Een klein meisje van niks

Door geloof, hoop en liefde, deze drie. Maar de meeste van deze is de liefde – schreef de apostel Paulus. Maar de Franse dichter Charles Péguy (1873-1914) waagt het met hem oneens te zijn.

 

Deze drie, inderdaad. Maar de meeste van deze is, zegt hij, ondanks dat hij de kleinste is, de hoop. Geloof, hoop en liefde zijn God alle even dierbaar, maar met de hoop, daarmee heeft God nog het meest. Zo dat hij er zichzelf over blijft verwonderen, en er soms zelfs zelf weer ondersteboven van is.

Het geloof waar ik het meest van hou, zegt God, is de hoop.

Geloof, dat verwondert me niet.
Ik ben overal zo zichtbaar aanwezig,
in de zon en de maan en de sterren aan de hemel
en in ’t gewemel
van de vissen in rivieren,
en in alle dieren,
en in het hart van de mens, zegt God,
dat het diepste is
en het meest in het kind
dat het liefste is
dat ik ooit heb geschapen.
In alles wat boven en onder is
ben ik zo luisterrijk aanwezig,
dat geloven, zegt God, in mijn ogen
geen wonder is.

Ook liefde verwondert me niet, zegt God.
Er is onder de mensen zoveel verdriet,
soms niet te stelpen,
dat je toch vanzelf ziet
hoe ze elkaar moeten helpen.
Ze zouden wel harten van steen
moeten hebben als ze voor een
die tekort heeft het brood
niet uit hun mond zouden sparen.
Nee, liefde, zegt God, dat verwondert me niet.

Maar wat me verwondert, zegt God, is de hoop.
Daar ben ik van ondersteboven.

De mensen zien toch hoe het er in de wereld vandaag toegaat

en toch geloven ze
dat het morgen allemaal beter zal gaan.
Wat een wonder is er niet voor nodig
dat zij dat kleine hoopje hoop
nooit als overbodig
ervaren
maar met voorzichtige gebaren
in hun hand en in hun hart bewaren,
een vlammetje dat keer op keer weer
wankelt en dreigt neer te slaan
maar altijd weer weet op te staan,
en nooit wil doven.
Soms kan ik mijn eigen ogen niet geloven.

Geloof en liefde zijn als vrouwen.
Hoop is een heel klein meisje van niks.
Zij stapt op tussen de twee vrouwen
en iedereen denkt: die vrouwen houden
haar bij de hand,
die wijzen de weg.
Maar daarvan heb ik meer verstand,
zegt God, ik zeg:
het is dat kleine meisje hoop
dat al wat tussen mensen leeft
en al hun heen en weer geloop
licht en richting geeft.
Want het is dat kleine meisje hoop
– je ziet het zwak zijn, bang zijn, beven,
je denkt soms dat het zo onooglijk is –
het is dat kleine meisje hoop
dat de mensen zien laat, zien soms even,
wat in het leven mogelijk is.

Het geloof, zegt God, waar ik het meest van hou,
de liefde waar ik het meest van hou, is de hoop.
Geloof, dat verwondert me niet.
Liefde, dat is geen wonder.
Maar de hoop, dat is bijna niet te geloven.
Ikzelf zegt God, ik ben ervan ondersteboven.

(Charles Péguy, Le Porche du mystère de la deuxième vertu [ de poort naar het geheim van de tweede deugd], 1912)

Het is God zelf die Péguy aan het woord laat in dit gedicht. Geloven, zegt God, dat is eigenlijk geen kunst, al doen de mensen het veel te weinig. Kijk goed om je heen, en je kunt bijna niet anders de wonderen van de natuur verwijzen naar hun Schepper. De zon, de maan en sterren, maar meest nog de geboorte van een kind – het kan niet anders of je gaat er van in Mij geloven.
De liefde, ook een bovennatuurlijke goddelijke deugd, ligt voor het opgrijpen, als je ziet hoeveel leed en verdriet onder mensen is. Ze kunnen dan toch niet anders, zegt God vanuit zijn perspectief, dan elkaar liefhebben? We hebben elkaars troost nodig.
Maar de hoop, dat is werkelijk een godswonder. Onze toestand is hopeloos. En niets wijst erop dat het morgen anders zal gaan. En toch. Mensen worden murw gebeukt door het leven. En toch hopen ze tegen heug en meug in op morgen. Het is eigenlijk ongelooflijk, zegt God zelf, de hoop zou allang met wortel en tak uitgeroeid moeten zijn – en toch blijft zij springlevend onder de mensen.
De hoop is een Godswonder. Ik zou iets verder willen gaan: de hoop is een godsbewijs. Natuurwetenschappers strijden met elkaar over de theorie van Intelligent Design: kan uit de doelmatigheid van de natuur worden opgemaakt dat zij ooit door God geschapen is?  Filosofen verschillen met elkaar van mening over de enige moraal die de evolutie ons leert niet die van het pure eigenbelang is en of naastenliefde eigenlijk geen christelijke vergissing is. Vragen waar je een flinke boom over kunt opzetten. Maar, zegt Péguy met zijn gedicht, het werkelijke godsbewijs is niet het geloof in een Schepper of de naastenliefde, maar de hoop die, ondanks alles, niet uit te roeien valt.  God ‘bestaat’ in het geloof in morgen…
Dat lijkt geen indruk te maken. Geloof en liefde zijn vergeleken bij de hoop twee stevige dames. De hoop is een heel klein meisje van niks. Misschien mag je nog verder gaan en zeggen: de hoop, dat is God zelf.  De hoop is God met ons, Immanuël. In elke sprankje is de Levende zelf aanwezig. In een klein meisje. Of een klein jongetje. Het jongetje dat elk jaar met Kerst opnieuw geboren wordt.
Soms hebben we grootse voorstellingen van Christus. Dat Hij de wereld wel eens even op orde brengen zal. Dan maken we van de hoop gauw weer een stevige dame, die wel eens even zegt waar het heen moet. Maar Jezus, godswonder, godsbewijs – het is een klein jongetje, een klein jongetje van niks.
 

 

Frits de Lange
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *