In de schijnwerper

NOSTER bestuursvoorzitter Peter Nissen belicht de recente ontwikkelingen binnen geesteswetenschappen en de betekenis daarvan voor NOSTER. Het zijn moeilijke tijden voor de geesteswetenschappen. Het kabinetsbeleid vormt een steeds grotere bedreiging voor het geesteswetenschappelijke onderwijs en onderzoek.

Een groot deel van het onderzoeksbudget van NWO zal in de toekomst besteed gaan worden aan de negen topsectoren die door het kabinet zijn aangewezen: water, agrofood, tuinbouw, hightech, lifesciences, chemie, energie, logistiek en creatieve industrie. En daarbij wordt ook nog eens sterk bevorderd dat wetenschappers samenwerking zoeken met het bedrijfsleven.

Innovatie is het toverwoord. Voor het theologische en religiewetenschappelijke onderzoek zal het niet meevallen aansluiting te vinden bij deze topsectoren. Het zal veel energie en creativiteit vragen om de chemie te laten plaatsvinden tussen onderzoek naar de symboliek van water in religies en de Nederlandse waterleidingsbedrijven of tussen religieus vegetarisme en de agrofoodproducenten. En met de opmerking dat het in alle religies over leven gaat en dat de theologie en de religiewetenschappen dus bij uitstek life sciences zijn, zullen we het ook niet redden. Kortom, onze disciplines zullen bij de subsidieruif achteraan komen te staan. Een klein lichtpuntje is dat NWO juist het onderzoek naar religie in de moderne samenleving wil stimuleren en dit jaar een call for proposals over dit thema gaat openen.

In het academisch onderwijs zijn, opnieuw onder druk van het kabinetsbeleid, termen als bezuiniging, efficiency, rendementsverhoging en profilering de nieuwe toverwoorden. De universiteit begint steeds meer op een koekjesfabriek te lijken. Er moeten in hoog tempo producten voor de markt worden afgeleverd. Tijd voor reflectie en diepgang wordt schaars. Onder het motto van profilering worden kleine geesteswetenschappelijke opleidingen opgeheven of samengevoegd tot brede bachelors. Maar wat is er nog profilerend wanneer alle universiteiten bacheloropleidingen hebben als ‘taal- en cultuurstudies’ of ‘humanities’?

En ook hier worden opleidingen op het gebied van de theologie en de religiewetenschappen het slachtoffer: de Universiteit Utrecht stopt met de bachelor theologie en algemeen wordt verwacht dat nog een andere universiteit met een eeuwenoude theologische traditie – al sinds haar oprichting – hetzelfde besluit gaat nemen.

Opleidingen op het gebied van de religiewetenschappen worden gedwongen steeds meer algemene geesteswetenschappelijke onderdelen in het programma op te nemen. Dat zou goed zijn voor de studenten, maar het is vooral goed voor de facultaire begroting. Juist in een situatie als deze is het goed dat alle academische instellingen op het gebied van de theologie en de religiewetenschappen elkaar weten te vinden. Door het beleid van overheid en universiteiten dreigen zij tot elkaars concurrenten gemaakt te worden. Maar in de onderzoekschool ontdekken zij dat zij elkaars collega’s zijn en dat zij voor een gemeenschappelijke zaak staan: de instandhouding van hoogwaardige wetenschapsbeoefening op het gebied van hun disciplines.

Dat gemeenschappelijke belang krijgt allereerst gestalte in de waarborging van een uitstekende opleiding van promovendi: de wetenschappers van de toekomst. Het krijgt ook gestalte in de stimulering van samenwerking tussen senior-onderzoekers: de stafleden van de participerende instellingen. De theologie en de religiewetenschappen vormen een universiteit in het klein: zij vormen een diversiteit van vaak kleine disciplines, met een veelheid aan vaktradities en onderzoeksmethoden. Juist in de landelijke samenwerking kunnen die disciplines elkaar versterken en ondersteunen. Niet elke instelling kan expertise op het gebied van elk theologisch of religiewetenschappelijk specialisme blijven waarborgen. Door samen te werken kunnen we elkaar van dienst zijn. Onderzoeksexpertise die de ene instelling mist, heeft de andere weer wel in huis.

Daarom wil NOSTER blijven staan voor samenwerking en kwaliteit. En daarom ook gaan we de komende maanden hard werken aan de hererkenning voor een volgende periode. We gaan in gesprek met alle participerende instellingen over hun wensen en verwachtingen, over de vraag waar het penvoerderschap het beste kan worden ondergebracht en over hoe de zeggenschap van de instellingen over hun eigen onderzoekschool het beste gewaarborgd kan worden. We gaan ook op voor een nieuwe erkenning door de daarvoor door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen ingestelde commissie, de ECOS. We beschouwen dat als een extern kwaliteitsmerk dat van belang kan zijn voor onze kleine disciplines in moeilijke tijden. Het is in het belang van de participerende instellingen, het is vooral ook in het belang van de jonge onderzoekers die worden opgeleid. Want voor hen doen we het. Zij zijn de bestaansreden van NOSTER.

Peter Nissen, voorzitter bestuur NOSTER

Peter Nissen
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *