Een zoekende spreker

Essay van Chris van der Meulen – winnaar Banningprijs 2008

“Wanneer politici te kennen geven dat de burger altijd gelijk heeft
en dat de politiek moet leveren wat die burger wil, dan worden
burgers secundaire narcisten. Niet gehinderd door de erkenning
van een complexe en weerbarstige werkelijkheid, legt de ongeduldige
burger, vol vertrouwen in het eigen gelijk, zijn verlanglijstje op tafel”.

Weinig is mooier dan een zoekende spreker: iemand die zonder rijst in de mond, vol oprechte twijfel zoekt naar de nuance. Wie zo iemand hoort, kan een wereld aan hersenspinsels vermoeden waarin actief wordt gezocht naar manieren om de eigen beweringen te falsifiëren. De Nederlandse taal en gebaren van ledematen lijken niet toereikend voor het leggen van de volle nuance in het betoog. Soms gaat het om mensen wier woorden achterlopen bij hun gedachten, soms om mensen die halverwege een zin bedenken dat er nog een bijzin nodig is om wat al gezegd is te preciseren.
Meestal betreft het mensen die zich comfortabel voelen bij de wetenschap dat ze niet overal pasklare antwoorden op hebben.
Die vleesgeworden nuance waar ik zo’n voorliefde voor koester, het optreden van sprekers die soms zelfs enigszins getroebleerd lijken, is niet representatief voor wat het open democratische debat bij uitstek nodig heeft. Over een bedreigde diersoort heb ik het ook niet. Wel vraag ik me af of de richting waarin het publieke debat zich in Nederland ontwikkelt de biotoop oplevert waarin mijn zoekende spreker het best gedijt.
De waardering van dat publieke debat is aan nogal wat erosie onderhevig. Deelnemers lijken minder dan voorheen geneigd tot openlijke zelfkritiek en zelfrelativering. Vaak verkiezen ze technische of juridische argumentaties boven morele.
Het lijkt er soms zelfs op alsof de stelling van Clausewitz omgedraaid wordt en dat de politiek – en in bredere zin het debat – wordt gezien als de voorzetting van de oorlog met andere middelen. Nuanceren heeft aan populariteit verloren en wordt aangemerkt als een teken van zwakte. Onder het mom van ‘benoemen’ en ‘duidelijkheid’wordt de schijn van onzekerheid met zorg vermeden. De taal wordt oorlogszuchtiger en de verering van de doener boven de denker viert hoogtij.

De ongeduldige burger
Het is belangrijk te erkennen dat het in het debat en in de politiek – anders dan in een oorlog – niet primair gaat om het behalen van een overwinning, maar vooral om het inzichtelijk maken en bediscussiëren van verschillende (morele) argumenten. Het uitgangspunt moet zijn dat een debat ertoe dient om de kwaliteit van ons denken naar een hoger niveau te tillen. Dit lukt alleen als deelnemers zich niet vastleggen op in steen gebeitelde standpunten. Zij moeten kritisch kunnen kijken naar hun eigen redeneringen en die van anderen.
Toen rond de eeuwwisseling de aanval werd geopend op het cultuurrelativisme en het postmodernisme, raakte ook onzekerheid in diskrediet. In het oog springende aanvallen op het cultuurrelativisme kwamen van onder meer Bolkestein1 en Berlusconi.
Die laatste stelde zonder omhalen dat de westerse cultuur superieur is aan de islamitische. Velen voelden zich ongemakkelijk bij dit soort uitspraken en haastten zich om er afstand van te nemen, maar bij veel anderen vielen ze juist in vruchtbare aarde. Immers, het mislukken van het integratiebeleid – ‘het doodknuffelen van de allochtonen’ – was aan dat cultuurrelativisme te wijten. De ongemakkelijkheid waarmee veel politici omgingen met problemen die immigratie en integratie met zich meebrachten, wierp een smet op iedere vorm van onzekerheid en relativisme.
Het opkomende waardenabsolutisme werd op de voet gevolgd door verontwaardigde klachten over de verruwing van het debat. De discussies die de meeste media-aandacht krijgen zijn weinig creatieve uitwisselingen van standpunten. Dit type dialoog heeft ook zijn eigen idioom, met termen als ‘ieder weldenkend mens weet…’, ‘natuurlijk’, ‘duidelijk’ en ‘helder’. Het doet denken aan wat er gebeurt in de meest onredelijke echtelijke ruzies.
Naarmate het conflict verergert, vallen de woorden ‘altijd’ en ‘nooit’ steeds vaker (‘Jij doet nooit wat, ik moet altijd alles doen!’). Intussen heeft angst voor de burger zich meester gemaakt van politici en opinieleiders. Vroegtijdige pacificatie van meningsverschillen, veronachtzaming van belangrijke noden van burgers en het niet uitdragen van vergezichten hebben ervoor gezorgd dat velen zich afkeerden van de gevestigde politiek. In plaats van kritisch naar de eigen idealen te kijken en die expliciet te maken, sloegen veel politici en opinieleiders een vragende toon aan. Immers, bescheidenheid was nu geboden, de burger heeft altijd gelijk. En wanneer politici te kennen geven dat de burger altijd gelijk heeft en dat de politiek moet leveren wat die burger wil, dan worden burgers secundaire narcisten.2 Niet gehinderd door de erkenning van een complexe en weerbarstige werkelijkheid, legt de ongeduldige burger, vol vertrouwen in het eigen gelijk, zijn verlanglijstje op tafel. Deze ongeduldige burger – ook bekend onder de naam ‘hard werkende Nederlander’- heeft voor velen de intellectueel in aanzien verdrongen. Het leverde een wonderlijk beeld op. Waar Balkenende3 zijn teleurstelling in de intellectuelen uitspreekt vanwege hun vermeende afwezigheid in het publieke debat, verkettert Bolkestein4 de public intellectuals als bemoeizuchtige marginalen uit de onderlaag van de universiteiten. Ook uit de roep van Bos om meer types als Jan Schaefer spreekt weinig waardering voor intellectuelen.
Gegeven de impliciete ontkenning vanuit de politiek dat onzekerheid een voorwaarde is voor een vruchtbaar debat, is het niet verwonderlijk dat mensen vluchten in principes, dogma’s en quasizekerheden.
Gemak dient de mens en waarom keer op keer een morele redenering opzetten als je het ook met een vuistregel, principe, gedragscode of gebod af kunt? Mensen verleren het ook om om te gaan met de onzekerheid die hoort bij het maken van keuzes wanneer – zoals dat heet – ‘de moraal wordt ondersteund door de markt’. Waarom nog nadenken over een donorregistratie als je paspoort gratis wordt als je op het registratieformulier ‘ja’ aankruist?5De voorliefde voor ge dragscodes en het aanvullen van morele over wegingen met financiële prikkels getuigt van een vrij pessimistisch mensbeeld.
Ik vraag me af waar dat eindigt. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer je mensen de verantwoordelijkheid ontneemt om na te denken over hun eigen gedrag, ze het uiteindelijk verleren.

Voorwaarden voor vrij debat

De kennelijke vermoeidheid met het debat en de anti-intellectualistische sfeer die is gaan heersen hangen in ieder geval ten dele samen met de misvatting dat het moreel-ethische debat per definitie elitair is. Wanneer je een moreel dilemma isoleert en het van alle kanten belicht, dan hoeft dat geen elitaire aangelegenheid te zijn.6 Daarbij ben ik van mening dat het vaak de technische aspecten zijn van bijvoorbeeld een beleidsdebat die het ingewikkeld maken. Zo zijn het in het debat over herverdelingspolitiek eerder de technische aspecten van ons fiscale stelsel dan de morele overwegingen die vragen om doctorandussen. Bovendien is het debat het instrument bij uitstek om de eigen ideeën en idealen aan te scherpen dan wel bij te stellen. Juist in een politiek landschap waarin de verschillende partijen in het midden naar elkaar toe lijken te kruipen en de uitersten zich verder van elkaar verwijderen, moet die kans gekoesterd worden. Daar is onzekerheid niet alleen gepast, maar ook geboden. Naast populisme blijft vroegtijdige pacificatie het debat belemmeren. Die pacificatie komt van oudsher voort uit de wens om winnaars en verliezers in het debat te kunnen verenigen. Angst voor polarisatie zit een oprechte ideeënstrijd in de weg. Wanneer onzekerheid geaccepteerd wordt en het debat als voertuig voor het nuanceren en preciseren van ideeën en overtuigingen wordt gezien, is
dat de beste garantie dat pacificatie uiteindelijk mogelijk blijft. Ook is het van belang realistisch te zijn over waar twijfel en onzekerheid in het debat te verwachten zijn. Vaak geldt: hoe groter de wil om te overtuigen, hoe groter de stelligheid waarmee de argumentatie wordt gevoerd. Maar wat is er te verwachten van bijvoorbeeld de pogingen van Richard Dawkins om gelovigen te bekeren tot het atheïsme? Is er wel een toonvoering of onzekerheid in het relaas van Dawkins denkbaar die recht doet aan zijn overtuiging en voeding biedt aan een vruchtbaar debat? Zijn verhaal is een preek voor eigen parochie geworden. Hoe anders was dat met de columns van Maarten ’t Hart, gebundeld in De Schrift betwist. Dat boek illustreert het belang van het verwerven en behouden van legitimiteit in het debat. Liefdevol over het geloof ridiculiseerde ’t Hart de Bijbel – gelovigen vraten het op en smeekten hem te stoppen. Verder is het gebrek aan zelfvertrouwen in cultuur- en religiekritiek een obstakel. Nog steeds spreekt er weinig zelfverzekerdheid uit de manier waarop het politieke midden en sommige linkse politieke partijen omgaan met uitspraken over bijvoorbeeld het recht op geloofsafval. Daar komt bij dat in de minst succesvolle debatten de islam als geheel en als zijnde enkelvoudig wordt besproken. De dogma’s waar politici op vastlopen zijn vaak een bijna technisch gegeven. Argumentaties die beginnen en eindigen met ‘omdat het in de bijbel staat’ of ‘omdat het in de koran staat’ bieden weinig stof voor een vruchtbaar debat. Paul Cliteur probeert het debat vlot te trekken door te pleiten voor een moreel esperanto, een vocabulaire dat gespeend is van ieder religieus uitgangspunt.8 Zijn criticasters stellen onder meer dat de goddelijke bevelstheorie (de gedachte dat de wil van God samenvalt met het goede) daarvoor te veel in de weg staat.
Een al eerder geopperde variant op moreel esperanto zou succesvol kunnen zijn als de focus in het debat niet ligt op een religie als gedeelde levensbeschouwing, maar op het naar voren brengen van die elementen die het individu dierbaar ofminder dierbaar zijn. Vooral hier heeft het individu de sleutel voor twijfel en onzekerheid en kan elk de opening bieden voor cultuur- en religiekritiek (met een lage dosering cultuurrelativisme).
Een dergelijke poging komt in wezen neer op aan gaan van het debat met gematigden onder de religieuzen. Fundamentalisme aan de kant van religies en aan de kant van de Verlichting zijn de extremen die het debat frustreren of overbodig lijken te maken. Er is echter geen reden om die extreme posities de toon en inhoud van het debat te laten bepalen. Vraag maar aan emeritus bisschop Tiny Muskens wat hij vindt van het zevende gebod (‘gij zult niet stelen’). Muskens illustreert in afwezigheid van Banning overigens hoe weinig relevant het betoog van Dawkins in dit kader is. Het categoriaal afwijzen van een religieuze overtuiging als inspiratie voor idealen heeft minder haast dan het cultiveren van het debat.

Het grote verhaal

Boven alles ligt er nu de taak voor politici en opiniemakers om mensen mee te nemen in het moreel-ethische debat. Neem mensen mee in een welwillende zoektocht naar de oorsprong van alle beleidswensen – of het nu naar Margalit, Etzioni, Rawls of Fukuyama is. Het gaat echt niet aan om mensen met een kluitje in het riet te sturen met principes, vuistregels, gedragscodes en een rijtje normen en waarden. Principes – de uitkomst van een onzichtbare morele argumentatie – zijn er voor mensen van wie de hoop op eigen morele argumentatiekracht is opgegeven. Het in twijfel trekken van principes, het wellicht vermoeiende proces van telkens nieuwe afwegingen maken, is de belangrijkste voorwaarde voor een vruchtbaar debat en voor de democratie. Niet iedereen zal of moet een zoekende spreker worden, maar mensen zijn niet gek. Ze zijn in beginsel prima in staat om goede morele argumentaties te voeren. Je moet ze echter wel in staat stellen om dat te doen. Pas dan zal onzekerheid in een beter daglicht komen te staan en een nieuwe waardering krijgen. Dat betekent in de eerste plaats een verplichting om de grote verhalen te vertellen en weerstand bieden9 aan Clairy Polak wanneer ze in NOVA vraagt: ‘Maak het eens concreet.’ Zelf heb ik ook wel eens de neiging om mijn gedachten stelliger te verwoorden dan mijn overtuiging in eigen gelijk zou moeten toelaten. Ik moet zelfs bekennen dat ik het bij gelegenheid ook als trucje doe. De woorden ‘ieder weldenkend mens weet’ doen het doorgaans erg goed. Maar die zoekende spreker, die heb ik ook in me. En de woorden ‘natuurlijk’, ‘altijd’ en ‘nooit’ zal ik nooit gebruiken probeer ik te vermijden.

1 Frits Bolkestein, Moslim in de polder, Prometheus, 1997.
2 Naar Freud in lezing The ideological gap. Grahame Lock, oktober 2007.
3 Eind 2006 in een brief aan Harry Mulisch.
4 Begin 2007 in Opinio.
5Wouter Bos deed een voorstel om korting op het paspoort te geven in ruil voor donorregistratie.
6 Liesbeth Levy, Essays No3, RKS, 2004.
7 Richard Dawkins, The God Delusion, Bantam, 2006.
8 Moreel Esperanto, Arbeiderspers, 2007.
9 Dick Pels, IDeaal, augustus 2007.

Chris van der Meulen, geboren in 1972, studeerde aan de
Universiteit van Tilburg. Hij schreef een scriptie over internal
governance. Hij is freelancer op het grensvlak van wetenschap
en politiek/publieke zaak, bijvoorbeeld als columnist en
debatredacteur/programmeur. Hij heeft een grote liefde voor
historische schepen, is actief voor het Havenmuseum te
Rotterdam en woont op een historisch zeilend bedrijfsvaartuig,
een Hasselter aak uit 1909. Zie ook http://www.waterploeg.nl/.

Claudia Pietryga
Claudia deed zowel een sociaal-agogische als journalistieke opleiding en is alweer bijna tien jaar freelance journalist. Ze schrijft het liefste over maatschappelijke onderwerpen en publiceerde onder meer stukken in de Flair, Hallo Jumbo, Spits, Het Parool, diverse blogs, lokale bladen en uiteenlopende (online) media voor met name ondernemers.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *