Erfenis Europa (10) – Schoonheid

De joodse traditie kent de gewoonte een geestelijk testament op te stellen, waarin iemand kenbaar maakt wat hij of zij belangrijk vindt om aan de volgende generaties door te geven. Een prachtige traditie. Welke legaten zijn de moeite waard om in dat testament opgenomen te worden? Christiane Berkvens-Stevelinck, em. hoogleraar Europese cultuur aan de Radbouduniversiteit Nijmegen, schreef er een boek over: Erfenis Europa. Toekomst van een stervende zwaan (Skandalon 2012).

Schoonheid is zichtbaar geworden liefde. – Plato

 

Pygmalion en Galatea 

De Griekse filosoof Plato zou hebben genoten van deze beide schilderijen, het ene van de Franse beeldhouwer Jean-Léon Gerôme (1894), het andere van de Belgische kunstenaar Paul Delvaux (1939). Ze verbeelden de Griekse mythe van Pygmalion, die Ovidius in zijn Metamorfosen vertelt. Pygmalion is een getalenteerde beeldhouwer uit Cyprus, het eiland van Aphrodite, de godin van de liefde. Hij ergert zich elke dag aan de heersende bandeloosheid, keert zich af van de plaatselijke schonen en verkiest een kluizenaarsleven. In zijn atelier begint hij aan een ivoren beeld dat beantwoordt aan zijn ideaal van vrouwelijke schoonheid. Naarmate het werk vordert, raakt hij steeds meer gefascineerd door zijn eigen creatie, die hij Galatea noemt. Zozeer dat hij hopeloos verliefd wordt op het levenloze beeld. Hij houdt hele gesprekken met haar, overstelpt haar met juwelen, zij is zijn absolute ideaal van schoonheid. Maar Galatea blijft van steen, of beter gezegd van ivoor. De wanhoop nabij, richt Pygmalion zich tot de godin van de liefde met het verzoek voor hem een deugdzame vrouw te vinden, die Galatea in schoonheid evenaart. Ontroerd door zijn wanhoop laat Aphrodite het beeld onder de handen van de beeldhouwer tot leven komen. Pygmalion kan de vleesgeworden schone Galatea in zijn armen sluiten. Bij hun huwelijk treedt Aphrodite zelf op als getuige. De geboorte van een kind bezegelt de overwinning van de liefde op de dode materie. Het thema inspireerde talloze kunstenaars, vooral in perioden waarin oude stijlen dreigden te verdwijnen terwijl nieuwe kunstidealen zich aandienden. Zo bood Jean-Léon Gérôme

(† 1904) weerstand aan het opkomend impressionisme en schilderde deze Pygmalion in neoklassieke stijl. Lange tijd verbanden musea dit soort schilderijen naar donkere depots. Nu prijken ze aan de wanden van de meest prestigieuze collecties. Schoonheidsidealen veranderen constant. Terecht stelt het Latijnse spreekwoord: de gustibus et coloribus non est disputandum, over smaak en kleur valt niet te twisten.

Toen Paul Delvaux een omgekeerde Pygmalion schilderde, een verliefde vrouw die een klassiek mannenbeeld strelend tot leven tracht te brengen, stond hij zelf op het punt een nieuwe weg in te slaan. Het expressionisme zei hij farewell om te omarmen wat hij noemde het poëtische realisme. De schoonheid van de kleurloze mannentorso is perfect. En kil. Een dergelijke schoonheid valt niet tot leven te brengen. Of alleen in een droom, zoals de boom-vrouw rechts. Een droom die, vreemd genoeg, tastbaarder lijkt te zijn dan het bewegingsloze mannenbeeld. Critici bekvechten nog steeds of de vrouw die hier als Pygmalion optreedt de moeder of de jeugdliefde van Delvaux voorstelt. Eén ding is zeker: uitzonderlijk mooi waren ze alle twee. Delvaux was een estheet. God overigens ook.

Die Grosse Stille
De stilte filmen. Kan dat? Ja, dat kan. En de Duitse regisseur Philip Gröning deed het ook in een fascinerende documentaire, verschenen in 2005 (DVD Die Grosse Stille, 2006, Engelse versie Into Great Silence 2009). Bijna drie uur lang wordt de toeschouwer getuige van het dagelijks leven in La Grande Chartreuse, een bergklooster in de Franse Alpen waar sinds de elfde eeuw monniken zich, in volledige stilte, wijden aan een leven van gebed. Kartuizers heten ze, Chartreux. Deze contemplatieve orde staat in de traditie van de oosterse eremieten uit het vroege christendom en staat haaks op het hedendaagse leven. De monniken leven in zelfgekozen eenzaamheid, in hun cel, waar ze bidden en studeren. Ook het werk begeleiden ze door een nimmer aflatend innerlijk gebed. Slechts driemaal per dag, bij bepaalde gebedsmomenten, treffen ze elkaar op doordeweekse dagen in de kloosterkerk: midden in de nacht voor de metten en lauden, waarvoor ze hun nachtrust onderbreken, ’s morgens voor de eucharistieviering en aan het einde van de dag voor de vespers. De andere getijden bidden ze in hun cel. Alleen op zon- en feestdagen komen ze voor alle gebedstijden samen in de kloosterkerk. Het Kartuizer leven werd praktisch nooit in het echt verfilmd. Na jaren aandringen kreeg Philip Gröning toestemming om een jaar lang de monniken te filmen. Into Great Silence is van een intense schoonheid. Een schoonheid die bioscoopbezoekers zelf tot een diepe stilte maant. Er wordt geen woord gesproken, noch in de film noch in de zaal. Minutenlang kijken de Kartuizers recht de camera in, met een innerlijke onbevangenheid die haast niet van deze wereld is. In gebed verzonken, lezend, aan het werk, kokend, etend: alles doen ze in diepe stilte. Met als enige onderbreking de getijden in de kerk. En die ene keer in de week dat ze wel mogen praten, als ze samen een grote wandeling maken. De film eindigt met een onwaarschijnlijke scène: in hun habijten roetsjen de monniken van een besneeuwde helling naar beneden, roepend en lachend als blije kinderen.

Trailer op www.erfeniseuropa.nl, hoofdstuk 9.

In de moderne tijd is de schoonheid van het monastieke leven niet gemakkelijk uit te leggen. Deze film over de strengste kloosterorde uit het Westen slaagt daar wel in. De fascinatie die ervan uitgaat, ligt niet aan een soort exotisme maar aan de behoefte van de hedendaagse mens om de ontegenzeggelijke schoonheid van de stilte te herontdekken. 

Christiane Berkvens - Stevelinck
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *