Liever met schroom over God praten dan zwijgen

Evert te Winkel – Laten we eens over God praten. ‘Bah’, zeggen sommigen al tegen mij: ‘God is een vies woord voor mij geworden’. En dat is begrijpelijk.  Het begrip ‘God’ is soms gekaapt door gelovigen die hun geloof in God gebruikten om andere gelovigen uit te sluiten. Dat spreken over God kan daardoor voor velen een last geworden zijn: Het roept vooral nare beelden uit vroeger tijden op.

Maar, zeggen de jonge theologen in het manifest: Onze generatie heeft deze ballast niet. Wij willen dus weer zonder schroom over God praten. Sterker, zo beweert het manifest, jonge theologen zijn het gewend om onbekommerd over God te praten. Ik ben van dezelfde generatie en herken dat ergens wel. Zowel met jongeren binnen als buiten de kerk praat ik met enige regelmaat over God, Jezus en de bijbel. Wel met veel schroom, dat dan weer wel. Maar juist in het spreken over God zit voor mij hét pijnpunt: het manifest zwijgt juist over God. Ook in de vervolgartikelen is God misschien wel de Grote Afwezige. Deze oorverdovende stilte over God valt steeds meer op: Het gaat over de verhouding tussen kerk en wereld, over praktische manieren om het geloof aantrekkelijk en zichtbaar te maken voor jongeren en het gaat ook over de opleiding.

  

Maar het gaat nog steeds niet over God. Jullie willen, net als ik, over God praten, maar niemand pakte die handschoen op. Het initiatief trekt mij aan, maar nadruk op missionair zijn is tegenwoordig toch vooral ‘veilig’. Er is dan minder aanleiding om over de inhoud te praten, daar waar juist wel grote meningsverschillen over zijn. Over God heeft iedereen verschillende ideeën en is de onenigheid veel groter. En er is toch alle reden om het met elkaar oneens te zijn?

Als ik dit zo zie zou ik haast zeggen: de schroom om over God te spreken is er nog wel. ‘We willen praten over praten over God. Maar niet praten over God’, zo lijkt het. Ook dit herken ik. Als ik over God praat, dan is dat meestal omdat mijn niet-christelijke vrienden, van allerlei (niet-)religieuze herkomst, mij erom vragen. Stotterend geef ik hen antwoord. Verkeerd antwoord, ongetwijfeld. Maar is ieder spreken over God niet juist een vol schroom tasten en zoeken?

In de evangelische beweging, waar  ik vandaan kom, is de schroom om over God te spreken vrijwel afwezig. God is Vader en Vriend en dat komt hen soms net zo gemakkelijk de strot uit als ‘ik ga even op de fiets naar de supermarkt’. Door mijn ervaring in deze evangelische beweging is bij mij de schroom gegroeid om over God te spreken. Maar jongeren en jongvolwassenen van deze tijd vragen om inhoud. Zij kunnen er zeker begrip voor opbrengen dat gelovigen en theologen het niet in alles eens zijn over God, over wie of wat ‘hij’ is, over de eventuele exclusiviteit van een god of godsbeeld. Maar zij willen wel weten hoe wij, als min of meer bestudeerde christenen, hier tegenaan kijken.

Laten we het debat over wie God is dan ook uit de kerk en bij de theologische faculteit vandaan halen, in plaats van ruimte te zoeken om hier in de kerk over te spreken. Filosofen als Herman Philipse en Emanuel Rutten spreken buiten de kerk over God. Bij de Preek van de Leek gaat het meer dan eens over God. Maar: Door spraakmakende leken. De (Nederlandse) theologen lijken tot nu toe vrijwel volledig afwezig in dit debat. Dat lijkt me niet de bedoeling.

Ik ben een journalist, geen theoloog. Ik heb ‘dus’ geen verstand van God. Maar ik geloof wel in hem. Ik houd het op de mannelijke vorm, hoewel wat mij betreft er ook haar mag staan. Ik heb ook mijn geloofservaring. Het geloof in God spreekt mij aan en is betekenisvol in mijn leven. En vanuit mijn geloofservaring wil ik daar graag wat over zeggen. Ik probeer een aantal kenmerken te destilleren die ik wezenlijk vind. Van God, inderdaad.

Laat ik beginnen met een kenmerk dat voor mij misschien wel het belangrijkste kenmerk is: Dat God buiten mij is. Wanneer ik in stilte bid, dan is dat geen interactie met mijzelf: ik geloof dat een buiten-mij luistert. Dat deze buiten-mij ondersteuning biedt, ook als mijn broer kanker krijgt of een bekende overlijdt.

Ik geloof daarbij dat deze buiten-mij niet samenvalt met de natuur, de kosmos of de werkelijkheid, maar deze werkelijkheid overstijgt. In theologische termen kom ik ergens uit dat God niet gelijk is aan de werkelijkheid, maar dat God deze werkelijkheid omvat. Een Aristoteles noemt God ‘eerste oorzaak’, overigens een term die latere filosofen als Emanuel Rutten ook voor hun rekening nemen. Dat is volgens mij een aspect, van de vele, van het werkelijkheid-overstijgende van God.

Met Augustinus geloof ik echter dat ik juist in mijzelf moet zoeken om God te vinden. In onszelf vinden wij allerlei goede en minder goede eigenschappen, redelijkheid en onredelijkheid, bewustzijn, geweten en verlangen. En uiteindelijk ook God. Of niet. Waar het om gaat is dat God niet los van mij staat, niet los van mijn gedachten over hem, niet los van mijn ervaring met hem. De aarde, bijvoorbeeld, staat niet gelijk aan het universum, het universum is veel groter en omvat de aarde, maar hier op aarde, in onze eigen woonplaats, in onze eigen achtertuin komt het universum heel dichtbij. Zo dichtbij zelfs dat wij dit universum hier op aarde vaak juist niet zien. Het is dan ook in ons dat God heel dichtbij komt, heel dichtbij kan komen.

Bewust kies ik er voor om over God te spreken in persoonlijke termen, in hij of haar, omdat ik meen dat God meer is dan alleen ‘kracht’, ‘energie’ of ‘oorzaak’. Een woord als ‘wezen’, zoals dat in de oude geloofsbelijdenissen gebruikt wordt (één in wezen) wekt de indruk dat God gewoon een onderdeel is van deze werkelijkheid. Die indruk lijkt mij slechts ten dele juist. Maar het geeft mijns inziens wel goed weer dat wij als personen iets van onszelf in God kunnen terugzien

Daarmee kom ik bij een volgend punt: God is in mijn ogen een moreel ‘wezen’. Moraal staat niet buiten God, maar is een onderdeel van de natuur van God. Daarbij erken ik dat niet alleen het goede en het prettige bij God vandaan komt, maar ook het kwaad, of concreter: zonde, ziekte en dood.

Tot nu toe heb ik redelijk veel gesproken in abstracties, terwijl ik beloofd had iets over mijn geloofservaring te vertellen. Bij deze.  Zeer bepalend in mijn leven en mijn denken over het leven was het moment dat ik thuis kwam van stage, ik werkte indertijd bij een accountantskantoor, en ik thuis een bedrukte stemming tegenkwam. Ik voelde wel dat er iets ernstigs aan de hand was. Het hoge woord kwam eruit: je broer heeft kanker. Mijn eerste gedachte was: hij gaat dood. Dat viel gelukkig mee.

In eerste instantie drukte dit mij met de neus op de feiten dat het leven tijdelijk is. In tweede instantie bracht mij dit het besef dat ik niet alleen het goede van God verwachten moet. In deze tijd groeide het bekende bijbelboek Job, waar Job God beschuldigt van onrechtvaardigheid, uit tot een voor mij zeer sprekend boek.

Nog een laag dieper leerde dit mij dat God en geloven in God pijn kan doen. Dat een God die altijd op afstand blijft, die een abstractie is, mij niet alleen het kwade niet brengt, maar ook het goede niet. Een dergelijke God is voor mij betekenisloos, ver  weg.

Mijn ervaring is anders. Als ik verdriet heb en ik ga bij mijzelf te rade, dan weet ik dat God met mij meelijdt. In dit lijden, laat ik het trouwens niet overdrijven, ervoer ik ook de vreugde die bij dit lijden hoort. In mijn verdriet en in mijn angst voor de toekomst, ontmoette ik God.

Deze tekst verscheen eerder op de website van de dominee’s van het manifest:

dominee 2.0: dominee2punt0.wordpress.com

 

Claudia Pietryga
Claudia deed zowel een sociaal-agogische als journalistieke opleiding en is alweer bijna tien jaar freelance journalist. Ze schrijft het liefste over maatschappelijke onderwerpen en publiceerde onder meer stukken in de Flair, Hallo Jumbo, Spits, Het Parool, diverse blogs, lokale bladen en uiteenlopende (online) media voor met name ondernemers.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *