Godsdienstige kaarten geschud in de zevende eeuw

Wat weet ú over de zevende eeuw? Ik had daar eigenlijk helemaal geen beeld bij. In onze contreien heersten de diepe Middeleeuwen en begint de cultuurgeschiedenis eigenlijk pas weer in de elfde eeuw. Voor die tijd leefden wij in een soort moeras en brandden Vikingen hier regelmatig de zaak plat. Historicus Wim Jurg laat in zijn boek ‘De lange zevende eeuw’ zien dat het brandpunt van de geschiedenis in die tijd dan ook heel ergens anders lag, namelijk rond de Middellandse Zee. Romeinen, Perzen en Arabieren speelden daar hun rol op het geopolitieke strijdtoneel. Gepassioneerd vertelt hij over de wijze waarop het christendom en de islam in die zevende eeuw de macht verdeelden. Geschiedenisles!

Hoe is het christendom eigenlijk zo groot geworden?

Wim: ‘Om de zevende eeuw te kunnen begrijpen moeten we een stapje terug doen naar de vierde eeuw. Daar ging mijn vorige boek over. In het jaar 300 maakten christenen zo’n 5 – 10 procent van de bevolking in het Romeinse rijk uit. Dat rijk was opgebouwd rond de Middellandse Zee en was verdeeld in een Oostelijk en een Westelijk deel. Het West-Romeinse rijk omvatte het huidige Europa (met als noordgrens de Rijn en de Donau, tot bijna in Schotland aan toe) en Noord Afrika. Het Oostelijke deel, met de in het jaar 330 gestichte hoofdstad Constantinopel, omvatte grofweg het huidige Turkije, Armenië, Syrië, Palestina en Egypte. De meeste christenen woonden in het Oosten en dan vooral in de steden. Noord-Afrika was het eerste gebied in het Westen waar het christendom een belangrijke positie verwierf door bekeringen.

Het christendom kreeg een enorme ‘boost’ onder keizer Constantijn de Grote die een eind maakte aan de christenvervolging en het christelijke geloof legaliseerde. Eind vierde eeuw was het christendom staatsgodsdienst geworden in het hele Romeinse rijk en werden andere religies verboden, met een gedoogstatus voor het jodendom. In de vijfde eeuw versplinterde het West-Romeinse rijk tot in 476 in Italië de laatste Italiaanse keizer werd afgezet en er geen opvolger werd benoemd. De Germanen bezetten grote delen van dat rijk. Het Oost-Romeinse rijk bleef echter als krachtige staat bestaan. Het gezag over het Romeinse rijk ging vanzelf over op de keizer van Constantinopel. Deze veroverde in de zesde eeuw zelfs Italië en Noord-Afrika terug.’

Wanneer dient de islam zich aan?

Wim: ‘Nu zitten we dan eindelijk in de zevende eeuw. Aan het begin van de zevende eeuw stond het Oost-Romeinse rijk er slecht voor. De Perzen (het huidige Irak en Iran) hadden Egypte, Syrië, Armenië en een deel van Turkije veroverd. De Oost-Romeinse keizer Herakleios was ‘knock out’, maar met een uiterste krachtsinspanning begon hij toch een tegenoffensief. In het voorjaar van 627 trok hij Mesopotamië binnen en in december vond de slag bij Ninive plaats, waarbij het Perzische leger verpletterend werd verslagen. Het Perzische rijk vormde daarna geen bedreiging meer, maar het zou een Pyrrusoverwinning blijken te zijn. Op precies hetzelfde moment namelijk, begin zevende eeuw, stichtte de profeet Mohammed de islam in het Midden Oosten. Hij verenigde Arabische stammen onder zijn gezag en tot hun eigen verbazing konden de Arabieren na zijn dood in 632 in korte tijd zonder problemen oprukken tot aan de Middellandse Zee.

Het Oost-Romeinse rijk had zich zo uitgeput in de strijd met de Perzen dat het niet meer in staat was om tegenstand van betekenis te leveren. Eind zevende eeuw zijn Syrië, Egypte en het Perzische rijk in Arabische handen. De islam was in het begin van haar bestaan een tolerante godsdienst. Christelijke bevolkingsgroepen in de veroverde gebieden werden niet gedwongen om zich te bekeren en zij kregen zelfbestuur in ruil voor het betalen van belasting. Pas als de islam in die gebieden de meerderheid gaat vormen, neemt de bekeringsdrang toe. Deze status quo tussen islam en christendom vanaf het jaar 750 bestaat grosso modo tot op de dag van vandaag. Slechts het Iberisch schiereiland en Turkije zijn sindsdien van dominante godsdienst veranderd.’

Ik geloof dat de geschiedenis niet afhangt van God of van inherente historische wetten, maar van individuele mensen en de keuzes die zij maken.

De geschiedenis als ‘grand design’ of als aaneenschakeling van toevalligheden?

Wim: ’De geschiedenis heeft voor mij geen groots plan en geen einddoel. Er zijn wissels in de geschiedenis die toevallig zijn en de loop ervan bepalen. De belangrijkste toevalligheid in de zevende eeuw is wel dat de islam opkomt als het Romeinse en het Perzische rijk op apegapen liggen. Ik ben historicus en geen theoloog, voor mij bestaat er geen goddelijk plan. Christenen hebben lange tijd hun ‘buitenstaanderschap’ gekoesterd. In de vierde eeuw moesten zij een nieuwe relatie tot de wereldlijke macht ontwikkelen, het christendom was zelf establishment geworden. Men ontwikkelde om die reden de doctrine dat het Romeinse rijk tot stand was gekomen door God en dat de keizer zijn vertegenwoordiger op aarde was. Daardoor was immers de hele wereld toegankelijk geworden voor christelijke bekering.

Christenen en islamieten in de zevende eeuw geloofden zelf ook dat de veranderde machtsverhoudingen door God gegeven waren, dat het zo moest zijn en dat men er lering uit moest trekken. Ik geloof dat de geschiedenis niet afhangt van God of van inherente historische wetten, maar van individuele mensen en de keuzes die zij maken. De Oost-Romeinse keizer Herakleios besloot met een ultieme krachtsinspanning naar Perzië op te trekken en overwon. Gregorius de Grote is ook zo’n bepalende figuur geweest. In de islamitische wereld is de vijfde kalief Mu’awiyah ibn abi Soefyaan belangrijk geweest, hoewel hij door sommigen vooral als dictator wordt beschouwd. Ik heb mijn boek bewust chronologisch opgebouwd. Daardoor kan de lezer zien welke stappen en stapjes uiteindelijk hebben geleid naar de status quo van het jaar 750. En hoe het dus ook heel anders had kunnen lopen.’

Hoe ben je aan jouw bronnen gekomen?

Wim: ‘Er zijn natuurlijk weinig bronnen over die tijd. De archeologie is belangrijk om meer kennis te verzamelen, soms worden er papyrussnippers gevonden die informatie opleveren. De geschiedschrijving zelf is ook zeer versnipperd. In de eerste plaats omdat de bronnen in het Grieks, Latijn, Armeens, Syrisch of Koptisch geschreven zijn – ik las meestal de vertalingen. In de tweede plaats omdat de bronnen zich beperken tot het eigen gebied. In de twee jaar dat ik aan dit boek heb gewerkt, heb ik geprobeerd alle bronnen en de belangrijkste moderne wetenschappelijke boeken te combineren en het complete verhaal te schrijven.’

Zijn er uit jouw boek lessen te trekken voor de moderne tijd?

Wim: ‘Tja, voor een historicus is dat glad ijs natuurlijk. Het Arabische model heeft tot het begin van de vorige eeuw bestaan. Het Ottomaanse rijk heeft dat zelfs vervolmaakt door zelfbestuur van de regio’s en belastingheffing. Aan het begin van de 20e eeuw is dat pas opgehouden te bestaan door een geforceerde overgang van Turkije naar een seculiere staat. Nu lijkt religie in Turkije weer aan macht te winnen. In andere Arabische landen heeft die ontwikkeling niet plaatsgevonden. Spannend hoe dat verder gaat, een eeuw stelt voor een historicus eigenlijk niets voor. In sommige Arabische landen hebben we het Arabisch socialisme gehad, maar ook dat is alweer verdwenen. Ik houd me vast aan Fukuyama die stelt dat de roep om de sharia door de Arabische bevolking feitelijk de roep is om ‘recht’. Vlak na die uitspraak begon de Arabische lente, maar ’recht’ voor de bevolking heeft dat uiteindelijk nog weinig opgeleverd.’

de-lange-zevende-eeuw

Wim Jurg, De lange zevende eeuw, of hoe christendom en islam de macht verdeelden. Damon, 2014. 224 pagina’s. Prijs: € 29,90. ISBN 9789460361807

Dit interview is uitgevoerd door Michel Peters, coördinator communicatie bij de Remonstranten.

AdRem
Dit artikel verscheen eerder in AdRem. AdRem is het maandblad van de Remonstranten.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *