Het plat praten over God wordt mij te gortig

Door Johan Goud

De atheïstische dominee Hendrikse maakt de vraag naar God te vulgair. Over Hem kan je niet bij handopsteken spreken. 

Er waart een geest van platheid door de kerken in Nederland, in het bijzonder de protestantse. Geen wonder dat weinig intellectuelen zich er nog thuis voelen. Wat moeten ze met een opmerking als die van Klaas Hendrikse: ’Ik neem alleen mee wat ik aan mijn buurman kan uitleggen. De rest gaat nergens over’ (Trouw, 2 juni). Deze atheïstische dominee slaagde er zelfs in om toehoorders bij het VU-symposium over zijn boek handen te laten opsteken: ’Gelooft u dat God bestaat, ja of nee?’ Waarom doen mensen dat?
Het boek van Hendrikse verbaast me. Er heeft kennelijk in kerkelijk Nederland een intellectuele kaalslag plaatsgevonden, die het mogelijk maakt dat dit soort onthullingen belangrijk en zelfs ’vroom’ wordt gevonden. ’Iets wat groter is dan wijzelf en zonder ons is het niets. Als ik een definitie van God zou moeten geven, dan komt deze er wel heel dichtbij’, schrijft Hendrikse. Wat staat daar eigenlijk?

Iets wat groter is dan wijzelf.
Zo op het eerste horen klinkt dat zeer onbepaald. ’Groter dan wijzelf’ is immers heel veel: de zee, de bergen, het volk, de staat, de geschiedenis, de moederkerk. In de historie van de christelijke theologie zijn al deze ietsen, ’groter dan wijzelf’, al eens met God geïdentificeerd. Maar er waren altijd ook kritische theologen.
De vraag is immers, hoe we dat allemaal weten. Het is onwaarschijnlijk dat al wat mijn verbeeldingskracht voortbrengt, heilig en respectabel is. Wat aan de uitdrukking ’iets wat groter is dan wijzelf’ ontbreekt, is het raadselachtige, onbeheersbare. ’Iets, groter dan hetwelk niets gedacht kan worden’, formuleerde Anselmus in de twaalfde eeuw. Dat is een formulering die iets essentieels toevoegt.
Een hedendaagse variant van deze gedachte spreekt over het raadsel van de idee van het oneindige, waardoor ik meer denk dan ik denk (Levinas). Het zijn pogingen om te spreken over een raadsel dat oneindig groter is dan ik ben en dat me te denken geeft. Waar dit besef ontbreekt, vervalt wat mij betreft de noodzaak om het woord ’God’ te gebruiken. Het is dan overtuigender om het over de zee, de bergen of de Matthäuspassion te hebben.

En dan is er dat tweede zinsdeel: en zonder ons is het niets. Wat van ons wordt hier eigenlijk bedoeld? Hendrikse besteedt nauwelijks aandacht aan wat veel gelovigen zelf beslissend vinden: de symboliek in de eredienst, of het zorgvuldige speurwerk naar de talloze betekenissen van bijbelwoorden. Hij blijft dichter bij huis. „Er gebeurt iets ’gewoons’, je ervaart het als buitengewoon en je gebruikt het woord ’God’ om die ervaring te benoemen.” Het verst gaat hij, wanneer hij de inbreng van mensen uitlegt als een individuele creatie van God. In feite streept hij daarbij het ’ons’ van zijn eigen definitie door. „Het godsbeeld is een product van je eigen gelovige verbeeldingskracht, en daarmee creëer je een werkelijkheid waar niemand anders kan komen.”
Eigenlijk gebeurt hier hetzelfde als bij het woordje ’God’. Ook wat mensen inbrengen, hun geloof, wordt onbepaald. Soms spreekt Hendrikse over geloven alsof het iets op zichzelf staands zou zijn. Hij schrijft bijvoorbeeld dat juíst een gelovig mens zich ervan bewust is dat God niet bestaat zoals een appeltaart bestaat. Maar meestal laat hij het geloof verdwijnen. Het heeft niet zozeer met godsdienst te maken, het is een manier van zijn, het vermogen je te verwonderen en je te laten raken. De vraag is natuurlijk waarom dat nog ’geloven’ zou moeten heten. Ook de noodzaak om dit woord te gebruiken, vervalt wat mij betreft.

Tenslotte: geloof ikzelf dat God bestaat? Antwoord: in allerlei opzichten niet, maar soms ontkom ik er niet aan. Begrijpt de buurman dat niet? Misschien is hij bereid iets te lezen. Het toneelstuk ’Liefde’ van Kaj Munk (1926) gaat over een dominee die niet in God gelooft. Op zijn sterfbed hoort die dominee een stem. „Of jij in mij gelooft of niet”, zegt die stem, „laat maar, laat maar, het doet er niet toe, ik geloof in jou.” Ondanks alle theïstische simpelheid is dat een zin die me ontroert. Hij geeft uitdrukking aan wat uiteindelijk beslissend is: het aanvaard zijn dat aanvaarding mogelijk maakt, het geschenk dat ruimte schept – ondermeer om in Gods werkelijkheid te geloven.

Uit een lezing op de VU-studiedag. De volledige tekst staat op www.trouw.nl/redactie/doc/Lezing.doc

Bron: Trouw, de Verdieping, podium 06 juni 2008

Prof. dr. Johan F. Goud is remonstrants predikant in Den Haag en bijzonder hoogleraar vrijzinnige theologie aan de Universiteit Utrecht

Claudia Pietryga
Claudia deed zowel een sociaal-agogische als journalistieke opleiding en is alweer bijna tien jaar freelance journalist. Ze schrijft het liefste over maatschappelijke onderwerpen en publiceerde onder meer stukken in de Flair, Hallo Jumbo, Spits, Het Parool, diverse blogs, lokale bladen en uiteenlopende (online) media voor met name ondernemers.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *