijd zijn bord leeg). Als je hem een glas wijn geeft, dan begint hij over zijn werk te vertellen.

Zijn glas gevuld houden is belangrijk, want zijn verhalen over de geavanceerde organisatie van een ziekenhuisafdeling, de vakinhoudelijke precisie van specialisten, en de creativiteit die ten grondslag ligt aan de ontelbare preventieve, curatieve en palliatieve behandelingen tegen ziekten, zijn indrukwekkend. Net als zijn salaris trouwens, waarover hij best bereid is te vertellen tegen de tijd dat de bodem van de fles in zicht komt.


“Mero desh”
Zwangere vrouw droomt van ‘mijn land’
(Graffiti op straat in Lalitpur)

Luisterend naar mijn vriend, denk ik dan wel eens aan een bekend gedachte-experiment in mijn sector (Galtung, Brand-Jacobsen), waarbij gezondheid en vrede met elkaar worden vergeleken.

“Beide spel je met twee ‘e’s'”, merkt mijn vriend, altijd al de slimste van ons tweeën, op. En beide zijn voor vrijwel iedereen belangrijk. Daarnaast kunnen we over allebei in termen van welzijn en lijden denken: gezondheid en ziekte, vrede en geweld. En allebei kunnen als samenhangende systemen van actoren, of cellen, worden geanalyseerd.

Zoals mijn vriend vertelt over het belang van een ‘positieve gezondheid’ waarbij een goed functionerend immuunsysteem hoort, en hoe we ziek kunnen worden als deze slecht of zelfs negatief functioneert, zo vertel ik hem over het belang van ‘positieve vrede’ in een samenleving en hoe er geweld kan ontstaan wanneer die er niet is.

Je zou kunnen zeggen dat het ‘immuunsysteem’ van een samenleving aangetast wordt als er sprake is van structureel geweld: geweld dat in sociale, politieke, economische, culturele en religieuze structuren ingebakken zit en zich uit als ongelijke machtsverdeling met als gevolg ongelijke levenskansen. Vaak wordt het gelegitimeerd door cultureel geweld: de rechtvaardiging van structureel en direct geweld door wetten, ideologie, taal, kunst, religie, wetenschap. Zodra een dergelijke samenleving vervolgens wordt blootgesteld aan ‘pathogenen’, ofwel bepaalde externe gebeurtenissen (schot in Sarajevo, 1914), dan kan er geweld oplaaien (WOI).

Wanneer er echter positieve vrede in een samenleving heerst; basisbehoeften worden vervuld, geweldloze conflictoplossingsvaardigheden zijn wijd verbreid, en er is geen of weinig onderlinge polarisatie/stereotypering en structureel/cultureel geweld, dan, zo gaat de hypothese, kan een samenleving gewelddadige gebeurtenissen beter verdragen en is de kans kleiner dat het in de spiraal van escalerend geweld terechtkomt, oftewel ‘ziek wordt’. Negatieve vrede verwijst naar de afwezigheid van geweld, zoals negatieve gezondheid verwijst naar de afwezigheid van symptomen.

Tot zover diagnose en prognose.
Wat valt er te zeggen over therapie?

Zoals er in de sector van mijn vriend onderscheid wordt gemaakt tussen preventieve, curatieve, en palliatieve therapie, zo wordt er in mijn sector onderscheid gemaakt tussen peacebuilding, peacemaking, peacekeeping, als ook het oorlogsrecht.

Zoals preventieve therapie zich richt op het bevorderen van de zelf-genezende capaciteit van het lichaam om ziekte te voorkomen, zo richt peacebuilding zich op het bevorderen van directe, structurele en culturele vrede, inclusief ‘conflict hygiëne’ (kennis van conflict/gewelds/vredesdynamieken en vredesvaardigheden) en het voorkomen van geweld.

Zoals curatieve therapie zich richt op het voorkomen van voortduring of verergering van een ziekte, zo richt peacemaking, door bijvoorbeeld het transformeren van het conflict en de onderlinge relaties, zich op het voorkomen van voortduring of verergering van geweld. Ook peacekeeping kan als curatief worden beschouwd, omdat het zich richt op het controleren/reduceren van geweld (een ‘conflict symptoom’), door bijvoorbeeld de vechtende partijen tijdelijk van elkaar te scheiden.

Tenslotte, zoals palliatieve therapie zich richt op verzachting van de symptomen van een voortschrijdende ziekte, poogt het oorlogsrecht de schade en het lijden veroorzaakt door oorlog te beperken en te verlichten.

Wat is het nut van deze vergelijkende oefening?

Het helpt hen, die geïnteresseerd zijn in vrede, om creatief te denken: om dingen te kunnen voorstellen die er nu nog niet zijn. Het helpt een vredessector die in ontwikkeling is, te leren van reeds gevestigde sectoren, zoals de gezondheidssector, of zelfs de onderwijssector en de veiligheids- en defensiesector.

Hoe zou onze -internationale- samenleving eruit zien als we net zo om zouden gaan met vrede als we nu met gezondheid doen? Welke instanties (een ministerie voor vrede, zoals in Costa Rica, Nepal?), welk regeringsbeleid (integrale vredesopbouw?), welke opleidingen (‘vredeskunde’?) zouden we hebben? Welk onderzoek zou er gedaan worden (fundamenteel en toegepast?), welke bewustmakingscampagnes zouden we op tv zien, welke middelen zouden we beschikbaar stellen, welke innovatieve manieren om met vrede en geweld om te gaan zouden we vinden? Hoe zou een vredesprofessional betaald worden (en zou dat indruk maken op mijn vriend)?

Kortom, hoe zou een infrastructuur voor vrede eruit zien?

Op dit punt in de avond aangekomen, kijkt mijn vriend me wat meewarig aan. Hij is moe van de werkdag, de wijn werkt in, en de richting die ons gesprek heeft genomen vraagt om een mentale sprong: van werkelijkheid naar mogelijkheid.

Maar zo ver bezijden de werkelijkheid blijkt de mogelijkheid niet:

In veel landen gebeurt er al veel op dit gebied. Vorige maand bijvoorbeeld, besteedde het Britse parlement, voor het eerst in zijn geschiedenis, aandacht aan Infrastructures for Peace (I4P), en hoe deze te bevorderen met zijn regeringsbeleid (zie http://www.conflictissues.org.uk/index.php/past-meetings-mainmenu-37/116-debate-on-government-strategy-on-conflict-prevention-21-june-2011).

En volgende maand, tijdens het World Peace Festival in Berlijn (http://www.worldpeacefestival.org/), zal een Infrastructures for Peace Initiative worden gepresenteerd door landen zoals Ghana, Kenia, Kyrgizië en Zuid-Soedan en het UNDP bureau for Crisis, Prevention and Recovery. Mijn werkgever, de Duitse Civil Peace Service, is ook gevraagd hieraan bij te dragen.

“Misschien heb ik een glas teveel gedronken” zegt mijn vriend, terwijl hij vertrekt. Morgen heeft hij weer een lange dag voor de boeg. Ik zwaai hem uit: “Sterkte morgen, met opstaan!” Aan het eind van de straat aangekomen, draait hij zich enigszins wankelend om, roept: “Iedere dokter weet: voorkomen is beter dan genezen!” en maakt een sprongetje.

Jeannine Suurmond
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *