Kampen en vrijzinnigheid (6)

Vanaf september 2012 sluit de Theologische Universiteit in Kampen haar deuren. Eigenlijk moeten we zeggen: de PThU afdeling Kampen. Aan een tijdperk van ruim 150 jaar theologie bedrijven in dit kleine stadje aan de IJssel komt dan een einde. Zinweb vroeg een aantal oud-studenten en docenten naar hun ervaringen. Hoe kijken zij terug? Een aantal van hen noemt zichzelf vrijzinnig. Anderen spreken zich hier niet expliciet over uit, maar voelen zich binnen de orthodoxie niet meer thuis. 
Vandaag deel 6:  Kamper historicus Jaap van Gelderen
 

Kampen vrijzinng?

Om de in de IJsseldelta gelegen oude Hanzestad Kampen hangt de galm van rechtzinnigheid. Er zijn er die beweren dat de stad thans definitief in de Bible Belt moet worden gesitueerd. Daar is wel wat op af te dingen, zeker als we het geschiedenisboek opslaan. Dat leert in ieder geval dat elk tijdvak in het verleden van de stad een eigen kleur heeft, ook in religieus opzicht, zeker na de grote breuken in de zestiende eeuw In Europa. (Maar de handelsstad Kampen liet joodse kooplui toe vanaf het begin van de veertiende eeuw).

De bloeitijd, met vele handelsrelaties – van de Oostzee tot aan Lissabon en verder – was eind zestiende eeuw voorbij: dat hing samen met de veranderende waterhuishouding in de Lage Landen waardoor het economische zwaartepunt naar Holland (Amsterdam) werd verlegd. Kampen, gelegen op een smalle strook land – kon niet verder uitbreiden: tweemaal per jaar stond het zeewater tot aan de poorten, en zelfs tot in de lagere delen van de stad. (De bouw van de Afsluitdijk sloot deze periode af). Kampen moest telkens, om het zo eens te zeggen, het wiel opnieuw uitvinden: hoe economisch te overleven als de oude bronnen van bestaan opdrogen? Het is boeiend te zien welke bevolkingsgroepen het voortouw nemen de stad als het ware opnieuw ‘uit te vinden’. Gelegen aan het eind van de wereld, in een isolement tussen Zwolle en de Zuiderzee. (Wel is er verkeer over het water: op Amsterdam, op Friesland en natuurlijk op het achterland).

Behalve vracht kan een dergelijk scheepvaartverkeer ook nieuwe gedachten aandragen. De ‘lutherye’ drong in Kampen door via kooplui uit het Duitse rijk die de stad bezochten. Aanhangers van de vrijgeest David Jorisz vonden hier een veilige schuilplaats (en een drukker!). Het portret van Dirck V. Coornhert hing in herberg ‘De Eenhoorn’ (tot strenge calvinisten het op het vuur wierpen!). De stadseconomie dreef vanaf het einde van de zestiende eeuw op de textiel, opgezet door Waalse en Franse geloofsvluchtelingen die op uitnodiging van de magistraat zich hier vestigden, 1592 (de Waalse gemeente hier was de oudste in Noord- en Oost-Nederland!). Een constante bron van inkomsten waren de Kamper-eilanden, een zich uitbreidend agrarisch ommeland met vele mogelijkheden (de stad inde de pacht). Maar telkens had de stad een nieuwe impuls nodig: instroom van economisch sterke mensen. In 1661 nodigde de stad Portugees-joodse kooplui – en in hun slipstream Hoogduitse families – uit om zich in hier te vestigen; Kampen was ook hier de eerste stad in Oost-Nederland die Joden woonrecht verleende. (Het wegvallen van de joodse bevolking in 1942-1943 is een niet te peilen verlies over heel de linie geweest, trouwens in heel Europa). De magistraat van 1661 was overigens stevig ‘gereformeerd’, en de uitnodiging aan de Joden riep heuse afkeer op bij hun dominees, waarvan er één zich in dichtvorm uitte (Johs. van Vollenhove).

Aan het begin van de negentiende eeuw was Kampen qua bevolking een zeer kleine stad geworden: stad en wijde omgeving een kleine 7000 mensen, 1809. De contouren: drie torens; het patroon: een halve maan langs de IJssel; en de infrastructuur: parallelle straten doorsneden door stegen, waren sinds de verre middeleeuwen hetzelfde gebleven. De textielnijverheid kwijnde door de opkomst van Twente (waar de arbeidskrachten goedkoper waren). Toch was Kampen in trek bij nieuwkomers: kleine boeren (keuters, dagloners) van de Noordoost-Veluwe die in hun agrarische existentie bedreigd werden (door het vrijgeven van de domeingoederen was dit gebied een toevluchtsoord voor mensen die, al was het maar een hut, een woonplek zochten). In Kampen zochten de Veluwenaars een onderkomen als stadsboer door van hun laatste geldje het burgerrecht te kopen! (een recht dat in feite was afgeschaft in 1796). Deze nieuwe bevolkingsgroep was orthodox van opvattingen: de invoeging in de Bible Belt was begonnen. Voor de economie van Kampen was het belangrijker dat, als per toeval, er hier een sigarenindustrie werd opgezet (die tot ver in de twintigste eeuw de belangrijkste werkgever werd).

Onder het (nieuwe) boerenelement in de stad vond de Afscheiding van 1834 uit de toenmalige Hervormde Kerk een kleine aanhang. Toen hun leider, ds. Hendrik de Cock (1801-1842) uit Groningen, Koning Willem I opriep de ‘remonstrantse’ woelingen te stuiten, kwam een rechtgeaard Kampenaar in het geweer: Jurriaan Moulin: hij wees erop dat in het begin van de zeventiende eeuw Kampen een remonstrants bolwerk was geweest. Moulin was beslist een tegenstander van de vervolging van overheidswege van de Afgescheidenen én wees hen (de separatisten) op dit verleden en op de nieuwe verhoudingen (1796) waaronder ook de religies in Nederland moesten samenleven. 

wordt vervolgd in volgende aflevering van ‘Kampen en vrijzinnigheid’

Claudia Pietryga
Claudia deed zowel een sociaal-agogische als journalistieke opleiding en is alweer bijna tien jaar freelance journalist. Ze schrijft het liefste over maatschappelijke onderwerpen en publiceerde onder meer stukken in de Flair, Hallo Jumbo, Spits, Het Parool, diverse blogs, lokale bladen en uiteenlopende (online) media voor met name ondernemers.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *