Het ijsvogeltje

Als we onze taal zouden kunnen uitkleden en van al zijn ingesleten gewoonten en conventies zouden kunnen ontdoen, dan zou er iets heel eenvoudigs overblijven. Misschien wel alleen hoe wij de dingen bij hun namen noemen. Dan verwijst appel naar appel en peer naar peer, licht naar licht en duisternis naar duisternis.

Maar wij mensen hebben de wonderlijke gewoonte ontwikkeld om, wanneer wij van een woord iets nieuws ontdekken te zeggen dat dit nieuwe er achter zit.
Met dit achter bedoelen we iets diepers, of soms zelfs iets fundamenteels. Terwijl je evengoed zou kunnen zeggen dat deze nieuwe ontdekte betekenis zich vermengt met wat wij eerder van dat woord al wisten. Wat hier aan het licht treedt is het onbedwingbare temperament om overal iets achter te willen zoeken. Kennelijk kunnen wij moeilijk leven met het idee dat wat wij eerder nog niet wisten even zeer aan het oppervlak lag als alles wat wij al wel wisten.

Er is weinig voor nodig om van een nieuw ontdekte betekenis dan ook meteen maar te zeggen dat die verborgen was. Misschien helpt dit onze schaamte te verbergen voor het feit dat wij dit nieuwe – dat toch zo oppervlakkig was – nog niet eerder hadden gezien of opgemerkt. Woordjes als ‘achter’, maar ook uitdrukkingen als ‘dit zette mij aan het denken’, maken de werkelijkheid doorgaans mooier en interessanter dan feitelijk het geval is. Zo hoor je mensen wel eens zeggen dat zij afscheid hebben genomen van God, die man met die baard op die wolk. De vergelijking met Sinterklaas ligt voor de hand. Maar kennelijk is hen nooit opgevallen dat God in de bijbel geen persoon met een eigen naam is. Van God wordt gezegd dat hij het eerste woord heeft – en dat woorden iets doen –, wat erop duidt dat hij de bron van de taal is. En dat de woorden en de dingen aan elkaar geknoopt zijn. Natuurlijk staat het iedereen vrij om afscheid te nemen van God – daar gaat iedereen zelf over – , maar geen weldenkend mens zou zich toch willen losmaken van de bronnen van onze taal?

Het is vreemd hoe weinig dit wordt opgemerkt. Het zijn juist de schrijvers en de dichters die ons blijven herinneren aan het heilig instrument van het woord. Een mens heeft in zijn leven misschien net voldoende tijd om één taal en één werkelijkheid een beetje onder de knie te krijgen. Dat God geen persoon is, dat is misschien wel het oppervlakkigste geheim van de bijbel. In fictionele taal spreken wij wel over God als een persoon, of als water, of als een vuur, of als aarde, maar dat doen wij alleen als een unieke manier om dit geheim te bewaren. Wie aan dit laatste niet wilden meedoen die maakten het geheim zo groot dat dit hen zelfs van de plicht ontsloeg het te helpen bewaren.

Een echt geheim – ook het goddelijke dat de menselijke maat zoekt – bestaat echter alleen dankzij de loyaliteit van de kring van de bewaarders. En het is niet eens gezegd dat deze kring alleen gevonden zou kunnen worden in de ruimte van de religie. Nog afgezien van het feit dat de religie ook niet het unieke eigendom van kerk en geloof is. Zo is het ook altijd weer vreemd te ontdekken dat oecumene – wat toch als woord verwijst naar ‘allen in de bewoonde wereld’ – doorgaans wordt gezien als een activiteit die de verschillende neringdoende winkeliers van het kerkelijk geloof vooral met elkaar en meestal over hun verschillen met elkaar in gesprek moet brengen. Terwijl je toch zou denken dat oecumene in de eerste plaats belangstelling heeft voor seculiere mensen in een seculiere wereld om van en met hen te leren en te leven.

Volgens historici is de ijspret van boven de rivieren de historische tegenhanger van het carnaval beneden de rivier. Wat daarbij doorgaans niet verteld wordt, is dat de overheid in de 17e eeuw erkende dat zijn zeggenschap over de burgers zich niet uitstrekte tot het watergebied. Dus als de meren en sloten en grachten bevroren kon het volk daar in vrijheid zijn gang gaan. Er werd handel gedreven, en werd gesmokkeld, en in het riet werden kinderen verwekt. Het was in die ambiance dat de remonstrantse predikant Passchier de Fijne rond 1620 de ijzers onderbond en schaatsend predikte en de mensen aanspoorde liederen te zingen. Zo kon wat op het land verboden was op de ijsvloer gestalte krijgen. En al spoedig hadden de enthousiast geworden mensen voor hem een passende koosnaam bedacht: het ijsvogeltje!

Ook hier doet de taal wonderen. Er zou toch niemand het in zijn hoofd halen om afscheid te nemen van deze enthousiaste prediker met het argument dat hij geen ijsvogel is. Titels worden door mensen gegeven: zoals de mensen in de eerste eeuw ook wisten dat zij het zelf waren die aan Jezus de titel van christus hadden gegeven. Wij leven in een tijd waarin noch het ijsvogeltje noch christus voor ieder duidelijke woorden en begrippen vertegenwoordigen. Misschien is dat helemaal niet zo erg. Het schept ook de ruimte om in te zien hoe wij zelf nieuwe kennis en ervaring kunnen bijmengen bij wat wij al weten. Of je nou seculier bent of gelovig: we staan in dezelfde startblokken. Welke woorden passen in jouw of in mijn taal? Alles valt of staat met een besef van vertrouwen. De volle zin van het leven kunnen wij maar in één taal verstaan – de taal van die wereld waarin wij het leven vieren. Het goed bewaarde geheim van de bronnen van het woord dat mij tot in het diepst van mijn zijn raakt.

Heine Siebrand
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *