Het sacrament van de aanwezigheid

Een Griekse mythe vertelt dat een reiziger op weg naar Athene moest passeren langs het huis van een wrede rover, Damastes, bijgenaamd ‘De uitrekker’ (Lat.: Procrustus).

 

Deze had twee bedden. Het ene was kort, het andere lang. Als je in zijn handen viel legde hij je, naargelang je lengte op één van die twee bedden. Wie klein van gestalte was, werd op het grote bed gelegd en uitgerekt tot hij erin paste. Als je groot was belandde je op het kleine bed en werd je bijgesneden tot de juiste maat.
In beide gevallen werd het je dood. Daarna beroofde hij je van al je bezittingen.

Het bed dat Procrustus gebruikte heet een Procrustusbed.
Het is het bed waarop we de ander bijsnijden of uitrekken tot hij aan de door ons gewenste maat voldoet. Het is het bed van het moeten, van de dwang, van de aanpassing. Het is het bed waarop geen ruimte of respect is voor het eigene, het unieke, het andere van ieder mens. Het is het bed dat niemand ontziet.  Ieder van ons heeft wel eens op dat bed gelegen.
Tijdens zijn opvoeding bijvoorbeeld, toen hij moest voldoen aan de eisen van zijn ouders. Op school, toen hij door leraren met hun maat gemeten werd. In de kerk, toen hij werd getoetst op zijn rechtgelovigheid of gemeten met de morele maatstaven die daar golden. Of op het werk, waar het Procrustusbed klaarstaat bij evaluatie-gesprekken en beoordelingen van behaalde resultaten.

Ook in de media worden regelmatig mensen op dat bed gelegd en kapot gemaakt: politici, sportmensen, mensen uit de showbusiness, geestelijke leiders. Er wordt dan op ze ingehakt tot er niets van ze overblijft.
Zelfs in onze intieme relaties leggen we elkaar regelmatig op dat Procrustusbed. Het frame ervan bestaat uit onze eisen, onze verwachtingen, onze oordelen en onze angst voor dat wat afwijkt van onze norm.

Het tegenovergestelde van al dat moeten is: ont-moeten. Ontmoeten vraagt werkelijke vrije aandacht. Aandacht is in dit verband een essentiëel woord.
Er bestaat een zen-verhaal over een meesteres die op haar sterfbed was omringd door haar leerlingen. Die vroegen haar tot drie maal toe of ze nog één keer wilde vertellen wat voor haar de essentie was van de weg naar de verlichting die zij was gegaan. En tot drie keer toe antwoordde zij: ‘Aandacht!’
Wie aandacht heeft ziet en ontziet. Hij laat de ander ‘zijn’, zonder oordeel. Hij geeft de ander de kans zich te manifesteren zoals die is, zonder te voldoen aan eisen, verwachtingen, verplichtingen.

Zoals op zoveel gebieden worden de werkzaamheid en waarheid van dergelijke oeroude wijsheid thans ook bevestigd door de wetenschap. Zo is er een hoogleraar aan de universiteit van Tilburg die een hele filosofie heeft ontwikkeld rond de noodzaak en effectiviteit van aandacht. Hij noemt dat de presentiefilosofie.
Hij ontdekte dat in de praktijk van de hulpverlening niet het professionele, doelgerichte handelen de doorslag geeft, maar juist de toegewijde, trouwe aanwezigheid en aandacht  van de hulpverlener, zonder vooropgezet plan en zonder onmiddellijk probleemoplossend handelen. En dat staat haaks op de gangbare praktijk die niet begint bij aandacht en trouw, maar bij screening, intake, diagnostiek, onderhandeling en een behandelingscontract, die samen het Procrustusbed van de hulpverlening vormen.

Een vrouw vertelde mij onlangs dit:
Ik heb een broer die 59  jaar is en al zijn hele leven het syndroom van Down heeft. Hij is half blind en nu ook dement. Hij woont in een zorginstelling.
Ik weet soms niet of ik hem bereik, of hij me hoort en begrijpt, hoe hij het vindt dat ik bij hem op bezoek ben. Ik heb hem ook gezegd dat hij uit dit leven en dit lijf mag vetrekken als het voor hem genoeg is geweest.
Ik ga steeds trouw bij hem op bezoek, al weet ik soms niet wat ik dan met hem moet doen. Maar wat ik hem kan geven is het sacrament van de aanwezigheid.

Aandachtige presentie is het beste dat wij elkaar kunnen geven: in onze dagelijkse ontmoetingen en bij vreugdevolle gebeurtenissen, maar zeker ook bij ziekte of aan een sterfbed en in allerlei andere crisissituaties waar woorden meestal tekort schieten. Op die manier stellen we ook iets groters present dan alleen degene in ons die zijn sociale plicht wil vervullen of de  doener in ons met zijn goede bedoelingen en hulpvaardigheid.
Als we werkelijk aandachtig aanwezig zijn, ontmoeten we elkaar niet in een of andere rol, maar op het niveau van diepe verbondenheid in dezelfde stroom van leven. In onze zielen trilt de snaar van de gedeelde vreugde of van de stille eerbied voor het mysterie van het lijden. Dan gebeurt wat de bekende Amsterdamse studentenpastor pater van Kilsdonk eens formuleerde als: Met het licht van jouw ogen, zegen mij! 

(Uit: ‘Een ketterse catechismus’, uitg. Ten Have, 2008)

Info: www.lacordelle.nl

Hein Stufkens
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *