Geloven 1

In het VPRO-programma I.S.C.H.A. van 8 november 1993 zat ik tegenover Ischa Meijer die mij interviewde. De aanleiding was mijn recent verschenen boek De Pretentie.

Thuis had ik alle vragen opgeschreven waarmee Ischa het gesprek misschien zou beginnen en daarvan alvast de antwoorden genoteerd. De openingsvraag die Ischa in een eerder programma aan twee van zijn gasten had gesteld was: ‘Gelooft u in God?’ Ik had die uitzending op de tv gezien en vroeg me af hoe het mij straks zou vergaan.

De eerste gesprekspartner was een vrouwelijke dominee. ‘Gelooft u in God?’ vroeg Ischa. De dominee zei hakkelend dat we eerst moeten bepalen wat we onder God verstaan en dat we pas daarna kunnen zeggen in wie of wat we kunnen geloven. Ischa nam geen genoegen met dat antwoord. ‘Zegt u nou gewoon ja of nee!’ blafte hij. In plaats van dat te doen, sloeg de dominee aan het filosoferen. Ischa had er al gauw genoeg van, want hij kapte het gesprek gewoon af toen de tijd erop zat.

De tweede gesprekspartner was Huub Oosterhuis. Ischa vroeg: ‘Gelooft u in God?’ Huub Oosterhuis antwoordde met een onstuimig: ‘Ja!!’ Ischa was in zijn nopjes. ‘Zo mag ik het horen!’ riep hij opgetogen. Daarna verliep het gesprek op rolletjes.

Wel, dankzij mijn voorkennis over de openingsvraag wist ik mij tot de tanden gewapend. Helaas bleek dat Ischa opende met een vraag die niet op mijn lijstje voorkwam.

‘Waarom hebt u dit boek geschreven?’ vroeg hij. Ik? Tot de tanden gewapend? Ik zat met een mond vol tanden! Waarom had ik dit boek geschreven? Ik kon er niet op komen. Ik was met stomheid geslagen. En dat tegenover een muisstille zaal.

Een eeuwigheid ging voorbij. En tijdens die eeuwigheid probeerde Ischa mij van mijn sprakeloosheid af te helpen. ‘Kom op,’ zei hij, ‘zeg nou, waarom hebt u dit boek geschreven?’ Eindelijk kreeg ik mijn kaken van elkaar. ‘Om een heleboel ongerechtigheid aan de kaak te stellen, en vooral omdat er in de Nieuwmarktbuurt waar ik woon…’ Ischa interrumpeerde mij. Hij zei: ‘Maar al die ongerechtigheid waar u het over heeft, is dat iets…’ Toen interrumpeerde ik hem, ik weet niet meer waarmee, maar Ischa zei: ‘U valt mij in de rede.’ Ik zei: ‘Ja, dat deed ik als changement de décor.’ Meteen had ik de lachers op mijn hand.

Tegen het eind van het interview zei Ischa dat hij nog één vraagje had. ‘In uw boek De Pretentie voert u drie hoofdpersonen ten tonele, maar is het eigenlijk niet zo dat de Nieuwmarktbuurt de echte hoofdpersoon is?’ Ik zei dat ik het volledig met hem eens was.

Ischa kon gehakt maken van zijn gesprekspartners. Dat deed hij echter alleen als ze probeerden hem om de tuin te leiden – iets waar Ischa in no time doorheen prikte. Hij kon mensen uitbenen, maar er stond tegenover dat hij veel invoelingsvermogen bezat. Het was dan ook zijn verdienste en niet de mijne, dat ons gesprek tot een goed einde is gebracht.

Vaak heb ik me afgevraagd hoe het zou zijn verlopen wanneer Ischa wel was begonnen met de hamvraag. Maar noch als opening noch als afsluiter was de vraag aan de orde gekomen die bovenaan mijn lijstje stond. Achteraf gezien spijt mij dat geducht. Ik had zo graag gewild dat Ischa mij vroeg of ik in God geloof. Want dan had ik gezegd: ‘Ik zou niet weten waar ik anders in moet geloven.’

Helen Knopper
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *