Kerk op zoek naar nieuwe vormen (1)

Het gaat slecht met de kerk in Nederland. Die klacht is in bijna alle uithoeken van kerkelijk Nederland te horen, van orthodox tot vrijzinnig. Als we alleen naar de statistiek kijken, dan valt die klacht ook nauwelijks te weerspreken. Vrijwel alle kerkgenootschappen in Nederland krimpen en vergrijzen, en sommige in hoog tempo. 

Zichzelf in stand houden
En we moeten het maar eerlijk onder ogen zien: bij de kerkgenootschappen die in hoog tempo krimpen, horen ook de vrijzinnige stromingen. Vrijzinnigen hebben de toekomst, zo luidde de titel van een boeiend boek van de Leidse godsdienstsocioloog Meerten ter Borg uit 2010, een uitwerking van zijn VolZin-lezing van 2008. Ja zeker, vrijzinnigen hebben de toekomst, dat denk ik ook. Een vrijzinnige levenshouding wijst ons de weg naar een leefbare omgang met maatschappelijke, politieke en culturele vraagstukken in de veelkleurige en drukbevolkte Nederlandse samenleving. Maar die toekomst ligt niet meteen in het georganiseerde kerkelijke domein.

Daar hoor je veel gesteun en gekreun, veel kommer en kwel. Die kommer en kwel maken vooral duidelijk dat de kerkgenootschappen heel erg veel met zichzelf bezig zijn. Misschien ligt daar wel een groot deel van het probleem: dat de kerken het zo druk hebben met zichzelf. De Britse theoloog Stuart Murray, die zich sterk laat inspireren door de doperse theologie van de zestiende eeuw, legt de vinger op de zere plek als hij vaststelt dat veel kerkgenootschappen meer bezig zijn met ‘maintenance’ dan met ‘mission’. Ze hebben het, anders gezegd, drukker met zichzelf in stand te houden dan met de zending waartoe zij geroepen zijn: het doorgeven en levend houden van het visioen van het rijk van God. In plaats van instrument, van hulpmiddel, lijkt de kerk een doel in zichzelf geworden te zijn. En de opgave lijkt dan om zo veel mogelijk van haar vertrouwde instituties en praktijken overeind te houden. Kerkenwerk lijkt vooral monumentenzorg en erfgoedbehoud.

Vormen zijn vergankelijk
Als betrekkelijke nieuwkomer in de vrijzinnige wereld verbaast het me wel eens dat die houding ook daar wijd verbreid is. Toch zouden juist vrijzinnigen doordrongen moeten zijn van de betrekkelijkheid van kerkvormen, van de inrichting van kerkelijke ambten en organisatievormen, van de vormgeving van kerkelijke praktijken en activiteiten. In het oecumenisch gesprek hebben zij tegenover hun gesprekspartners steeds de nadruk gelegd op het tijd- en cultuurgebonden karakter van kerkelijke leerstellingen en organisatievormen, en daarmee ook op hun relativiteit en veranderbaarheid.

Veel elementen in de kerk stammen uit een periode in onze cultuurgeschiedenis die werd gekenmerkt door statische en duurzame gemeenschappen: familie, klasse, stam en volk. Het behoren tot die gemeenschappen was een zaak voor het leven. Zo was het ook met de kerk: daar hoorde je bij van de wieg tot het graf, zeker vanaf de tijd dat de kinderdoop de algemeen gangbare toegang tot het kerklidmaatschap was. En wat je deed in de kerk werd evenzeer bepaald door wetmatigheden en tradities van eeuwen her. Wanneer iemand uit de zeventiende eeuw met de teletijdmachine van professor Barabas naar onze tijd verplaatst zou worden, zou hij waarschijnlijk in een enorme verwarring geraken, ook in de kerk, maar daar toch wel het minst. Want in veel van wat hij in de kerk zou zien, zou hij wel iets herkennen uit zijn eigen tijd. Er is in de wereld veel veranderd en ook in de kerk, maar daar toch aanzienlijk minder. Sommigen vinden dat zelfs het aantrekkelijke aan de kerk: zij is een baken van continuïteit in een samenleving op drift. Voor niet weinigen is zij zelfs een vluchtheuvel: de kerk tilt je even boven de verwarrende tijd uit.

Bron: Adrem juni 2013

Afbeelding: Michiel1972/Wikimedia Commons

Peter Nissen
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *