Op een mooie pinksterdag…(1)

“Hoi Heine, is het een idee om de mensen aanstaande donderdagavond te laten nadenken over de vraag hoe het toch komt dat gelovigen (kerkgangers) en vooral theologen aan Dostojevski de voorkeur  geven boven Tolstoi? Is dat omdat de eerste nu eenmaal ‘dieper boorde’ en dus theologisch interessanter is? Net zoals om dezelfde redenen volgens diezelfde groep beterweters Bach te prefereren is boven de Rooms-Katholieke theaterman Mozart?”

Noot bij Tolstoi: wat mensen niet meer weten is dat een eeuw geleden men hier de schrijver vooral kende via zijn ethisch-theologische geschriften, terwijl de grote romans alleen bij de Russen bekend waren.

Ja, een goeie vraag.

In Rusland lijkt er wel een soort tweedeling te bestaan tussen wie de ene grote romanschrijver aanhangen en wie de andere adoreren. En er gaapt een kloof tussen die beide stromingen. Jonge Russen verklaren – steels of openlijk, dat hangt van de situatie af – dat zij zelf of (in het voetspoor van) hun ouders uitgesproken pro de een of de ander zijn. Ruimte voor twijfel is er niet, zo blijkt. Men acht de Petersburgse Dostojevski vooral psychologisch gezien een paar vingerkootjes dieper dan de bevlogen kerkverlater van Yasnaya Polyana. En dan heeft Dostojevski natuurlijk het niet uit te vlakken voordeel van zijn atheïsme, dat immers al honderd jaar in de mode is. 

Veel theologen hebben doorbuigende boekenplanken waarop de romanfiguur van de grootinquisiteur uit De gebroeders Karamozov met zijn volle gewicht Lundia en IKEA knerpend op duurzaamheid test. Tolstoi is echter de auteur van het oog: met zijn artistieke vermogens zet hij dat wat hij ziet om in literaire taal. Waarbij hij aan het geringste wat het oppervlak te zien geeft haast als vanzelf karakter en inhoud weet te ontlokken. Zoals een geograaf aan het landschap alleen genoeg heeft en er de kennis van vermoede delfstoffen aan ontlokt waar de geoloog naar boort. Wat je misschien tegen Tolstoi in het veld kunt brengen is dat hij in de laatste fase van zijn leven – met als keerpunt het schitterende verhaal Opstanding  (1899) zijn aandacht verlegt van verhalen naar religieuze en politieke pamfletten en verhandelingen. De verhalen en metaforen maken plaats voor standpunten. Hij wordt vegetariër, breekt met de kerk, stopt met de jacht, houdt op met roken en zet zich geweldloos in voor de weerlozen die zuchten onder de tirannie van de tsaar. (Dankzij zijn inzet en die van zijn dochter Tanya, lukt het bijvoorbeeld de zwaar onderdrukte niet-orthodoxe groepering van de Duchoboren – wier kinderen geroofd werden om in orthodoxe gezinnen te worden opgevoed – te emigreren naar Canada.) 

Ik bedoel, zijn keuzes zijn allemaal net iets minder spannend voor bij een theologisch bittergarnituur. Jelle Brandt Corstius, de onvolprezen meester van de Ruslandpastiche, vertelt in zijn Rusland voor gevorderden hoe men een standbeeld van Lenin dat het volk vooruit wijst, in de jaren tachtig een kwartslag draaide: niet meer naar het buro van de communistische partij, maar  naar het meer neutrale gemeentehuis. Om vervolgens bij de Lenin-standbeeldenfabriek een exemplaar te bestellen van Lenin met de armen over elkaar. Kennelijk, schrijft Brandt Corstius, weet Lenin ook niet meer zo goed waar het met Rusland heen moet. Ook de naam van Lenin is van de sokkel van het standbeeld verwijderd, er staat nu alleen nog maar ‘staatsman’.

Aan de manier waarop wij duizenden jaren over God hebben gesproken en gedacht lijkt wel een einde te komen. Sommigen verheugen zich daar zo sterk op dat zij gelijk ook al elke vorm van religie in de ban hebben gedaan. Terwijl religie bij uitstek de ruimte is en behoort te zijn voor dichterlijke vrijheid. Een ruimte voor waarachtigheid die vervolgens in de praktijk moet blijken. Zou men de Russen volgen – ik bedoel de grote romanschrijvers – dan zou het bij Dostojevski misschien meer gaan om religie zonder God en bij Tolstoi om God zonder religie. (Wat niet wegneemt dat de laatste toch zeer gesteld was op één heel bijzondere icoon die hij koesterde! Geluk is echter niet afhankelijk is van de dingen buiten ons, maar van de manier waarop wij ze zien.) Religie zonder God blijkt in de praktijk als gevolg te hebben dat er een vacature voor God ontstaat die men maar al te graag vervult. God zonder religie bestaat al waar mensen zonder aanmatiging of vrees het goede doen. Daarmee is het dilemma niet opgelost maar wel getekend. Zonder aanmatiging of vrees (voor schuld) van zichzelf leren afzien – dat kun je oefenen. Dat is waar religie eigenlijk voor bedoeld was – godsdienstoefening. Iets onmisbaars in een prestatiesamenleving. Van zich afzien naar het ‘godvormig gat’ – in al onze redeneringen en beschouwingen, onze passies en gebeden – dat verrast en overrompelt.

Afbeelding: Tolstoi l’homme de la vérité

Heine Siebrand
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *