Je geloof moet je leven

Leven en werk van kunstenares Maria van Everdingen
Marianne Bouma – Wiebols is de oudste nicht van de kunstenares Maria van Everdingen (1913–1985). Na het overlijden van haar moeder kwam het archief van haar tante bij haar op zolder. Het stond daar niet in de weg, maar het drukte ondertussen als een last op haar geweten.

Maria had op een briefje geschreven dat de documentatie van haar kunstwerken bij elkaar moest blijven. Die zin had ze nadrukkelijk onderstreept.

Archief
‘Waar moeten haar spullen in de toekomst blijven?’, vroeg Marianne zich af. Drie, vier keer toog ze naar zolder en begon het materiaal te doorzoeken. Met tegenzin. Ze had geen rust om het uit te zoeken. Ook was zij in die jaren al druk doende om samen met familie van tijd tot tijd te inventariseren hoe de beelden van haar tante in de openbare ruimte erbij stonden. Vaak  moest zij regelen dat vernielingen aan de beelden door vandalisme en onzorgvuldig beheer hersteld werden. ‘Zelfs van brons kunnen ze een hand afhakken’. 

In september 2010 dacht Marianne: ‘Ik ben nu zelfs ouder dan tante toen ze overleed: dit is het moment.’ Er zat maar één ding op: zelf de zolder op om het archief ter hand te nemen en te zoeken naar een geschikte, definitieve plek. Het werd ‘Aletta’, voorheen het Internationaal Instituut voor Vrouwengeschiedenis in Amsterdam. In maart 2011 vond de overdracht plaats.

Logeerpartijen
Marianne kende haar tante vrij goed door de bijzondere logeerpartijen in Maria’s pothuisje in Bergen N.-H., waar het logeerzoldertje rood en geel geschilderd was. Haar tante leidde een toegewijd en sober leven. Muziek was belangrijk en zij kon prachtig zingen. Hoewel tante haar hele leven opdrachten heeft gehad, was ze allerminst zakelijk en hield weinig aan de kunst over. Ze werkte graag met dure materialen en vergat wel eens dat de beelden ook verzekerd en vervoerd moesten worden. Ook werkte ze langzaam en precies. Haar hele carrière bleef ze, dwars tegen de mode van abstract werk in, figuratief werken.

Verrassend geloof
Alles las Marianne over haar tante’s kunst. Maar uit het archief dook nog een heel andere kant op van Maria van Everdingen, die Marianne imponeerde: het consequente leven vanuit haar geloof. Maria groeide op in een harmonieus en idealistisch gezin, geïnspireerd door de Remonstranten. Complimenten werden schaars gegeven: als je talent ergens voor had, mocht je je daar niet op laten voorstaan. Talent hoorde je te ontwikkelen en in dienst te stellen van de samenleving. Maria ontdekte al tijdens haar opleiding aan de Rijksacademie dat zij meer wilde dan tekenen en grafiek en vertrok met haar diploma naar Wenen om het beeldhouwen te leren. De inval van Hitler in 1938 heeft een enorme omslag in haar leven teweeg gebracht. De ene zondag werd er in de kerk tegen Hitler gepreekt en de volgende zondag ten gunste van de Nazi’s. Het deed Maria voorgoed breken met de kerk als instituut. Scherp zag ze hoe gemakkelijk mensen in ellendige omstandigheden – de economische crisis van de jaren ’30 – de verkeerde leiders volgen. Al snel hielp zij haar Joodse vrienden te ontsnappen. Terug in Nederland sloot zij zich aan bij het kunstenaarsverzet van Gerrit Jan van der Veen. Na de oorlog pakte ze de beeldhouwstudie op in Stockholm, maar door gebrek aan middelen en het gevoel elders iets nuttigers te kunnen doen, keerde ze terug naar Wenen om bij het Internationale Quakerhulpwerk tekenles te geven aan getraumatiseerde kinderen. Ook bouwde zij mee aan het tweede S.O.S. kinderdorp in Oostenrijk, samen met de stichter Herman Gmeiner. Dat deze organisatie later zo’n grote vlucht zou nemen, hadden ze toen nooit gedacht. Maria kreeg van een bevriende beeldhouwer tijdelijk een staatsatelier te leen. Marianne kreeg het gebouw te zien toen ze bij haar tante logeerde na haar eindexamen in de zomer van 1957: kolossale hoge blokken in het Prater. Maria woonde er zelfs een winter: op een vlondertje in een hoek, een klein kacheltje, een bed, een tafel, een stoel en nauwelijks geld om te leven. In opdracht van de stad Wenen maakte ze voor op een kinderspeelplaats beelden van steenbokken waarop kinderen konden klimmen en een groot reliëf op een straathoek ‘De wind in Wenen’. 

In 1958 kwam Maria terug in Nederland. Ze was heel tevreden met haar atelier : een oude bunker in een weiland in Bergen N.-H. en op hetzelfde terrein een piepklein huisje om in te wonen. Naast haar in zo’n bunker zat Simeon ten Holt, toen nog een onbekende componist en tegenover haar woonde Jani Roland Holst. Maria werd actief lid van de kleine Quakergroep, een geloofsgemeenschap zonder voorganger of sacramenten, bij wie de stilte een vast en groot onderdeel vormde van de bijeenkomsten.  Zelf schreef ze hierover: ‘ons enige sacrament is het leven zelf, geen verzonnen voorbeelden dus, maar werkelijk geleefd – hoe je geloof in leven omzet. Altijd zoeken naar verbondenheid’. Vanuit die gedachte maakte ze haar beelden.

Conflict
Het leidende thema in haar werk is haar eigen conflict tussen sociaal geëngageerd in het leven staan en kunstzinnig kluizenaarschap. Veel van haar werk deed ze in opdracht, maar zelf was ze het liefst ongebonden scheppend bezig. Ze was zeer gelovig, zeer gedreven en zelden tevreden over zichzelf. Ze koos nooit de makkelijkste weg. De ex-libris die zij voor zichzelf ontwierp laat dat zien: het toont een kruis met op de voorgrond een grote distel (teken van weerbarstigheid). Toen ze uit de bunker moest, omdat er sportvelden op die plek kwamen, had ze geen geld voor een betaalbaar atelier. Daarom – en vanwege de stilte – verhuisde Maria naar het Friese Loënga. Ze hoopte er meer tijd te hebben om te experimenteren, om ‘de meest gestileerde vorm te vinden van wat mij innerlijk beweegt’, zoals ze een vriendin schrijft. Maar juist in Friesland zijn haar meeste openbare beeldhouwwerken ontstaan. Bij het station in Leeuwarden staat Bouwend jongetje in een veranderende wereld. Adriaan Roland Holst maakte er een gedicht bij: ‘Woest breekt toekomst zich baan / door een oude wereld. / Maar het kind is van vóór de wereld. / Het bouwt in het leven.’ Eén van haar mooiste bronzen beelden is dat van P.S. Gerbrandy in Sneek. In 1981 verhuisde Maria van Everdingen naar een bejaardenwoning. Voor het eerst CV en een pensioen! Tot haar dood bleef ze aan het werk.

Het leven als sacrament
Op Marianne maakten de vele brieven en artikelen veel indruk. Vooral haar tante’s uitspraak dat het leven zelf een sacrament is. Maria’s pogingen om haar nichtje meer te betrekken bij de Quakers faalden, want Marianne is een twijfelaar, en dus remonstrants. Ze is wel jaloers op iemand die zo toegewijd is als haar tante aan zuivere idealen. ‘Je zou er een voorbeeld aan willen nemen. Maar die discipline en vasthoudendheid heb ik nu eenmaal niet. Mijn tante is bijvoorbeeld nooit getrouwd vanwege de kunst, ook al had ze het daar tegelijkertijd ook vreselijk moeilijk mee’. Zelf probeert Marianne als lid van de Hoorneboeg-gemeenschap de verbondenheid vast te houden. Ook de weerbarstigheid van haar tante herkent zij bij zichzelf. Haar lievelingsbeeld is Maria’s De vrouw bij het vuur. ‘Het innerlijk vuur moet branden. Je geloof moet je leven. Mijn tante deed dat.’

De archieflijst van Maria van Everdingen is te zien op de website www.aletta.nu

Sigrid Coenradie
Predikant remonstrantse gemeente in Oosterbeek

 

Bron: Adrem juli 2011

Claudia Pietryga
Claudia deed zowel een sociaal-agogische als journalistieke opleiding en is alweer bijna tien jaar freelance journalist. Ze schrijft het liefste over maatschappelijke onderwerpen en publiceerde onder meer stukken in de Flair, Hallo Jumbo, Spits, Het Parool, diverse blogs, lokale bladen en uiteenlopende (online) media voor met name ondernemers.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *