Ik Frank Bosman

Jan van Hooydonk  –  “Als je aan een wedstrijd meedoet, ga je voor de overwinning. Een voetbalelftal dat zou zeggen ‘we willen wel winnen maar als de ander wint, vinden we dat ook prima’: naar zo’n wedstrijd ga je toch niet kijken? Je moet niet boos worden als je verliest, maar je moet wél proberen de eerste te worden. Met alle toegestane middelen.

Dus heb ik mijn uiterste best gedaan om de prijs te winnen en volop actie gevoerd. Twitter, Facebook, email, regionale media. Ik heb ze kapot gespamd.“
Met succes. Vierduizend mensen brachten hun stem uit tijdens de internetverkiezing voor de Podiumprijs Theologie 2011. De katholieke cultuurtheoloog Frank G. Bosman gaf zijn concurrenten Manuela Kalsky (Nieuw Wij) en Herman Selderhuis (Refo 500) het nakijken. Tijdens de eerste Nacht van de Theologie – tevens de kortste nacht van het jaar – werd Bosman uitgeroepen tot ‘Nederlands meest spraakmakende theoloog’ van dit moment.
Als medewerker van het instituut LUCE/Centrum voor Religieuze Communicatie van de Tilburg School of Theology (Faculteit voor Katholieke Theologie) organiseert Bosman postacademisch onderwijs en publieksactiviteiten voor theologisch geïnteresseerden en werkt hij aan een proefschrift over de katholieke dada-kunstenaar Hugo Ball. Hij publiceert in kranten en tijdschriften over actuele maatschappelijke en kerkelijke kwesties, is een veelgevraagd radiocommentator en, aldus het juryrapport, “blogt en twittert alsof zijn leven ervan afhangt”.

Van harte proficiat met uw prijs, meneer Bosman! Critici spreken over een Idolsverkiezing.
“Die critici hebben niet helemaal ongelijk, maar ik heb er niet zo’n probleem mee. Ik ben niet uitgeroepen tot de beste theoloog van Nederland – dat is een heel andere categorie – maar tot de meest spraakmakende. De organisatoren van de Nacht van de Theologie wilden, net als ikzelf in mijn werk, bij een breed publiek de theologie voor het voetlicht brengen. Daar mag je best wat methodes bij gebruiken die je eerder met RTL en SBS6 associeert dan met de godgeleerdheid. Om op te vallen in het medialandschap moet je herrie maken.” 

Een beetje onbescheiden moet je wel zijn?
“Inderdaad! Een van mijn minder goede karaktereigenschappen is dat ik vrij onbescheiden ben. En een tikkeltje ijdelheid is me ook niet vreemd. Maar ik geef dat toe, dus dan valt ’t al weer mee. Het punt is: in al haar onchristelijkheid heb je die onbescheidenheid wél nodig om het christelijk verhaal in de media uit te dragen.
Veel  erger vind ik het gebrek aan mildheid bij sommige katholieken. Ik mag dan wel een grote muil opzetten, maar als ik afgefakkeld word, weet ik ook te incasseren. Je moet tegen kritiek kunnen en om jezelf en je standpunten kunnen lachen. Dat mis ik bij de stekelige ‘talibankatholieken’.  Zit er één zo’n figuur bij Pauw & Witteman aan tafel, dan zijn milde katholieken als Antoine Bodar, Erik Borgman en ik twee jaar bezig om de boel weer glad te strijken.”

Bij theologie denken de meeste mensen eerder aan een rustige studeerkamer vol boeken dan aan Twitter en andere media.
“Heb ik ook. Ik ben gek op boeken, kan niet zonder. Maar ik ben een kind van mijn tijd. Ik behoor tot een nieuwe generatie die digitalisering niet ziet als een bedreiging of als iets dat we moeten doen, maar als een grote kans en iets wat we graag willen doen. Via sociale netwerken kan ik heel veel mensen bereiken met de boodschap die ik belangrijk vind. Via Twitter kan ik snel interveniëren in actuele kwesties, krijg ik kritiek, kan ik acties entameren en weet de pers mij te vinden.
Mensen mopperen over de nieuwe media. Dat deden ze ook, in vrijwel exact dezelfde bewoordingen, bij de opkomst van de telegraaf, de telefoon en de tv. Spreekt me totaal niet aan. Dan denk ik: learn to live with it.”

U noemt zich ‘cultuurtheoloog’. Leg eens uit.
“Ik hou me bezig met moderne cultuuruitingen: popmuziek, videoclips, films, videogames, soaps, reclames, enzovoorts. Als theoloog vraag ik me dan af: welke levensbeschouwelijke en religieuze laag zit daar onder? Impliciet of expliciet belichaamt elke cultuuruiting een visie op goed en kwaad, op normen en waarden, deugden en ondeugden. Zó naar onze cultuur kijken is maatschappelijk van belang. We roepen in de samenleving van alles tegen elkaar. Meestal zit daar een onuitgesproken idee of waardenpatroon onder. De cultuurtheologie maakt ons daarvan bewust. Daardoor snappen we beter waarom we zo vaak ruzie met elkaar hebben en verhoudingen stroef zijn.
Mijn overtuiging is: wanneer wij in onze westerse cultuur spreken over de grote zaken van leven en dood – existentiële kwesties als geboorte, lijden, liefde, verlossing en verzoening – grijpen we noodzakelijkerwijs terug op 1500 jaar christelijke traditie. De christelijke kerken mogen dan leeglopen, het verhaal van het christendom is in onze samenleving nog altijd springlevend.”

Maar is dat geen inlegkunde?
“Natuurlijk, ik wil het graag zo zien. Anderzijds: ik kan je heel wat voorbeelden noemen waarin die schatplichtigheid van de moderne cultuur aan het christendom overduidelijk is. Denk aan de Disney-film Wall-e, over een eenzaam robotje. Daarin zie je onmiskenbaar het verhaal uit Genesis terug: het paradijs, de ark van Noach. Dat is geen toeval. Denk ook aan de RVS-reclame waarin zwarte mannetjes met een paraplu uit de hemel neerdalen. Verzekeringsagenten? Zeker! Maar toch ook bewaarengelen. Of aan de reclameleuze van verzekeraar Univé: ‘Het bestaat nog: niet voor jezelf leven’. Dat is Paulus, de Romeinenbrief. Het ligt er vet bovenop.”  

Nietzsche vertelt over een ‘dwaas’ die op klaarlichte dag rondloopt en uitroept: ‘God is dood. Wij hebben hem vermoord’. U doet het omgekeerde?
“Ik voel me een clown, de clown waarover een andere filosoof,  Kierkegaard vertelt: Aan de rand van de stad is een circus neergestreken. Er breekt daar brand uit. De clown wordt erop uit gestuurd om de bewoners van de stad te waarschuwen. Hij roept ‘Brand! Brand! Kom allemaal helpen blussen’. De mensen lachen om hem en klappen in hun handen. Ze weten niet beter of het hoort er allemaal bij. Uiteindelijk komen ze er achter dat die clown toch gelijk had en dat er wel degelijk een brand woedt. Die clown ben ik.” 

Een katholieke clown dan toch? U poneert zich in de media als door en door katholiek.
“Klopt helemaal. Ik probeer daarbij wel in medio ecclesiae, in het midden van de kerk, te blijven. Noem het een karaktereigenschap: Als iedereen naar rechts buigt, buig ik naar links. Als iedereen naar links buigt, buig ik naar rechts. Zo kom je aardig in het midden uit. Dat blijkt. Op internet noemt de een mij een conservatief en de ander mij een liberaal. Zolang ze dat allebei van me blijven zeggen, ben ik dik tevreden.
In de politiek zijn links en rechts intussen verouderde begrippen. Dat geldt volgens mij ook binnen het huidige religieuze landschap. In het christendom kun je vanouds twee stromingen onderscheiden.  Aan de ene kant heb je de volgelingen van Tertullianus (kerkvader, ca. 160-230, JvH). Volgens hem is alles wat met de cultuur te maken heeft, per definitie afgoderij, dus ketterij, dus: ‘weg ermee!’. Augustinus verdedigde rond 400 het tegenovergestelde, cultuuroptimistische standpunt: God kun je overal vinden. Hij zegt: Het goud van Egypte werd door de joden gebruikt om het heiligdom, het tabernakel, te bouwen. De heidense cultuur werd gebruikt om de God van Israël te vereren. Ik sta als cultuurtheoloog in de lijn van Augustinus: God is overal aanwezig. In de kerk – ja, daar zeker ook – maar evengoed daarbuiten. God werkt door heel de schepping en door de hele cultuur en niet alleen in een bepaalde kerkelijke groepering.”

U schaamt zich nooit voor uw kerk?
“Ik geneer me geregeld. Zeker ook voor het seksueel misbruiken de manier waarop de bisschoppen daarop reageren. Daarvoor geneer ik me dood. Maar dat is voor mij geen aanleiding om de kerk te verlaten. Dat is voor mij een reden om nog harder te roepen: ‘Mensen, er zijn ook normale, milde katholieken!’. Ik ben te eigenwijs om de kerk uit te gaan. Bovendien: ik kan wel uit de kerk, maar de kerk kan niet uit mij. De katholieke levenshouding zit er bij mij heel diep in.”

Wat houdt die levenshouding volgens u in?
“Het meest katholieke woord is het woord ‘eigenlijk’. Katholieken hebben een houding van: de leer is prachtig en eigenlijk mag ik dit of dat dus niet doen, maar tja, de praktijk is weerbarstig. En dus is het katholicisme heel pastoraal en mild. Veel katholieken hebben dat. Ze begrijpen bovendien dat feesten God eren is en God eren een feest. En ze zijn, meer dan sommige andere denominaties, gevoelig voor de sacraliteit van het dagelijks leven. Katholieken ervaren God heel gemakkelijk buiten de kerk en buiten het Woord. Ze zijn in staat overal God te zien. Dat geldt voor mij ook.” 

Ervaart u als theoloog dan nooit een spanning tussen uw professie en confessie? Tijdens de Nacht voor de Theologie klonk de klacht dat het publiek theologen te vaak vereenzelvigt met de kerk.
“In mijn dankwoord tijdens de Nacht voor de Theologie heb ik als eerste hulde gebracht aan ‘Hem dankzij wij hier zitten’. Ik heb daar veel reacties op gehad. Inderdaad, ik heb nadrukkelijk getuigd van mijn geloof, want ik wil geloof en theologie bij elkaar houden. Dat past bij mijn tegendraadse karakter, maar dat is het toch niet alleen. Wanneer je theologie en kerk uit elkaar gaat halen, is dat voor beide schadelijk. De theologie heeft de kerk nodig om verankerd te blijven in de levende religieuze traditie. De kerk doet soms heel erg haar best om de theologen weg te jagen, maar die breuk moeten we als theologen niet willen. De kerk heeft ons nodig om het midden en de mildheid te bewaren. Zonder theologie bestaat voor de kerk het gevaar dat ze een heilige rest wordt waar alleen nog maar plaats is voor mensen die goed de catechismus kennen en alle voorschriften naleven. Dus ook al hebben kerk en theologen geregeld een hekel aan elkaar, ze hebben elkaar nodig. Om elkaar scherp te houden.” 

U werkt aan een katholieke faculteit, onder gezag van de bisschoppen. Denkt u wel eens: ik zeg iets maar niet, want dan komt mijn baan in gevaar?
“Grappig, u bent de eerste die mij dat vraagt. Laat ik het  maar gewoon een keer toegeven: ik zeg wel eens iets niet. Niet zozeer vanwege mijn eigen positie maar om de faculteit – een instelling waar ik heel erg trots op ben – niet in de problemen te brengen. Maar, let op: ik zeg nooit iets wél als ik het niét vind. Ik zeg sommige dingen niet, maar ik lieg of fake nooit. Alles wat ik zeg, vind ik ook. Daar mogen ze me op afrekenen.”

Dus als ik u nu vraag of vrouwen in de r.-k. kerk priester zouden moeten kunnen worden…
“… vind ik dat ik in mijn positie alleen maar kan zeggen dat we daarover binnen de kerk moeten blijven praten.”

En kritiek op het beleid van aartsbisschop Eijk, grootkanselier van uw faculteit…
“Daar zeg ik niets over. Ik ben niet in de positie daar publiekelijk iets van te vinden. Ik denk dat mensen dat begrijpen.”

Zou het? Misschien verdenken ze u wel van zelfcensuur.
“Zelfcensuur? In zekere zin. Maar we moeten niet doen alsof theologen zich in dit opzicht heel anders gedragen dan andere wetenschappers. Heel wat zogeheten harde studies worden verricht in opdracht van bedrijven. Ik vraag me af of daar dan altijd alle wetten van de academische vrijheid nageleefd worden.” 

Werkt u eigenlijk aan uw imago?
“Zeker wel. Wie in deze tijd gehoord wil worden, moet aan zijn imago werken. Ik denk dus goed na over hoe ik me presenteer, over de standpunten die ik inneem, over wat ik wel niet zal zeggen. Goed nadenken ook over waarom ik Frank G. Bosman ben – mijn vader heet ook F. Bosman, vandaar. Frank G. Bosman is een merk. Dat moet zo goed mogelijk ontwikkeld worden. Niet omdat ik mezelf zo goed vind, maar omdat ik de zachte, menselijke kant van de katholieke kerk wil laten zien én het blijvende belang van de christelijke traditie voor onze samenleving wil onderstrepen, een samenleving die zonder kennis van die traditie niet te begrijpen valt. Zie daar de levensmissie van Frank G. Bosman, cultuurtheoloog.” 

Als imago zo belangrijk voor u is, had u tijdens de Nacht voor de Theologie dan ook niet de prijs voor de best geklede theoloog willen winnen?
“Nee, hoor. Ik vind wel dat ik een mooi driedelig pak aan had. Maar ik ging echt voor de Podiumprijs. Dat ik die prijs heb gewonnen, betekent dat mijn inspanningen als cultuurtheoloog herkend en erkend zijn. Een zuster in het geloof twitterde mij nadien: ‘Ga stille voort, mijn broeder.’ Dat ben ik zeker van plan.”

 

Bron: Volzin no. 14
www.volzinmagazine.nl

 

Claudia Pietryga
Claudia deed zowel een sociaal-agogische als journalistieke opleiding en is alweer bijna tien jaar freelance journalist. Ze schrijft het liefste over maatschappelijke onderwerpen en publiceerde onder meer stukken in de Flair, Hallo Jumbo, Spits, Het Parool, diverse blogs, lokale bladen en uiteenlopende (online) media voor met name ondernemers.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *