Leve de zachtaardigen!

Een politicus van wie iemand zoals ik, die al jaren in het buitenland woont, zich met verbijstering afvraagt: ‘waar komt zo’n individu vandaan?’ – heeft onlangs gezegd: ‘Het is soms de bedoeling grof en denigrerend te zijn. Dat moet kunnen’. 

Dat een aanzienlijk deel van het Nederlandse volk deze politicus zo niet aanhangt dan wel laf gedoogt, is een teken dat Nederland verloedert. Een van de meest welvarende landen van de hele wereld – ja, verloedert.

Je moet hard zijn

Die bepaalde politicus is eigenlijk maar als het puntje van een ijsberg, of – als je wilt – een symptoom. Van binnen was de vrucht allang rot. We waren er allang op voorbereid, op de grofheid die die persoon incarneert. En laten we wel zijn, in de andere naties van de Westelijke hemisfeer is het niet anders gesteld. Te lang hebben we van de ‘hardheid’ een deugd gemaakt. Misschien was het even een verademing, in het begin van de jaren tachtig, om de geitenharen-sokken-ideologen voor ‘softeriken’ uit te kunnen maken. We hadden opeens een flinke steun in de rug: Thatcher, Reagan. Maar de pendel is toen te ver naar de andere kant doorgeslagen – erger, hij is daar sindsdien, aan die andere kant, blijven steken. We verheerlijken de harde feiten, we houden van harde muziek, we hebben harde jongens nodig in het bedrijfsleven, het ergste wat je van iemand kunt zeggen is dat hij een softie is, een zacht ei. Zo iemand is per definitie een loser. Doodverklaring.

Je moet sexy zijn

Opeens was die uitdrukking er. Ook in Frankrijk. Je bent sexy wanneer je eruit ziet alsof je zo uit de douche komt na een sessie spieroefeningen in een sportschool. Je trekt daarbij een gezicht alsof je het heel fijn hebt met jezelf en je lak hebt aan wat anderen van je denken. Ik heb het eens met eigen ogen gezien: een vent halfbloot, met boven een broek met een plooi een zonnegebruind confectietorso, die op een balkon, ten aanschouwen van de hele straat, zijn dure vergietschoenen stond te poetsen, terwijl hij zijn mobiel tussen zijn schouder en zijn wang klemde en daarin dingen als ‘gaaf’, ‘lullig’ en ‘kut’ zei. Als die vent eens wist hoe belachelijk hij was. Filmmensen, sportlui, blonde geldjongens en meiden, oké – maar er gaat geen week voorbij of je leest wel ergens van de een of andere vertegenwoordiger van een beroepgroep die vindt dat de mensen van zijn beroep zich wat ‘sexier’ zouden mogen opstellen. Laatst een rechter, op de foto een vent van ver in de vijftig in een hemd dat drie knoopjes open staat. Er zijn zelfs dominees die dit lopen te raaskallen. Sexy – overal je lijfelijkheid opdringen. Ook dat is een vorm van hardheid. Wie niet sexy is, die is gefrustreerd, oubollig, achterlijk. De Fransen zeggen ringard. Ook een doodverklaring.

Je moet jezelf verkopen

Spreek uit: verkaupen. Ja, want uiteindelijk gaat het daarom, om geld. Om tellen, om kwantificeren, om geld. Tot de jaren tachtig (Thatcher, Reagan) was iemand die ‘zichzelf verkocht’ een hoer. Daarna niet meer.

Zachtaardige mensen zijn mensen die het floers zien dat de harde feiten, de blote lijfelijkheid, de kwantificeerbare materie omgeeft – floers bestaande uit miljoenen nuances en halftinten – en die weten dat alles wat werkelijk waarde voor ons heeft zich in dat floers laat vinden. In dat floers zit de oneindige rijkdom van de werkelijkheid, een rijkdom die niet te koop is, die er domweg is. Dat floers is het palet van de kunstenaars, dat floers is de tovertuin van mensen die elkaar beminnen. Zachtaardige mensen zien dit, weten dit. Voordat ze iets zeggen, denken ze na – soms lang na. Wat is het juiste woord voor deze nuance, voor die andere zachte tint? Ze weten ook dat de eigenheid van een mens zich juist door het floers dat om hem heen waart laat bepalen. Ze benaderen de mensen daarom met een zekere behoedzaamheid. De pot mag dan nog zo groot en schreeuwerig duur zijn die een persoon voor in de vitrinekast van zijn wezen heeft gezet, een zachtaardig mens weet dat achter die pot, op de étagères, allemaal porceleinen kopjes staan uitgestald, uit de Ming periode, uit de Ping periode, met prachtige pasteltinten, fijn en erg breekbaar. Hij zal daarom niet als een olifant bij de persoon binnenkomen – bot, kort door de bocht, grof – hij neemt zijn tijd, hij toont zich ingetogen vriendelijk. Hij is beschaafd.

Brutalen hebben de halve wereld – anders gezegd de helden van onze tijd, de opscheppers: hard, sexy, goed in de verkoop, die vinden dat grof en denigrerend zijn ‘moet kunnen’. Maar die halve wereld die ze hebben, wat is die arm! Voor zachtmoedige mensen blijft vaak maar een klein stukje wereld over. Maar dat kleine stukje wereld is rijk. Ze zien zoveel dingen die anderen niet zien.

Caspar Visser t Hooft
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *