Leven als een lapjeskat

Ze woonde zevenhoog in een studentenflat aan de rand van de stad, op een kamer van drie bij vier. Het toeval wilde dat de huurder van die flat tijdelijk afwezig was: ze mocht de ruimte gedurende zijn afwezigheid van hem huren. Een gelukkige oplossing voor beiden. Zij was blij met de (kortdurende) oplossing van haar woningnood, en hij kon met een gerust hart enkele maanden op reis. Hij was psycholoog. Wat zij precies was, we zouden het nooit weten. Maar haar komst bleef niet onopgemerkt. Ze was aardig, en maakte gemakkelijk met ieder die ze tegen kwam een praatje.

Pas na verloop van tijd – enkele weken waren voorbij gegaan – begon het op te vallen dat ze niemand in haar flat duldde. Avond aan avond kwam ze telkens bij een andere buur op de koffie, maar zelf wenste ze geen bezoek. Niet dat iemand dat stoorde – ieder z’n eigen stijl en waarom zou je er kwaad van denken-, maar toch, opvallen deed het wel.

Op een nacht werd er voor haar opgebeld. En aangezien ze geen gehoor gaf, greep enige bezorgdheid om zich heen. Na lang kloppen werd de deur eindelijk geopend. Ze keek ons slaperig aan en vroeg wat er was. “Eigenlijk moet ik jullie nu wel binnenlaten, hè?”. Ze was duidelijk in verlegenheid gebracht. Door de deur verder voor ons open te doen, nam ze gelijk maar haar besluit. “Stoor je niet aan de rommel…”. De kamer was vrijwel leeg: geen stoel om op te zitten. In de hoek bij het raam stond een bed. En in het midden van de kamer, op een grote hoop, duizenden lapjes. Grote en kleine, in alle denkbare kleuren en ze waren gesorteerd naar opdruk: bloemmotieven bij elkaar, streepjes bij streepjes, ballen bij ballen. Ze stond er zelf wat bedremmeld bij. “Sorry hoor, maar het is mijn hobby. Ik verzamel ze al jaren.” Later, veel later, vertelde ze haar verhaal. Dat ze was opgevoed in een kindertehuis, en dat ze steeds weer vreesde om opnieuw in een tehuis te moeten leven. Van enige liefde, enige aanraking van vader of moeder, kon ze zich niets herinneren. En om die hele grote wereld van liefde en geluk – van de gewone mensen – toch in huis te hebben, had ze lapjes in huis gehaald. Om die te koesteren – om zo de koestering van de wereld in huis te hebben. Een aangrijpend verhaal, om nooit te vergeten. Enkele weken nadien keerde de verhuurder van haar flat terug. We ontmoetten hem in de lift. Hij had een goede reis gehad, veel indrukken verzameld. Hij zou niet lang blijven: hij kwam alleen om snel zijn huur te innen.

Na tien minuten was hij weer vertrokken: rijk aan indrukken, de lapjes van zijn leven.

Met het meisje in zijn flat ging het steeds minder goed. Op een ochtend was ze vertrokken. De huismeester had haar spulletjes verzameld: een karretje vol lapjes in de hal van de flat. We hebben haar nooit weer gezien. Ze zag de mensen: een mantel van liefde om hen heengeslagen. Daar voelde ze zich buiten gesloten. Daarom zocht ze die aan te raken: om geborgen te zijn. Omdat zij over liefde had gehoord (Marcus 5, 27) drong zij zich naar voren en raakte de mantel van Jezus aan. Want, zei ze, “Als ik maar zijn kleren kan aanraken, zal ik genezen zijn”.

Bij nader inzien vind ik het beeld eigenlijk te mooi. Dat lapjes symbool kunnen zijn voor aanraking. Niet dat dit niet waar zou zijn, maar er gaat misschien nog iets aan vooraf wat nog veel belangrijker is.. Dat er ook de tijd en de gelegenheid voor is om de kans te grijpen voor de aanraakbaarheid van het leven.

Het beeld van de brandende braamstruik komt in mij op. Altijd eenzijdig uitgelegd als zijnde vooral een wonder. Maar niet meer dan een soort stoplicht op z’n bijbels voorgesteld: halt, rood vuur, niet verder de grond waarop je staat is heilige grond. Je kunt geen kant meer op. Aan jou de keus. Linksom of rechtsom, hoe ook aan-  of uitgekleed, hier draait alles om. De onverbeterlijke gelegenheidsatheïst kiest amechtig voor de vlucht in de feiten. “Hoezo heilig?” vraagt Mozes ongelovig.

De verhuurder komt alleen voor de knikkers, niet voor het spel. Verder heeft hij er niets mee te maken. Twee werelden elk met een eigen soort waarheid. Zij in het verborgene levend met de schutkleuren van de nacht. Hij levend van het soort trendy transparantie dat in zaken goed scoort en dat nergens doekjes om windt. Glasperlenspiel. Niets te verbergen, behalve wanneer hij zijn huur kwam innen, en hem de grond hem onder de voeten te heet werd. Niets te verbergen, toch bang? 

Heine Siebrand
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *