Het grote voordeel van geloven

Met dit essay won Margriet Westers de hoofdprijs van de essaywedstrijd “Religie en Wetenschap” van de Islamitische Studentenvereniging Amsterdam, april 2012: “Waarom geloven je anno 2012 een betere wetenschapper maakt.”

 

Het was een opmerkelijk gezelschap. Achterin de klas zaten, altijd op dezelfde plek, vier studentes, gekleed in abaya. Meer naar voren zat, in zwarte pakken, een rij jongens afkomstig uit plaatsen als Staphorst, Lunteren en Veenendaal. Tussen de rijen door zaten nog een stuk of vijftien anderen. Het was een vak over religieus fundamentalisme, verplicht voor studenten Islam en Arabisch en studenten Godgeleerdheid. Wie wil, mocht aanschuiven. Het was een mengeling van etniciteiten en religies met alle bijbehorende klederdracht van dien.

Behalve ons wist bijna niemand het, maar twee keer per week, als wij samenkwamen, werden oorlogen uitgevochten. Evangelicaal zionisme, de Moslimbroederschap, Abraham Kuyper, het kwam allemaal langs. De inbreng van de “areligieuze” studenten was hierin mijns inziens vooral fascinerend. Want de gereformeerde jongens en islamitische meisjes bleken elkaar vaak beter te begrijpen dan hun areligieuze medestudenten dat konden. Ik herinner me nog goed een gesprekje met een medestudente die, na enkele vragen over mijn christelijke achtergrond, concludeerde: “Eigenlijk ben je dus gewoon een humanist, maar jij hebt gewoon religie nodig als houvast om goed te doen.” En daar raakte zij precies niet de kern.

Gelovigen zullen doorgaans nooit zeggen dat zij religie nodig hebben als een soort sausje over de groente: “je kunt zonder, maar met is net wat lekkerder.” Religie als dat extra beetje motivatie voor moreel verantwoord gedrag. Voor de gelovige vormt religie eerder de kern van het bestaan dan het sausje. Gedragsregels zijn het voortvloeisel van het geloof in God en niet andersom. In de gesprekken bleek niet zelden dat christenen en moslims elkaar hierin vaak beter en sneller begrepen dan de studenten zonder religie, die juist vaak te snel leken te denken te weten hoe het zat met dat geloof.

In juli 2011 werd door ForumC een onderzoek gepubliceerd over de invloed van levensbeschouwing op wetenschap. Uit dit onderzoek bleek dat 44% van de hoogleraren in Nederland zich atheïst noemt (tegenover 14% van de Nederlandse bevolking). 20% gaf aan een theïstische college minder serieus te nemen als wetenschapper dan een niet-theïstische collega. Dat is een opvallend hoog aantal voor een beroepsgroep die ernaar streeft zo objectief en intersubjectief mogelijk onderzoek te doen. Religieuzen zijn, zo is wellicht de vooronderstelling, een beetje zwak: “zij hebben religie nodig als houvast in het leven.” De atheïst kan zonder.

De zelfreflectie, of het gebrek eraan
Naast het feit dat een dergelijke houding ten opzichte van collega’s enkel vanwege hun religieuze achtergrond niet in lijn is met een wetenschappelijk zoeken naar objectiviteit en intersubjectiviteit, ben ik wel voorstander van een herwaardering van de religieuze wetenschapper. Die heeft namelijk vaak iets meegemaakt wat een niet-religieuze wetenschapper niet heeft doorgemaakt: een grondige zelfreflectie.

Mijn achtergrond is christelijk. In 2007 begon ik aan mijn studie theologie, een studie waar enkele medegelovigen mij destijds voor waarschuwden. Seminaries are cemeteries, luidde het credo. Wie begint als gelovige, eindigt als atheïst. Zo bleek het voor mij niet uit te pakken, maar wel stelde deze studie mij veel vragen: wat geloof ik en waarom? Hoe lees ik bepaalde teksten die mij zo dierbaar zijn? Ben ik oprecht in mijn zoektocht naar waarheid? Het bestuderen van wetenschappelijke teksten die soms dwars ingingen tegen wat ik zelf voor waar hield, daagde me uit om mijn eigen religieuze context kritisch onder de loep te nemen, te verantwoorden en waar nodig te wijzigen. Deze zelfreflectie is niet voorbehouden aan studenten theologie – ook in de psychologie, sociologie, biologie en vele andere wetenschapsdisciplines word je als gelovige geconfronteerd met de vraag naar waar je zelf staat en word je je bewust van de context van waaruit jij wetenschap bedrijft. Aan een dergelijke zelfreflectie gaan areligieuze studenten helaas vaak aan voorbij, vanuit de (onbewuste) veronderstelling dat zij, als niet-gelovigen, de “ballast” van een religieuze achtergrond niet met zich meedragen.

Maar elke wetenschapper staat in een context. De vraag “Waar sta ik, waar kom ik vandaan?” is een vraag die de areligieuze wetenschapper evengoed beantwoorden moet als de religieuze wetenschapper. Een mens is immers nooit enkel religieus: een mens is ook Nederlander, Europeaan, opgegroeid in de Tarwewijk, of in Naarden-Bussum, had een vader die aan yoga deed of een moeder die lid was van GreenPeace – en al die dingen beïnvloeden mede wie wij zijn en met welke vooronderstellingen we wetenschap bedrijven. Een goede wetenschapper is iemand die, vanuit die context, toch zoekt naar objectiviteit en intersubjectiviteit en daarbij erkent dat hij of zij zelf contextueel is. De religieuze wetenschapper is zich vaak bewust van deze context, omdat religie – zoals ook blijkt uit het onderzoek van ForumC – een heet hangijzer is op grond waarvan vaak de wetenschappelijke vermogens van de desbetreffende wetenschapper worden getoetst. Keer op keer wordt de gelovige de vraag gesteld: “Hoe ben je zelf, met je eigen achtergrond, in je onderzoek betrokken?” Dat is een goede vraag. Het is een vormende vraag die leidt tot betere wetenschap. Deze vraag mag echter ook breder gesteld worden, ook aan die twintig procent die hun theïstische collega’s minder serieus nemen.

Conclusie
Concluderend zijn er twee voordelen die het hebben van religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging voor de wetenschapper met zich meebrengt. Allereerst is de religieuze wetenschapper beter in staat te begrijpen hoe verweven religie kan zijn met de levens van mensen, omdat het echte begrip daarvan eigenlijk pas komt wanneer je zelf participeert. De religieuze wetenschapper is echter bij uitstek een bruggenbouwer, in staat om de religieuze ander niet alleen wetenschappelijk te analyseren, maar ook te begrijpen.

Ten tweede wordt van de religieuze wetenschapper, meer dan van de areligieuze wetenschapper, voortdurend gevraagd om zelfreflectie en een kritisch kijken naar zijn of haar eigen context. Een dergelijke zelfreflectie en bewustzijn van de eigen contextualiteit draagt bij aan het niveau van de wetenschap en daarmee heeft de gelovige wetenschapper, wellicht juist vanwege de kritiek van zijn collega’s die hem of haar minder serieus nemen, een groot voordeel.

Via: blog Margriet Westers

foto: Studenten in een collegezaal van de Universiteit Leiden. ANP

Margriet Westers
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *