Muziek over grenzen: interesse of zelfverheerlijking?

We gaan voortdurend landgrenzen over: reizen is gemakkelijk en we kunnen dankzij de media andere culturen vanaf een afstand observeren. Het is nu nog maar moeilijk voor te stellen dat ‘de Oriënt’ ons ooit volledig vreemd was.

Dat we alleen de verhalen van een paar dappere avonturiers kenden en we behalve een paar tastbare souvenirs nog nooit iets oriëntaals met eigen ogen hadden gezien. Door weinig feitelijke kennis van en ervaring met vreemde culturen zijn ooit de wildste verhalen en fantasieën ontstaan, die fungeerden als geweldige inspiratiebron voor de kunsten. Dit uitte zich in exotisme, chinoiserie en japonisme en vierde hoogtij in de negentiende eeuw.

Oriëntalisme is een afgeleide van exotisme, wat zoveel betekent als de (re)presentatie van andere plaatsen en culturen. Het is een term die negatieve associaties met zich meebrengt. Deze omhelst namelijk de focus vanuit Westers (Europees en Amerikaans) standpunt op de Oriënt (het Islamitische Midden-Oosten of Oost- en Zuidoost-Azië) en roept derhalve associaties op met het negentiende- en twintigste-eeuwse kolonialisme.

Edward W. Said gaf in zijn invloedrijke boek Orientalism (1978) aan het begrip een betekenis die daarmee onlosmakelijk verbonden is. Hij stelt dat het oriëntalisme een manier van het Westen is om de Oriënt te domineren en te reguleren. En niet zelden wordt de Oriënt gebruikt om een eigen identiteit tegen af te zetten, stelt Said. (Pseudo-)Oriëntaalse invloed op de kunst rijkt dan ook verder dan alleen wat stilistische kenmerken. En je kunt je afvragen of deze invloed vanuit oprechte interesse is ontstaan, of dat er iets anders achter schuilgaat.

Op welke manier de Oriënt gepresenteerd wordt in Westerse kunst, verschilt door de jaren heen. Over het algemeen kunnen we stellen dat in de negentiende eeuw veruit het meeste oriëntalisme in de kunsten waar te nemen is. Daarvoor zijn meerdere oorzaken. Een daarvan is de invasie van Napoleon en zijn troepen in Egypte. De aldaar vergaarde kennis tijdens deze – overigens niet geslaagde – missie werd vastgelegd in Description de l’Égypte (1809), dat uitgegeven werd door de Franse overheid en een inspiratiebron was voor kunstenaars.

Ook de Griekse Onafhankelijkheidsoorlog, de Krim-oorlog en de verovering van Algerije vormden een rijke voedingsbodem voor oriëntalistische kunstwerken. Het romantische verlangen naar het onbekende, mysterieuze en het exotische heeft de fascinatie voor de Oriënt ongetwijfeld aangewakkerd. Maar lang niet altijd was dit ‘onschuldige’ romantische verlangen de motivatie achter oriëntalistische kunst. Vaak was er sprake van een duidelijke politieke connotatie, waarbij dikwijls het Westerse regeringssysteem verheven werd boven dat van het Midden-Oosten.

Het schilderij Execution without Judgement under the Moorish Kings of Granada (1870) van Henri Regnault is daar een goed voorbeeld van: het impliceert de superioriteit van de Westerse beschaving boven de Oosterse onbeschaafde bruutheid, namelijk het executeren zonder rechtspraak. Een ander populair oriëntaals onderwerp was de harem, welke door de Westerse kunstenaar, die meestal niet het flauwste benul had van wat zoiets daadwerkelijk was, uitgebeeld werd naar het eigen erotische ideaal.

Ook in de muziek beleefde het oriëntalisme een bloeiperiode in de negentiende eeuw. Het verlangen naar het onbekende had ook de romantische componist in zijn greep. Er ontstond interesse om muziek een lokale kleur te geven en er werd veel programmamuziek (muziek die iets uitbeeldt/vertelt) geschreven. Daarbij kwamen er artiesten uit de Oriënt in het Westen optreden. In 1838 kwamen er bijvoorbeeld dansers en musici uit India om meerdere optredens in Parijs te geven. Al deze ontwikkelingen zorgden voor kleurrijke Oosterse melodieën en (quasi-)Oosterse stijlkenmerken om het Westerse muzieksysteem mee te verrijken. In de muziek van Claude Debussy vinden we bijvoorbeeld dergelijke invloeden terug. Luister maar eens naar ‘Prélude’ uit zijn Suite Bergamasque (1890-1905). Deze muziek schreef Debussy vlak na het horen van de gamelan en Vietnamese theatermuziek. En hoewel hij eigenlijk een ander exotisch oord (Noord-Italië) tot uitdrukking tracht te brengen met deze muziek, is de oriëntaalse invloed duidelijk hoorbaar.

Maar muziek gaat over meer dan alleen muziek. Zo ook in de negentiende eeuw. Vooral in de opera kwam het oriëntalisme tot uitdrukking in andere dan louter muzikale stijlkenmerken. Reisverslagen en verhalen uit Duizend-en-één nacht inspireerden tot het situeren van opera’s in het Midden-Oosten – denk bijvoorbeeld aan Aïda (1871) van Giuseppe Verdi (Egypte) of Les pêcheurs de perles (1863) van Georges Bizet (Sri Lanka)– en werkten bepaalde stereotypering in karakters en plot in de hand.

Die stereotypes zijn bijvoorbeeld de vrouw als gevaarlijke verleidster, de man als tiran of mannen die extreem veel vrouwen verleiden. Een veel voorkomend plot is de Westerse man die een liefdesrelatie aangaat met een (seksueel) aantrekkelijke, verleidelijke en tegelijkertijd bedreigende Oosterse vrouw. Er werden, geheel in de trend van het romantische gedachtengoed, mysterieuze en duistere eigenschappen toegeschreven aan het oriëntaalse en soms zijn er duidelijk politieke thema’s in opera’s te herkennen die verwijzen naar kolonialisme en expansie. Al met al bood de opera, zo vanuit Westers en romantisch perspectief, niet per se een waarheidsgetrouwe verbeelding van de Oriënt.

Interessanter nog is dat achter de oriëntaalse stereotypering vaak het zelf schuilging. Zo werd de oriëntaalse vrouw in Samson et Dalila (Saint-Saëns, 1877) waarschijnlijk gebruikt als dekmantel voor het tonen van de seksualiteit van de vrouw, die normaliter niet bespreekbaar was. En Puccini projecteerde op de Japanse Cio-Cio-San, de vrouwelijke hoofdpersoon in zijn Madama Butterfly (1904), waarschijnlijk niet eens zozeer zijn idee van de Japanse geisha, maar juist het typisch Italiaanse vrouwbeeld van rond 1900: ondergeschiktheid aan de man, naïviteit, passiviteit en instabiliteit kenmerken haar.

Waarheidsgetrouw of niet, de invloed van de Oriënt op de Westerse muziek is van wezenlijk belang geweest. Al zou het alleen maar zijn om ons bewustzijn scherp te houden wanneer we over landgrenzen heen kijken: zijn we echt geïnteresseerd in de ander of zijn we eigenlijk op zoek naar onszelf?

Afbeelding: Een verhaal van 1001 nachten, Gustave Clarence Rodolphe Boulanger

 

Mimy Jadoenathmisier
Mimy Jadoenathmisier is musicologe en impresario voor klassieke musici (Nachtmusik.nl). Eerder schreef ze teksten met een muzikale inslag voor o.a. Cleeft.nl en DeFusie.net en werkte ze bij de programmering van Het Concertgebouw. Ze gelooft in de kracht van het interdisciplinaire en haalt inspiratie uit filosofie, kunst, cultuur en natuurlijk muziek.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *