Een voorgoed begonnen begin

Marius van Leeuwen – ‘Christus is opgestaan’: door de eeuwen heen heeft de kerk die Paas-boodschap luid verkondigd. Het was een tegenweer tegen de hopeloosheid waarin de machten van kwaad en dood mensen kunnen brengen. Die machten hebben het laatste woord niet. Pasen sterkte de gelovigen in het vertrouwen dat hun dood niet het einde was: Christus was door de dood heen gegaan, en wie hem volgden mochten delen in zijn glorie.

Eens, aan het einde van de tijd, zouden ook zij mogen opstaan uit de dood, zoals hij tóen, met Pasen, als eersteling was opgestaan. Het was nogal wat om dat te mogen geloven. Geen wonder dat Pasen al in de vroege kerk werd gevierd als het grootste van alle christelijke feesten. En dat is het nog: een feest waarbij Christus’ overwinning op de dood luid wordt bezongen. De Halleluja’s zijn niet van de lucht! 

Maar de al te grote woorden overtuigen velen niet meer: hoe groter en verhevener ze klinken, hoe moeilijker het is ze te verbinden met het gewone leven, en hoe meer vragen ze oproepen. Waaraan zie je het dan: dat de dood geen macht meer heeft? Waaraan zie je dat het kwaad al eens en voorgoed overwonnen is? Het mag, wil een mens van deze tijd dat alles mee kunnen maken, wel wat ‘kleiner’. Pasen is, zo schreef de theologe Kune Biezeveld kort voor haar dood, niet zozeer één grote triomf, als wel een ‘breekbare belofte’ (in het postuum verschenen boekje Als scherven spreken, 2008). 

Hoe klinkt het als we op een meer bescheiden toon spreken over de opstanding van Christus uit de dood? Ik weet dat er eindeloos over te debatteren valt, maar voor mij hoeft het ‘waarlijk opgestaan’ niet te betekenen dat er letterlijk een gestorvene uit het graf herrees. Ik houd het erop dat het geloof dat Jezus was opgestaan, voortkwam uit een in zijn tijd gangbaar idee: een martelaar voor de zaak van God kon van Godswege  beloning verwachten; hij of zij werd op het moment van sterven, opgenomen in de hemel. Zo raakten ook Jezus’ volgelingen ervan overtuigd dat hij, toen hij stierf, was opgestaan bij God in de hemel. Al snel deden verhalen daarover de ronde. Ze kwamen dus voort uit de gedachte dat Jezus, die als martelaar zijn leven gaf, niet door God werd losgelaten. En ze versterkten de overtuiging dat de zaak, waarvoor hij had gestreden – de vestiging van Gods rijk op aarde – doorging, ondanks het debacle van Goede Vrijdag. Ze versterkten de fiducie dat er, ook als alles hopeloos lijkt te zijn doodgelopen, nieuw begin mogelijk is. Pasen is wel het feest van het (met een woord van Martinus Nijhoff) ‘voorgoed begonnen begin’ genoemd.

De kerk is al vroeg in zeer verheven termen daarover gaan spreken. Maar mij valt telkens op dat de bijbelse berichten over Pasen helemaal niet zo machtig van toon zijn. De vertellers komen niet met overrompelende bewijzen, maar met verwijzingen naar een geheim dat nauwelijks te vatten is, een geheim waar gewone mensen makkelijk aan voorbij zien. Neem de paasberichten die in Johannes 20 zijn overgeleverd. Petrus ziet als eerste dat het graf waarin ze Jezus hadden gelegd leeg was – hij ziet enkel de linnen doeken en … hij doorziet het niet (v. 6,7). Wat later komt Maria van Magdala in de tuin bij het graf de opgestane Jezus zelf tegen, maar … ze denkt dat het de tuinman is (v. 15). Die avond verschijnt Jezus aan zijn leerlingen en geeft hij hun de volmacht om zijn werk voort te zetten. Maar één, Tomas, is er niet bij (v. 24). Hij durft op alle geruchten niet af te gaan. Hij wil met eigen ogen zien dat Jezus leeft; hij wil de wonden van de gekruisigde voelen om zeker te zijn dat hij het werkelijk is … Zo broos is dat mysterie van Pasen. Wie kan het geloven? Heel voorzichtig durfden de leerlingen te gaan geloven dat de weg die ze met Jezus waren gegaan, verder ging, en dat er, voorbij het einde, nieuw begin was. De hoorders of lezers van die verhalen worden ertoe uitgenodigd om hun leven en de werkelijkheid ook in dat licht te gaan zien: durf je, waar alles soms lijkt vast te lopen in onmogelijkheid, te blijven vertrouwen op de mogelijkheden? 

Dat breekbare Paasgeloof is dus allereerst een uitnodiging om hoopvolle mensen te blijven, mensen die vertrouwen houden in nieuwe mogelijkheden van leven. Laat ik nogmaals Kune Biezeveld aanhalen: die boodschap is primair ‘iets voor in het aardse leven zelf’. Ze zet ertoe aan ‘dat wij hoopvol leven en dingen doen die daarbij horen, verrassende dingen, die vastgelopen situaties doorbreken’. Wie zo probeert te leven: er op vertrouwend dat er telkens, waar er leven is, kansen zijn, en eraan werkend die kansen te zien en te grijpen, mag misschien óók hopen dat er, wanneer het eigen bestaan onvermijdelijk uitloopt op de dood, daar voorbij nog ‘iets’ is. Wie zal het zeggen? We moeten dat maar gelaten overlaten. Alles wat mensen daarover beweren, blijft gepraat van wie nog ‘hier’ zijn.

Marius van Leeuwen is emeritus-hoogleraar aan het remonstrants Seminarium.

Bron: Adrem maart 2013

Claudia Pietryga
Claudia deed zowel een sociaal-agogische als journalistieke opleiding en is alweer bijna tien jaar freelance journalist. Ze schrijft het liefste over maatschappelijke onderwerpen en publiceerde onder meer stukken in de Flair, Hallo Jumbo, Spits, Het Parool, diverse blogs, lokale bladen en uiteenlopende (online) media voor met name ondernemers.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *