Handen

Vertrouwd schuift mevrouw aan. Ze zegt ‘zuster’ tegen mij, maar och dat gebeurt wel vaker. Ik glimlach. Ze zegt mij dat mijn tanden zo mooi wit zijn en dat ik een leuk snorretje heb… Dan vraagt ze uit het niets hoe laat ze eigenlijk wordt opgehaald. ‘Ik zal het straks wel even voor u vragen’, zeg ik ontwijkend.

Ik weet immers dat er van weggaan voor haar geen sprake is vandaag. Ik heb geleerd de richting die mevrouw in het gesprek inzet, te volgen. Wat zij ook zegt, ik volg. Immers als ík een vraag stel, dan is deze voor haar meestal buiten de orde. Haar antwoorden zijn dan ontwijkend of ze zwijgt in alle talen, zelfs wanneer ik mijn vraag herhaal.

Mevrouw vouwt haar handen en legt ze gedecideerd op de rand van de tafel. Prachtige gerimpelde handen, die in een eigen taal een heel eigen levensverhaal vertellen. In het uurtje dat ik er ben blijven die gevouwen handen dit keer onveranderd en stevig tegen de tafelrand aangedrukt, zelfs als een advocaatje met slagroom voor haar wordt neergezet. Normaal is zo’n heerlijke, zoete versnapering een gewilde prooi voor haar en lepelt zij zowat de bodem uit het glaasje. Nu staat het gevulde glas daar maar, minuten lang, en moet ik haar ten langen leste zelfs voeren. Haar handen blijven opnieuw onbewogen. Ik kijk naar die tien doorleefde vingers van al die 87 levensjaren. 

Mevrouw is altijd al een gelovig mens geweest, dus die houding van haar handen is haar eigenlijk best vertrouwd. Ze houdt van kloosters en nonnen, maar bijvoorbeeld weer helemaal niet van de Paus en zijn wetten. Ze zocht in haar leven vaker de stilte achter dikke muren voor contemplatie en gebed en alhoewel niet extreem kerkelijk, is ze toch beslist gelovig. Nu, in het verpleeghuis, spreekt ze over liefdevolle ontmoetingen met haar moeder en dat het met haar zus nu zo goed gaat. Allebei zijn ze haar al jaren geleden voorgegaan…

Ik kijk naar haar en stel mij vragen over haar aanwezigheid. Haar bewustzijn is er eerder niet dan wel en in elk geval ver van wat ik de wereldse realiteit noem. Maar is zij dan met haar bewustzijn al dáár zo af en toe, waar haar moeder en zus ook zijn? Of ‘zweeft’ zij in een soort van ‘zalig’ tussengebied misschien? Ik weet het echt niet. Ze is stil vandaag. Of zou ze echt in gebed zijn? Ik voer haar nog een beetje advocaat. Ze zuigt het zorgvuldig van het lepeltje op, zonder knoeien dit keer. Ze lacht naar mij. ‘Ik vind je lief’, zegt ze, als ik nogmaals met een goed gevuld lepeltje langskom. Maar haar handen blijven onbewogen in diezelfde gebedshouding.

Ik waag het er dan toch maar op: ‘Bid u wel vaker mevrouw’, vraag ik quasi argeloos. Ik krijg geen antwoord. Zou mijn vraag weer buiten de orde zijn of wil ze misschien liever sowieso niet gestoord worden en zit ik haar wat in de weg vandaag? ‘U heeft mooie handen’, probeer ik tenslotte ‘en u houdt ze ook zo mooi samen’. Nu kijkt ze me glimlachend en met grote ogen aan. ‘Dat heb ik als kind al van mijn moeder geleerd’, zegt ze onverwacht alert. En ik schrik zowaar zelfs even van haar heldere geest

Peter Samwel
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *