Een wandeling tussen contrasten

In de week van zeven dagen, is de zaterdag een wonderlijke dag. Voor de meeste mensen is zaterdag het begin, de eerste dag van een weekend waarin ze gaan ontspannen, en leuke dingen willen doen. Veel  bedrijven organiseren aan het einde van de vrijdagmiddag al een borrel, en anders gaan mensen met vrienden uit, of ze vieren thuis dat werk- en schoolverplichtingen er weer even op zitten.

Voor de volgende ochtend hoeven ze de wekker niet te zetten, tenzij ze al vroeg gaan sporten, of plannen hebben voor een weekendje weg. Zeker, er zijn mensen die op zaterdag in een winkel staan, of een intensieve cursus volgen  – maar het valt me vaak op dat de zaterdag, zelfs voor werkende mensen, toch iets vormeloos houdt. Iets chaotisch, iets onrustigs, of juist iets leegs, iets zinloos, waarin je het gevoel kunt hebben niet te weten waar je aan toe bent. Na het uitslapen lees je in je pyjama de krant, languit op de grond, broodje en kop koffie erbij, om opeens te ontdekken dat het al bijna middag is. En je bedenkt: ik moet de bibliotheekboeken vandaag echt terugbrengen, en de lege flessen wil ik ook de deur uit hebben, misschien kan ik zelfs even naar de kapper en o, ja, de schuursponsjes en het wasmiddel zijn op en in de stad ga ik alvast een cadeautje zoeken voor een vriend die bijna jarig is. Ook je gezinsleden banjeren op zaterdag maar wat rond. Er wordt schoongemaakt, geklust, verveeld op de bank gehangen, in kookboeken gebladerd, met vrienden gemaild en gebeld, er worden afspraken gemaakt, de verzameling voetbalplaatjes wordt geordend, een bureaula die al een tijdje niet meer dicht kan wordt uitgemest en op de vloer ontstaat een bende van jewelste… 

Pas tegen de avond keert de rust weer. En wat voor rust. De rust van de zaterdagavond lijkt rustiger dan de rust van de maandag – de dinsdag- of de vrijdagavond. 
Er lijkt orde geschapen. De dag is benut voor achterstallig onderhoud. In alle bezigheden, en in het verveelde gehang, heb je onwillekeurig een heleboel ballast losgelaten. De slordige, losse draden in het handwerkje dat je de afgelopen week hebt geweven, heb je nu netjes afgehecht – er is niets meer van te zien. En dan is het net alsof er opnieuw ruimte ontstaat, voor het geconcentreerd lezen van een boek, voor het voeren van een mooi, diepgaand gesprek, voor het luisteren naar muziek of het opgaan in een film; er kan weer wat bij. 
Je zou kunnen zeggen: op zaterdag slaapwandelen we de hele dag, zelfs, of juist, als we druk bezig zijn. We verwerken oude indrukken, misschien zelfs een teveel aan indrukken, en het is daarbij soms net alsof we verzeild zijn in een droom zonder samenhang of logica, enigszins stuurloos, terwijl we in de avond fris en uitgerust ontwaken, ontvankelijk voor nieuwe impulsen. In een gesprek op vrijdagavond voel je de neiging om terug te blikken op de voorbije week, maar soms ook op een periode die achter je ligt – (bijvoorbeeld als je met een vriend uit eten gaat, en merkt dat je op de vraag ‘hoe gaat het nu met je?’  antwoordt met een verhaal over hoe het de laatste tijd met je ging.) Op zaterdagavond kan een intiem gesprek juist meer toekomstkwaliteit in zich dragen. Natuurlijk kun je ook hierin de dagen die achter je liggen overdenken, maar opeens kom je erachter: ‘Ik moet voortaan eens wat eerder gaan slapen. Of: jij mag best eens wat vaker ‘nee’ zeggen tegen andere mensen. Of we moeten nu toch echt eens iets ondernemen om onze droom te verwezenlijken.’ 
Je komt niet alleen tot jezelf, maar ook tot elkaar. 

Op zaterdagavond kun je soms herontdekken wat jou inspireert. En die helderheid, die ontvankelijkheid, die draag je dan mee de zondag in – die neem je misschien wel mee naar de kerk, of naar het bos, het strand, het park, of naar familie of vrienden; je kunt je aandacht weer naar buiten richten. Anders gezegd, door het gelouterde, hernieuwde vermogen tot ontvankelijkheid kunnen we weer aandacht schenken
Sterker: het schijnt mij soms toe dat die rommeligheid van de zaterdag daartoe noodzakelijk is. Ik heb in mijn leven al vele pogingen ondernomen om er meer kalmte en structuur in te krijgen, om die dag wat minder onbestemd te laten zijn, maar als dit dan een paar keer lukte, (tot mijn grote voldoening!) ‘klopte’ de zondag niet meer. Alsof die hierdoor juist wat doodser was geworden. Een herhaling van hetzelfde. Een flauwe afspiegeling van de dag ervoor. Alles behalve een stralende zon-dag. 
Ik had een noodzakelijke stap overgeslagen, door van de zaterdag al de eerste dag van het weekend en van de nieuwe week te maken, en hierdoor was de zondag een armetierige, onvruchtbare, wat bloedeloze tweede dag geworden. Misschien herkent u dat. 

Het kan interessant zijn om eens op zaterdagochtend naar de kerk te gaan, in plaats van op zondagochtend. Of, als u ruim in uw tijd zit, om op beide dagen naar de kerk te gaan. De eredienst kan exact hetzelfde zijn, maar de beleving is volkomen anders. Althans, dat is mijn ervaring.  
Op zaterdag een dienst bijwonen, is innerlijk hard werken – terwijl het op zondag veel vloeiender gaat, er meer sprake lijkt van een stroom, een soepele ademhaling tussen de geestelijke en de aardse wereld. Op zaterdag ervaar je de dienst in de Christengemeenschap als ernstig, verstild en bedachtzaam, ik zou haast zeggen: als sober protestants. Je denken en je wilskracht worden er sterk in aangesproken. Alsof je met die vermogens tegen de zojuist beschreven  zaterdagsfeer in moet gaan, om overzicht en vorm te vinden en deze te behouden.  Op zaterdag voel je je in de kerk een enkeling te midden van andere enkelingen. Iemand die op eigen kracht, en op een eigen wijze, zijn zonden in stilte belijdt, zijn offer brengt, zijn relatie tot de oorsprong wil hernieuwen. Wanneer je op zaterdag na de dienst weer naar buiten gaat, voelt dat soms eerst als ‘O nee, de boze buitenwereld…’ en daarna pas als een bevrijding. 

Wie ooit een paar dagen in een klooster heeft doorgebracht, en daar heeft meegeleefd met het ingetogen, strakke dagritme van de zusters of broeders, kent dat gevoel zeker. Aanvankelijk onwennig, misschien wel wat geïrriteerd of verstoord, onderneem je de terugreis naar huis. Maar dat gevoel kan al na een kwartier omslaan in blije verwondering bij de drukte, de veelheid, het gegons en gedwarrel, waar je gelukkig ook weer deel van kunt worden. Het is dat schone, vitale gevoel dat door je lichaam bruist na een abrupte ijskoude douche. Alles trekt samen, je rilt, krijgt kippenvel, je huid spant zo strak dat je de begrenzingen weer voelt, dat doet haast pijn, een beetje zelfkwelling… 
Maar daarna heb je energie voor tien, en wandel je rechtop, doelgericht en daadkrachtig de buitenlucht weer in. Voeten op de grond, handen uit de mouwen. 
Eerst ora, dan labora.  

Op zondag is de dienst veel katholieker: het hart wordt aangesproken. Je beleeft jezelf als deel van een gemeenschap, ja, als levende cel in het lichaam van Christus – zoals Paulus de kerk zo prachtig omschrijft. Nogmaals, op zaterdag vormt de dienst een spannend, verstild contrast met de onrustige stad, met de wereld daarbuiten. Een moeilijk in het gehoor liggende dissonant. Op zondag lijken de muren van de kerk minder dik. Het kan soms zijn alsof je, in je aandacht, de wereld liefdevol tot aan het altaar meedraagt; alsof je het verdriet, de zorgen, de blijdschap, de zegeningen waar andere mensen je soms alleen al door hun blik deelgenoot van hebben gemaakt, samen met je eigen roerselen in de handen van God kunt leggen.  En wanneer je de communie ontvangt, voel je de stralende, zuiverende, genezende werking ervan niet alleen in jezelf: je houdt altijd over. Er is genoeg om buiten van uit te delen. Of: er staan meer mensen rond het altaar, levenden en gestorvenen, dan je met aardse ogen kunt zien. Velen eten en drinken mee. Harmonie. Consonanten.  

Op zaterdag, de Saturnusdag, de dag met de Januskop, met de twee gezichten, waarop we de ordeloosheid scheiden van de essentie, overheerst het kruis – met die niet te verzachten spanning tussen horizontaal en verticaal. Op zondag: de cirkel, altijd in beweging. Denk aan kringen in het water, zodra je er een steentje in werpt. 
Je hoeft niet vaak op zaterdag naar de kerk te gaan, om dit verschil in sfeer, in kwaliteit te ervaren. Ik denk zelfs dat er op zondagmorgen, voordat de dienst begint, nog een beetje van die strenge, ingetogen zaterdagstemming in de ruimte hangt. En dat je die kunt oppakken, meenemen en loslaten in het zondagse gebeuren, om dit nog rijker en stralender te maken.  

In de katholieke traditie waarin ik ben opgevoed, heet de zaterdag  tussen Goede Vrijdag en Pasen eenvoudig: ‘Paaszaterdag’. Mijn moeder, geboren in de jaren dertig van de vorige eeuw in Amsterdam, vertelde me dat ze op deze dag haar vastentrommeltje met daarin al het opgespaarde snoepgoed mocht openen. Ook moest ze met haar broers en zussen een ronde langs een flink aantal kerken maken – ik meen bij wijze van boetedoening. En er werd langer dan anders gebiecht. Mij opa vond dat zwaar voor zijn negen kinderen, en gaf ze na afloop allemaal een dubbeltje, waarvan ze een in gekleurd zilverpapier verpakte, gevulde chocoladereep  mochten kopen. 
Voor mijn oma moet zo’n dag wel een verademing zijn geweest: ze kon in alle rust de paasmaaltijden voorbereiden, bloemen schikken, het tafelzilver poetsen, de laatste inkopen doen. 

Ook in mijn jeugd was paaszaterdag zo’n voorbereidingsdag. Ik mocht mijn beschilderde eieren in de bloesemtakken hangen, chocoladetruffels in de vorm van een nestje maken, meehelpen met boodschappen doen, naar de delicatessenwinkel om een boterlammetje en feestelijk broodbeleg voor het ontbijt uit te zoeken. Voor de avondlijke kerkdienst had ik mijn nieuwe, pastelkleurige lentekleren natuurlijk al klaargelegd, in een kamer die ik na de Goede Vrijdagdienst netjes had opgeruimd en gestoft. 
Hoewel alles dus gericht was op het feest van zondag, beleefde ik in mezelf iets wat ik nu pas kan aanduiden als een gevoel van verweesdheid. Van ongeborgenheid. Een totaal andere stemming dan die ik kende van de heerlijke voorbereidingen voor Kerstmis. 

Het kwam mij voor alsof ik er niet helemaal bij was. Alsof de feestelijke versieringen en lekkernijen me nog niet zoveel zeiden. Ik keek ernaar, nam geuren en kleuren in mij op, maar de dingen bleven dode dingen. Ik kon over die gewaarwordingen niet goed over praten, en misschien durfde ik dat ook niet. Toch: ik had het idee dat ik gedwongen werd mij ergens op te verheugen, terwijl ik me juist zo eenzaam, zo weemoedig, zo verlaten voelde. Voor mij was het dus als kind al geen Paaszaterdag, maar Stille Zaterdag. 
De stemming leek niet op de zware, intense, soms bijna fysieke pijn van de dag ervoor,  ging niet gepaard met tranen en imploderende wanhoop omdat ik alwéér niets kon doen voor Jezus aan het kruis – in mij heerste een stilte die ik veel later herkende als de stilte die je overvalt, een dag, of een paar dagen na het bericht van iemands overlijden. Eerst is er de schok, het ongeloof (zelfs als je wist dat iemand stervende was), en dan bijna een soort gelaten berusting en de wil om meteen voor de overledene te bidden, of iets liefs, iets wezenlijks over hem of haar te zeggen op de uitvaart…  En pas een tijdje later, soms pas na de uitvaart, hoor je de echo van de doodstijding. 
Iemand komt echt nooit meer terug. Nooit meer in die unieke gestalte, met die voor hem zo specifieke blikken en gebaren, met die veelzeggende stem, die je uit duizenden herkende, ook als hij aan de telefoon zijn naam niet eens noemde… Nooit meer die speciale omhelzing, die grap, die wijze raad, die gesprekken, die plannen, die dingen die je alleen met hem of haar op die manier kon ondernemen… De gestorven ander blijkt, nog meer dan je tijdens diens leven besefte, onvervangbaar, oninwisselbaar. Je staart in een nauwelijks te bevatten, laat staan te aanvaarden leegte. Je krijgt de cirkels van de dagen, de weken, het jaar nog wel rond, maar waar anderen een zinvol, prettig samenzijn ervaren, ervaar jij soms ook die ontbrekende schakel, dat gat, die open wond waarop maar geen korstje komt, of die onder het dunne littekenweefsel niet helemaal gesloten lijkt.   

                                                                     
Een heel ander voorbeeld van ongeborgenheid: Denkt u eens aan een behaaglijk warme kamer op een gure herfstavond, waar het licht gezellig brandt, waar je tevreden bij elkaar zit – en opeens barst er een ruit. De koude lucht waait binnen, omspeelt je voeten, kruipt in je nek, en in geen enkele kamer kun je je voor die stormvlagen afschermen. Ze komen zelfs onder de deurkieren door. Weg geborgenheid, weg vrede. Opeens sta je met een stuk karton en een oude deken, spijkers en een hamer bij de lege sponningen, om het gat dan tenminste voor even amateuristisch weg te werken. Natuurlijk helpt zo’n reparatie nauwelijks. De boel gaat klapperen, wordt nat, scheurt, valt in elkaar. Het enige wat helpt, is innerlijk een tegenkracht oproepen. Niet zelf buigen of barsten, niet meegaan in de ellende of je er dan maar klagend bij neerleggen, in een hoekje op de grond, verborgen achter een fort van kussens en oude lappen, als een dier dat een winterslaap gaat houden – maar jezelf zo sterk maken dat de onrust, de kou, de spookachtige geluiden geen vat op je krijgen. 

Alsof je je ziel een ijzeren soldatenuitrusting aantrekt, met een zwaard waarmee je de chaos van je afhoudt, en een weegschaal waarmee je naar een innerlijk evenwicht blijft zoeken. Strijdbaar, maar niet agressief. Beschermd, maar niet defensief. Een extreem beeld, maar ik schets het bewust in groteske contouren om even in het gemoed op te roepen  wat we doen, moeten doen wellicht, in de jaarlijks terugkerende  Michaëlstijd, die eind september begint. Daar moeten we ons actief inspannen, aanspannen, om chaos, stormen, en de neergang van het leven in de natuur, wakker en moedig tegemoet te treden – met de vruchtbare zonnekrachten die we aan het einde van de zomer hebben geoogst.  Wat we in onszelf aanspreken, is doorzettingsvermogen. 

De ongeborgenheid van Stille Zaterdag echter, lijkt niet op de ongeborgenheid die we kunnen ervaren in de herfst, als de bomen hun blad verliezen, de vogels wegtrekken, de dagen donkerder worden en de stormen een spel met ons spelen. In de Michaëlstijd komt de ervaring van buitenaf op ons toe, en zullen we er van binnenuit tegenwicht tegen moeten bieden, willen we niet ten onder gaan. Of: willen we niet dat alles rondom ons wordt verzwolgen door de grote, tweekoppige draak. 

In de ongeborgenheid van Stille Zaterdag lijkt het alsof we een heel intiem deel van onszelf verloren zijn. Ons alter ego. Ons betere ik. Onze reisgenoot, metgezel, onze meester die tegelijk onze vriend was. We staan in een open veld, en opeens stopt het pad. Grassen die in één nacht tijd lijken opgeschoten, hebben het vervaagd. Doelloosheid. Het gevoel verdwaald te zijn, onder een open hemel. De aanblik van de ontluikende natuur is prachtig, de vogels zingen wonderschoon, jong, fris groen blad danst sereen aan de twijgen, er glinsteren goudstofjes in de lucht, de eerste insecten gonzen, zachte bloemengeuren deinen op de al wat warmer wordende wind, maar terwijl onze zintuigen dat allemaal waarnemen, en zachtjes worden aangeraakt, is er die onverklaarbare smart. ‘Ich weiss nicht, was soll es bedeuten, dass ich so traurig bin’. 
In ons: een afgrondelijke stilte. Alles kwijt. De liefste kwijt. De liefde spoorloos verdwenen. Misschien wel: alles voor niets geweest. Of nog erger: had ik maar niet geleefd, was ik maar niet met hem meegegaan, had ik maar niet als mens een ander mens liefgehad, dan had ik dit verlies ook niet hoeven meemaken. Zinloosheid. Gemis. En wat, in vredesnaam, aan te vangen met die laatste uitspraak van Jezus Christus, voordat hij de geest gaf: ‘Het is volbracht.’?  

Aan een Michaëlische uitrusting, aan zwaard en weegschaal, hebben we nu niet veel. Moeten we er dan maar bij gaan liggen? Ons er –letterlijk- bij neerleggen? 
 
Nee. Oefenen we in de Michaëlstijd een strijdbare, parate, wakkere houding – in de Lijdenstijd, maar vooral op Stille Zaterdag, kunnen we leren wat waken is. Waken, -misschien innerlijk stuurloos, verward, onrustig- en het uithouden. Het schrille contrast het contrast laten. De dissonant laten klinken, ook al bezorgt die ons een ‘unheimische’ sensatie.  
In de Christengemeenschap zijn de altaarkleden en de gewaden van de priesters in de Lijdenstijd zwart en wit. Onlangs sprak ik een mede-kerkganger die zei daarmee moeite te hebben; werd buiten alles steeds blijer, lichter, kleuriger, ging alles eindelijk open, ook in hemzelf… Moest hij in de kerk op van  die harde, koude begrafenistinten botsen! Als Brabantse katholiek, en als lentekind, vond hij dat erg moeilijk. Ik begrijp dat goed, ook al wilde ik bijna antwoorden: hoe moeilijker, hoe beter.   Zeker, in de katholieke kerk is de kleur voor de Lijdenstijd paars. Krokuspaars. Ook ingetogen en verbonden met de geest – maar toch nog levendiger dan dat strakke zwart en wit.  
Als de kerk zich zou aanpassen aan de seizoenen, zou men in het voorjaar beter voor roze en zachtgroen kunnen kiezen, die dan langzaam sterker konden worden, konden aanzwellen tot het heldere, complementaire rood en groen van Pasen. 

Maar de Lijdenstijd is geen opmaat tot Pasen, zoals Advent dit is tot Kerstmis. Naar het geboortefeest leven we toe, met steeds meer kaarslicht in de duisternis. 
Naar het Opstandingsfeest ‘sterven’ we als het ware toe. We nemen heel bewust af, opdat de Christus straks in ons kan toenemen. 
Denk aan een schitterend muziekstuk, aan de laatste klank die wegsterft in de concertzaal: de stilte ervoor is heel anders van aard, dan de stilte erna. Die eerste stilte, daar moet je jezelf of het publiek echt toe aansporen. Er wordt nog gepraat, op stoelen heen en weer geschoven, in tassen gerommeld, en als de zaal dan eindelijk tot rust is gekomen,  is de eerste stilte haast kinderlijk verwachtingsvol. De tweede stilte is rijker, dieper, maar ook zwaarder. De muziek is weg. Verdampt. Vervluchtigd. Opgelost. Nu is er iets om naar terug te verlangen, want op exact dezelfde manier komt het muziekstuk niet meer terug. En als je thuis meteen een cd met hetzelfde stuk opzet, dan versterkt dit het gemis, in plaats van het weg te nemen. Je beleeft de melodie nog wel, maar je maakt het stuk niet meer mee, samen met de andere luisteraars, samen met de uitvoerenden op het podium. Die ervaring, op die plaats, op dat tijdstip, was echt eenmalig – en dat beseffen we meestal pas als we weer thuis zijn, in een stilte die plotseling vreemd en vijandig lijkt. Ook in onszelf kan iets wegsterven, zoals muziek kan wegsterven. Of zoals een kaars zichzelf opbrandt, en vanzelf dooft. Zeker als we een mooi, kleurige kaars van een vriend cadeau gekregen hebben, vinden we dat zonde. Maar het is ook zonde om hem als een doods object op de schouw te zetten en hem niet aan te steken; daar is hij toch voor bedoeld, met die intentie is hij gegeven.      

Bij het naar Pasen toe-sterven, kun je denken aan iemand die afziet van aardse genietingen, die nauwelijks nog eet en vooral water drinkt, die zich, kortom, ‘versterft’. Echter, wij leven niet als monniken in de Middeleeuwen, die hoopten hierdoor volledig ik-loos te worden. 
Natuurlijk kan het zinvol zijn om eens veertig dagen met een aangename gewoonte te breken – maar dat kan nooit een doel op zich zijn. Ik denk veeleer aan bewuste, innerlijke versterving. Bijvoorbeeld: het voorjaar lokt je naar buiten, maar toch blijf je binnen. Niet in je huis, maar in jezelf. Je bidt, vast en leeft in je binnenkamer mee met de lijdende Heer, met lijdende medemensen, en offert zo iets van je eigen levenskracht en levensvreugde – zoals je dat ook doet wanneer je waakt aan het bed van een stervende, of misschien na diens overlijden bij zijn kist.   
Je gaat niet per se tegen neigingen, impulsen, aanvechtingen en verleidingen in, je gaat ze ook niet uit de weg, maar je blijft stil staan, kijkt ernaar en handelt niet. Dat klinkt een beetje boeddhistisch, een beetje zen, een beetje van de Griekse stoa: “Alles in deze wereld is maar schijn, vergankelijk – memento mori, sta er boven,wordt begeerteloos.” Zo bedoel ik het niet. Ik denk dat het juist zinvol is om het mineur, de weemoed dat dit soort verstervingsoefeningen soms oproept, te voelen, te doorleven, te doorstaan. Om er met ingetogen interesse middenin te gaan staan.         
  
Zachtroze en zachtgroen, de kleuren die ik als meisje voor mijn nieuwe slaapkamer koos, zijn in de kerk de kleuren van de Michaëlstijd. En dit juist wanneer de natuur zich met veel tromgeroffel voorbereidt op een landschap in zwart wit, van sneeuw en ijs en kale boomcontouren aan de horizon. In de Michaëlstijd, die plotseling komt, waaraan geen voorbereidingsweken voorafgaan, roepen we de herinnering aan Pasen in onszelf wakker, bootsen we de opstanding in onszelf, op onze eigen wijze, horig aan onze eigen roeping, na. We worden ridders in de orde van de aartsengel, trekken vervuld van Christuskracht de wereld in, om ‘daders van het levende woord’ te worden. Dienstbaar, wilskrachtig, hoopvol, trouw en onverschrokken. 

Ik noemde al een paar maal het begrip doorzettingsvermogen. Daarbij kun je denken aan een architect die een bijzonder gebouw voor ogen heeft, in een stijl die nog niet bestaat. Het kunstzinnig en exact uittekenen hiervan, kan veel vreugde schenken –  maar de architect moet ook grond vinden waarop het gebouw kan worden neergezet, hij moet toestemming van de gemeente krijgen, investeerders vinden en een aannemer die gelooft in zijn project. Gaandeweg het bouwen, komt hij op alle fronten weerstanden tegen: de bodem vraagt om een heel ander soort fundering dan hij had bedacht, de steensoort waarmee hij wilde bouwen blijkt niet bestand tegen extreme weersomstandigheden, er rijzen protesten van omwonenden, enzovoort. De architect gelooft in zijn project, en zet moedig door om zijn droom te verwezenlijken. Maar als het gebouw dan eenmaal staat, en een tijdje in gebruik genomen is, wordt het door een onverlaat in brand gestoken. Na de eerste schok, na de vertwijfeling ‘Waar heb ik het allemaal voor gedaan?’ verzamelt de architect al zijn krachten en ontwerpt een geheel nieuw gebouw, dat moet herrijzen uit de as van zijn  vorige kunstwerk. Dat is doorzettingsvermogen pur sang. 

In niet minder indrukwekkende vorm 
 zien we het ook bij kinderen met leerproblemen, die geen tegenwerkingen van buitenaf, maar gebreken in zichzelf willen overwinnen. Die iedere som als een gevecht beleven, die moeten worstelen om een simpel boekje uit te lezen – die zich intensief moeten inspannen om tot een mooi werkstuk of een goede spreekbeurt te komen, en urenlang moeten oefenen voor een niet eens zo heel moeilijk proefwerk, terwijl ze natuurlijk veel liever buiten hadden gespeeld. Als zo’n kind slaagt, moet je hem wel uitbundig prijzen, en een groot cadeau geven. Je beseft immers wat het hem heeft gekost om dit resultaat te bereiken. 
Zulke staaltjes van doorzettingsvermogen kunnen heel inspirerend en bemoedigend werken, waardoor je ook zelf met hernieuwde kracht en hoop de wereld in stapt. En liefst samen met anderen aan de slag gaat om je idealen te verwezenlijken. Doorzettingsvermogen maakt ons, zou je kunnen zeggen, een beetje meer tot Michaëlische mensen.      
 
Maar het liefdevolle, eerbiedige uithoudingsvermogen oefenen we op Stille Zaterdag. 
Laat ik eerst duidelijk maken dat uithoudingsvermogen iets anders is dan het bezitten van een goede lichamelijke conditie. Wie getraind is, kan inderdaad uren rennen zonder ademnood, zonder neer te vallen. Maar niet iedereen met een goede conditie is geschikt voor een dagenlange wandeltocht door een onherbergzaam landschap, waar hij te kampen heeft met ontberingen en op de proef gesteld kan worden door zware regenbuien of woestijnachtige, droge hitte. 

Uithoudingsvermogen is vooral een geestesgesteldheid. Die zien we bijvoorbeeld prachtig oplichten, daar waar iemand zijn ernstig zieke geliefde tot aan het einde toe liefdevol thuis verzorgt – en dit uiteraard zonder te weten wanneer het einde in zicht is. Van een paar dagen vakantie of een uitstapje is geen sprake. De verzorgende partner past zijn dagen van ’s morgens tot ’s avonds laat aan de noden van de zieke aan, en houdt zijn eigen zorgen en frustraties zoveel mogelijk terug. ‘Ja, maar, jij dan?’ vragen de kinderen en kennissen misschien – maar de verzorger, hoe moe en somber hij soms ook is, wil nu even niet teveel aan zichzelf denken; hij wil het uithouden met, en voor, degene die hij ooit trouw heeft beloofd. Zelfs als deze zieke onherkenbaar is veranderd, of  hem niet meer herkent. De verzorgende geliefde wil, moet het hele aftakelingsproces meebeleven en begeleiden , en voor zijn gevoel horen de offers daarbij. Dat is niet iets heroïsch, daar passen complimenten en loftuitingen niet – dat roept een stille, ingetogen eerbied op. Een niet-sentimentele ontroering. 

Iets soortgelijks zie je terug bij het op alle terreinen uitzonderlijk begaafde kind dat er niets aan kan doet dat hij met een surplus geboren is. Het moet steeds weer merken dat de kennis en vaardigheden die hem ‘komen aanwaaien’, voor de meeste andere kinderen hard werken betekenen. In de klas komt zo’n kind eigenlijk altijd tekort. Maar wat hij oefent, of kan oefenen, is uithoudingsvermogen. Niet schreeuwen om aandacht, niet luidruchtig vragen om méér, niet zuchten als de anderen weer eens ongelooflijk traag zijn, je ook niet verveeld van het schoolgebeuren afkeren – nee, gewoon doen wat iedereen doet, zonder ergernis, zonder hoogmoed, zonder schamperheid. Vaak worden deze kinderen, juist omdat ze zo makkelijk leren en zulke makkelijke, begripvolle vrienden zijn, over het hoofd gezien. Ze komen prikkels tekort, worden zelden geprezen en natuurlijk nooit naar voren geschoven als voorbeeld voor de rest. Dat voelen ze heus. En dat is een heel stille, innerlijke pijn, waarover ze maar heel zelden spreken. Je ziet er een glimp van als zo’n begaafd kind eens een keer wel te horen krijgt hoe bijzonder hij is, hoe goed hij iets doet – dan springen de tranen hem in de ogen. Deze kinderen zien zoveel, en oordelen niet. Een wijsheid, een rijpheid, waar zelfs veel ouderen nog een puntje aan kunnen zuigen. Dat alles is het resultaat van een misschien niet bewust gekozen, maar uit nood geboren, deemoedig uithoudingsvermogen. 

Nu geloof ik steeds meer dat het moedige doorzettingsvermogen dat met de Michaëlstijd te maken heeft, en het deemoedige uithoudingsvermogen dat we vooral op Stille Zaterdag oefenen, twee kanten van dezelfde medaille vormen. De beide deugden horen bij elkaar. Versterken elkaar en verzachten elkaar, dragen een beetje van hun specifieke kwaliteiten op elkaar over. Het is dus geen wedstrijd, geen of/of, het is ook niet de bedoeling dat de twee deugden versmelten – doorzettingsvermogen en uithoudingsvermogen zijn in ons, als het goed is, in beide periodes met elkaar in een levendig gesprek verwikkeld. En ik denk daarnaast ook dat de twee type mensen, de doorzetters en de uithouders, pas echt iets aan de wereld kunnen schenken, als ze elkaar niet bestrijden, maar tot samenwerking komen. Doorzettingsvermogen wordt al gauw een soort draufgängerig machovertoon wanneer het vermogen ontbreekt om ook in stilte, ogenschijnlijk passief, tegenslagen en verlies uit te houden en je erop te bezinnen. En omgekeerd kan uithoudingsvermogen iets heel gelatens krijgen, iets berustends, iets masochistisch zelfs, iets ongezond treurigs, waarin het ‘ik’ volledig lijkt weggespoeld, wanneer het iemand aan een krachtig doorzettingsvermogen ontbreekt.               
 
Eigenlijk begint Stille Zaterdag al in de late middag van Goede Vrijdag. Als Jezus de geest geeft, daalt er een oorverdovende, verlammende stilte neer. Alsof iedereen, de hele natuur, de adem in houdt. Daar is niets weldadigs aan. Je kunt je voorstellen hoe het lichaam daarna van het kruis wordt genomen, de bedrijvigheid erom heen, hoe misschien een groepje mensen rondom Jozef van Arimathea het verzorgde lichaam ten slotte in het graf legt, de steen ervoor rolt… Noodzakelijke handelingen, waarbij waarschijnlijk niet al te veel gesproken werd, en die kortstondig een haast welkome afleiding vormden na alle leed. Daar omheen het wat stuurloze drukdoen dat wij kennen van een gewone zaterdag; de menigte is uiteen gegaan, de één moet nog brood bakken, de ander moet zijn schapen weiden, iemand moet terug naar een zieke vader, of nog wat wijn kopen voor de volgende dag , men praat onderweg over het dramatische spektakel, het onweer, de bliksem… En daartussen gaan Jezus’ nabestaanden. Pas geleidelijk dringt het besef door van wat er is gebeurd. Bij Maria de moeder van Jezus, bij de leerlingen, bij de liefste leerling Johannes en bij Maria Magdalena. Toen ze keken naar de kruisiging, voelden ze zo mee met hun geliefde Meester, dat ze zichzelf en elkaar waarschijnlijk volledig vergaten, ja, dat ze misschien niet eens de tranen over hun wangen voelden stromen en niet merkten dat ze elkaars hand vastpakten. Misschien voelden ze de pijn en de wonden van Jezus in hun eigen vlees, maar ze beleefden hun lichaam op dat moment niet eens als hun lichaam, maar eerder als dat van hem, waardoor ze er geen acht op sloegen. Zo stel ik me dat voor. En nu, na zijn sterven, verlaten ze groepje na groepje, één voor één, het gebied rondom Golgotha, en keren ze terug naar hun huizen. En pas daar ontwaakt dat besef, tergend langzaam: hij is er echt niet meer. Dan wil je daar niet over praten. Dan wil je dat niet meteen verwerken, of daar een poging toe ondernemen. Je hebt er geen woorden voor. Niemand moet het wagen je op te beuren. Bijvoorbeeld door je uit te leggen wat de zin van dit alles is, of door een arm om je heen te slaan. Je wilt alleen zijn met je verlatenheid. 
 
Wie Goede Vrijdag opvat als het tragische slotakkoord van de Lijdenstijd, zegt daarmee ook: dan is het morgen dus Paaszaterdag, de voorbereidingsdag voor het zondagse feest. 
Maar kan het Pasen worden zonder die Stille Zaterdag, het werkelijke einde van de Lijdenstijd, echt te doorleven, te doorwaken, uit te houden? 
Kun je in een toonladder de verlossende octaafsprong beleven als je de één na laatste toon overslaat? Is een regenboog nog wel een regenboog wanneer je het indigo weglaat? 
Mag je een zogenaamd welverdiend voorschotje nemen op het feest, door na Goede Vrijdag de lijdenstijd meteen maar af te sluiten? 
Ik kan me voorstellen dat degenen die de rouw van de moeder en de vrienden van Jezus niet willen meebeleven, de opstanding met Pasen alleen kunnen beluisteren als een symbolisch verhaal – bijvoorbeeld  over hoe een mens uit een zware crisis kan herrijzen. Het klinkt misschien als een paradox, maar door het dode lichaam van de mens Jezus niet in eenzame stilte, thuis, intens te missen en te betreuren, houd je alleen de moralistische anekdote over. Jezus sterft smartelijk, en hup, de volgende dag staat hij er weer, als een tuinman, een engelachtig wezen, dat niet eens mag worden aangeraakt. 
De vraag ‘Wat zoekt gij de levende bij de doden?’ krijgt hierdoor iets van zo’n olijke, bemoedigende wandtegelspreuk. ‘Niet getreurd, na regen komt zonneschijn en na een diepe val sta je weer sterker op. ’ 

Maar het is niet de mens, de meester Jezus die aan zijn vrienden verschijnt – het is de Christus, en hij weeft nog aan een zonnekleed waarin hij aan iedereen, nu en in het verleden en in de toekomst, kan verschijnen: ‘Houd me niet vast, het is nog niet klaar, en daarbij: ik ben er niet meer exclusief voor deze vriendengroep.’ 
Er is iets omgevormd, en dat de vrienden in de vroege ochtend bij het graf deze omvorming überhaupt kunnen waarnemen, kunnen meemaken, is omdat ze het hebben uitgehouden in de leegte, de stille en stuurloosheid. 
Ze hebben zelf ook durven doodgaan, bewust iets in zichzelf voelen afsterven. Ze hebben zich wellicht onthand gevoeld omdat ze met de woorden van de Schrift niets konden aanvangen, elkaar niet eens konden troosten en bemoedigen. Dat is misschien wel de grootste teleurstelling: de teleurstelling in jezelf. Je weet hoe het idealiter zou kunnen en moeten, je ziet dat heel duidelijk voor je – en toch faal je, schiet je tekort.  Ik acht het niet ondenkbaar dat de leerlingen in de uren na Jezus’ dood, hun geloof, hoop en liefde totaal verloren hadden, en zich reddeloos verloren voelden. Ontheemd, ontliefd, ongeborgen, unheimisch. Met heimwee naar al die momenten dat ze dichtbij de meester, rondom hem, aan zijn voeten zaten, en zijn woorden en daden tot zich namen als was het voedsel en drank.  De leerlingen roepen het niet, maar in hun gebarsten hart klinkt waarschijnlijk de echo van het ‘Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten’ – totdat ook die echo wegsterft. Het nulpunt. De bodemloze put van de rouw. De hel als het absolute niets. Een zwart gat. Horror vacuï. 

En dan, tegen de ochtend op de eerste dag van de nieuwe week, als  de vrouwen bij het graf gaan kijken en de andere discipelen wekken (waarschijnlijk konden ze, anders dan in Gethsemane, waar Jezus vroeg: ‘Kunt gij dan niet één uur met mij waken?’ de slaap ditmaal niet eens vatten – ze moesten waken, of ze wilden of niet…), dan is hij daar weer. Dezelfde en helemaal anders. Je zou kunnen zeggen: alleen doordat zijn vrienden helemaal leeg zijn, en uitgeput, is er ruimte voor die nieuwe ervaring van, en ontmoeting met, het vertrouwde. Wanneer de leerlingen  op Goede Vrijdag stoïcijns naar huis waren gegaan, in het volle vertrouwen dat Jezus’ lijden en dood slechts een noodzakelijk stadium in het heilsverhaal zouden zijn en dat ze hun meester nog binnen een week zouden terugzien, dan is het maar de vraag of ze de Opgestane hadden herkend. Ze zouden dan hebben vastgehouden aan het beeld dat ze van de aardse Jezus hadden, dat nog levendig op hun netvlies stond, en tegen de zich uitbreidende lichtgestalte van de Christus hebben gezegd: ‘Nee, u bent het niet. U lijkt niet eens in de verte op hem.’ 

Maar de leerlingen hebben het dode lichaam beweend. Betreurd. Het gemis toegelaten. Ze hebben het vervagende beeld van hem met pijn en moeite moeten loslaten. Hij is dood. Hij is er echt niet meer. Hij komt ook nooit meer terug op dezelfde manier. En wee ons, we kunnen daar niets aan veranderen. 
Dat is de gedachte van Stille Zaterdag: “We kunnen er niets aan veranderen.” Dood is dood. En altijd eenmalig. Zoals het voorbije leven ook eenmalig was – dat is zelfs zo, voor wie in reïncarnatie gelooft. We kunnen er niets aan veranderen. We zullen het moeten uithouden in dat besef. Dat is de gedachte, die onze oren, ogen en harten opent voor de verandering die vanuit de geestelijke wereld op ons toe komt. We veranderen onszelf niet en onze situatie niet, en de aardse wetmatigheden niet, en la condition humaine niet:  we houden het ondraaglijke gemis en tekort uit. En daardoor zien we  met Pasen de veranderde Christus, en we durven ons door hem te laten veranderen. 

Er is moed voor nodig om van binnenuit in de buitenwereld iets te veranderen. Om je tegen de verleidelijke illusies, het cynisme, het geweld en de doodsdrift van buitenaf te weer te kunnen stellen. Het in jezelf opwekken van een tegenkracht: we leren het met Sint Michaël. Met doorzettingsvermogen bouwen we iets nieuws, met doorzettingsvermogen komen we de herfst en de kille winter door, verslaan we de draak.  Met Stille Zaterdag houden we het uit in onze eigen verslagenheid. En dit uithoudingsvermogen lijkt nodig om je steeds opnieuw van buitenaf te kunnen laten veranderen, te laten herscheppen – in een gelovige, een navolger, in iemand die zich kan laten vullen, vervullen en vervolmaken door de opgestane Christus. 
In deemoed waak je, of in deemoed lig je wakker: je verzet je niet, je vecht niet, je vlucht ook niet weg.  Wat in de liturgie van de Christengemeenschap zo mooi heet ‘willende overgave’. In de natuur mag survival of the fittest een wet zijn, een mens kan blijven stilstaan. Zich overgeven zoals Jezus Christus zich overgaf: rechtop, zelfbewust. Niet heersend, niet onderdanig. Ecce homo. Zie, de mens.  

De verleiding kan groot zijn om Stille Zaterdag over te slaan, door deze dag alvast in de Paassfeer te trekken, haar al een beetje een feestelijke glans te geven. De klanken van de Johannes Passion zijn nog niet weggestorven, en je zet alvast een Paasoratorium op. 
De verleiding om Stille Zaterdag in afzondering te beleven kan minstens zo groot zijn. Je doet de deur van je werkkamer op slot, overdenkt Goede Vrijdag, brandt een kaars tot het einde op, bidt, luistert nog eens rustig naar de aria ‘Es ist Volbracht…’ En natuurlijk vast je die hele dag. Alles sober en vroom. Ver uit de buurt van de drukke supermarkt, de vrolijke, chaotische, zaterdagse bedrijvigheid thuis, de verleidelijke geuren van uitdampende cake, de bonte kleuren van beschilderde eieren, viooltjes en narcissen. Maar de kunst is om gewoon aan de voorbereidingen deel te nemen, met warme aandacht, en tegelijkertijd diep van binnen de  smartelijke rouw te beleven. Het contrast. De dissonant. Als een eenzame evenwichtskunstenaar op het slappe koord, die lijkt te dansen en huppelen, even loskomt van de zwaartekracht, maar dit alleen maar kan door nu en dan zijn armen te spreiden – waardoor hij in een kruisvorm staat en gaat. 

Het uithouden tussen uitersten. Tussen uiterlijke voorjaarsvreugde en innerlijk lijden. Tussen het overlijden van de lichamelijke mens en de nieuwe geboorte in de geest. Tussen de echo van de droge zweepslagen van gisteren, en de tedere trilling van de Paasklokken, waarvan de welluidende klank ons  op paasmorgen pas bereikt. 
Het uithouden: daarmee banen we op Stille Zaterdag, zonder er erg in te hebben, een smal pad tussen het diepe graf en de hoogste hemel – waarover Hij op ons toe kan komen. Op zijn moment. Om van ons een ander mens te maken. Om ons te veranderen in degene die we waren kwijtgeraakt, ergens, onderweg.  Om ons om te vormen tot medemens. Tot de missing link, tot de gouden schakel die nog ontbrak. 

Wij werden zo node door zowel levende als gestorven anderen gemist, maar hadden het niet door. Of konden het niet geloven. We waren slaapwandelaars, stuurloos, niet wetend waarnaar we op zoek waren, de uitputting nabij – en dan noemt iemand ons zacht bij onze naam, en wekt ons op, en zegt in ons te geloven. 
Zo, dat we waarlijk geroepenen kunnen worden. Zo, dat we de gefluisterde noodkreet van anderen in de menigte weer kunnen horen, en met hen kunnen meeleven en weten wat ons te doen staat: van elke aardse, doordeweekse werkdag een zon-dag maken, stralend licht.    
                              

Desanne van Brederode
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *